[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. M.I. L'Ghdas),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes, het college
(gemachtigde: M. Vlaanderen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de verlaging van haar bijstandsuitkering.
Met het bestreden besluit van 27 november 2025 heeft het college de hoogte van de bijstandsuitkering van verzoekster met ingang van 1 november 2025 verlaagd, omdat verzoekster sinds 27 augustus 2025 in een instelling verbleef. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij besluit van 13 januari 2026 heeft het college het bestreden besluit ingetrokken.
Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Het college heeft meegedeeld bereid te zijn de proceskosten ter hoogte van 1 punt te vergoeden.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Is het verzoek om een voorlopige voorziening ontvankelijk?
2. Omdat het college inhoudelijk aan het bezwaar tegemoet is gekomen, heeft verzoekster geen procesbelang meer bij de voorlopige voorzieningen-procedure. Het verzoek om een voorlopige voorziening is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Wordt het college veroordeeld in de proceskosten van verzoekster?
3. De bestuursrechter kan een partij veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening bij de bestuursrechter heeft moeten maken. Dit kan ook als het verzoek niet-ontvankelijk is.
Gelet op de gedingstukken en het in de inleiding opgenomen procesverloop is het college tegemoet gekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is dan wel niet-ontvankelijk, maar omdat het college naar aanleiding van het bezwaar aan verzoekster tegemoet is gekomen, bestaat in beginsel wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
4. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft één proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 934,- bedragen.
5. De voorzieningenrechter ziet in de uitkomst van de zaak ook aanleiding te bepalen dat het college aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt, omdat het college aan het bezwaar tegemoet is gekomen.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 53,- aan verzoekster moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
58
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: