RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16-158672-25 + 16-339805-24 (vord. tul) (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 12 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1999] te [geboorteplaats] (Tunesië),
op dit moment gedetineerd te [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 26 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 20 mei 2025 te Utrecht, samen met anderen, een pistoolmitrailleur van het merk/model Heckler & Koch MP5, geschikt om automatisch te vuren, en 26 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad;
feit 2
primair
op 20 mei 2025 te Utrecht, samen met anderen,
een moord heeft voorbereid, en daartoe meerdere automatische vuurwapens voorhanden te hebben en overleg te voeren over de werking daarvan;
subsidiair
op 20 mei 2025 te Utrecht, samen met anderen, een diefstal met geweld of afpersing heeft voorbereid, en daartoe meerdere automatische vuurwapens voorhanden heeft gehad;
feit 3
op 20 mei 2025 te Utrecht, samen met anderen, een pistool, van het merk Glock, model 23, geschikt om volautomatisch te vuren, en 6 scherpe patronen, voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de (primair) ten laste gelegde feiten heeft gepleegd. Hetgeen de officier van justitie hiertoe heeft aangevoerd wordt - voor zover van belang voor de beoordeling - besproken in paragraaf 3.3.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert geen verweer met betrekking tot feit 1 en feit 3. De verdachte heeft die feiten, het bezit van de twee automatische vuurwapens en de munitie, bekend. De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2. Het standpunt van de advocaat met betrekking tot feit 2 wordt - voor zover van belang voor de beoordeling - besproken onder paragraaf 3.3.1.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 2 – voorbereiding moord (primair), diefstal / afpersing met geweld (subsidiair)
De rechtbank oordeelt dat feit 2 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
In het strafrecht is voorbereiding van een misdrijf in zijn algemeenheid niet strafbaar. Dat is op grond van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht alleen anders als het gaat om een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is.
Voor een bewezenverklaring van het plegen van voorbereidingshandelingen is vereist dat het opzet van de verdachte gericht was op het voorbereiden van het beoogde feit dat in de tenlastelegging is omschreven en dat de verdachte moet weten dat de in de tenlastelegging omschreven middelen bestemd waren tot het begaan van dát misdrijf. Daartoe dient te worden beoordeeld of de middelen afzonderlijk, dan wel gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm ten tijde van het handelen dienstig konden zijn voor het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik daarvan voor ogen had.
De rechtbank is van oordeel dat de twee automatische vuurwapens en de munitie die verdachte voorhanden had, objectief gezien, bestemd moeten zijn geweest voor het plegen van strafbare feiten. Het betreft immers bij wet verboden voorwerpen die geen enkel ander doel hebben dan het plegen van strafbare feiten.
De vraag is echter of het voorhanden hebben van deze wapens en munitie, het tonen daarvan aan medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , het in handen geven van de pistoolmitrailleur aan medeverdachte [medeverdachte 2] en het met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bespreken van de werking van de wapens, bezien in het licht van de verklaring van getuige [getuige] , voldoende is om te bewijzen dat verdachte daarmee ook werkelijk een moord, of een diefstal/afpersing met geweld aan het voorbereiden was.
De rechtbank oordeelt dat het dossier en hetgeen besproken is ter terechtzitting daarvoor onvoldoende aanknopingspunten bieden.
Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij heeft gezien en gehoord dat verdachte een vuurwapen in zijn hand had en dat hij zou hebben gezegd dat hij van plan was om iemand wat aan te doen, en dat hij hem veel schade wilde toebrengen. Later die avond zou de verdachte volgens [getuige] emotioneel geweest zijn, een vuurwapen bij zich hebben gestopt en hebben gezegd dat het “zijn leven of mijn leven” was, en “dat het die avond ging gebeuren”. Toen [getuige] met de verdachte en de medeverdachten later op de avond naar een tankstation reed hoorde ze dat zij onderling iets bespraken over een overval. Ook heeft [getuige] (stiekem) gefilmd dat de verdachte zijn vuurwapens aan de medeverdachten liet zien.
De verklaring van [getuige] wordt gedeeltelijk ondersteund door de door haar gemaakte opname en de door de verdachte afgelegde verklaring inzake het wapenbezit en dat hij de wapens getoond heeft en uitleg gegeven heeft aan de medeverdachten over de werking daarvan. Haar verklaringen over de aanwijzingen dat verdachte van plan was de wapens te gebruiken voor het plegen van een ernstig strafbaar feit worden echter niet ondersteund door andere bewijsmiddelen. Deze verklaringen zijn onvoldoende concreet en gedetailleerd en worden bovendien weergesproken door onder meer een getuige die ook in de woning aanwezig was en door verklaringen van de medeverdachten. Dit betekent dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om te komen tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de strafbare voorbereiding van een moord dan wel een diefstal/afpersing met geweld in vereniging.
Het filmpje dat is aangetroffen op de telefoon van verdachte, waarop hijzelf en medeverdachte [medeverdachte 3] allebei een wapen in de hand hebben en [medeverdachte 3] zegt “we gaan killen” brengt hier – ook als het in onderlinge samenhang met de overige bewijsmiddelen wordt beschouwd – geen verandering in. Niet kan immers worden vastgesteld dat de verdachte een concreet plan had tot het plegen van voornoemde strafbare feiten.
De rechtbank oordeelt dat het onder 2 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen is en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
Bewijsmiddelen voor het bezit van vuurwapens en munitie
De verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 3, namelijk het voorhanden hebben van een pistoolmitrailleur en een pistool, geschikt om volautomatisch te vuren, en het voorhanden hebben van de munitie heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door hem of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
feit 1 en 3
- de verklaring van de verdachte ter zitting van 26 februari 2026;
- een proces-verbaal, genummerd PL0900-2025166314-19, pagina 32 tot en met 36 en bijbehorend fotoblad pagina 37-49;
- een proces-verbaal, genummerd, PL0900-2025166314-31, pagina 60 met bijbehorende fotoblad pagina 61-67.
- een proces-verbaal, genummerd PL0900-2025166314-71, pagina 96 tot en met 99;
- een proces-verbaal, genummerd JM123, pagina 113-128.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van de verdachte dat hij de wapens voor iemand anders in bewaring had. De verdachte heeft niet willen verklaren wie de persoon was voor wie hij de wapens zou hebben bewaard, zodat dit niet verifieerbaar is. Daarnaast zijn er aanwijzingen in het dossier dat de wapens de verdachte toebehoorden. Zo blijkt uit onderzoek aan zijn telefoon dat hij op 17 mei 2025 een bericht heeft gestuurd aan [A] dat hij “armed tot de tanden” is (pagina 132) en dat hij “deze wapens pas heeft gekocht” (pagina 133).
Wat hier ook van zij, uit het dossier blijkt in ieder geval dat de verdachte de feitelijke macht kon uitoefenen over de wapens en munitie en daarover dus beschikkingsmacht had. Dat een ander mogelijk de eigenaar van de wapens en munitie was doet aan deze beschikkingsmacht van de verdachte dus niet af.
De rechtbank oordeelt op grond van het proces-verbaal, genummerd JM123, de beschrijving van het filmpje van 20 mei 2025 in de telefoon van verdachte, dat sprake is van medeplegen van het voorhanden hebben van de wapens en munitie omdat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte 3] , terwijl zij dicht naast elkaar zitten en gedurende enige tijd in de camera kijken, allebei een wapen tonen en er tevens een gevulde patroonhouder te zien is. Daaruit blijkt een bewuste en nauwe samenwerking.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1
op 20 mei 2025 te Utrecht, tezamen en invereniging met een ander, - een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten eenvuurwapen, pistoolmitrailleur, van het merk/model Heckler & Koch MP5, kaliber9x19mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vurenen- munitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten26 scherpe kogelpatronen,voorhanden heeft gehad;
feit 3
op 20 mei 2025 te Utrecht, tezamen en invereniging met een ander- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten eenvuurwapen, pistool, van het merk Glock, model 23, kaliber .40, zijnde eenvuurwapen geschikt/bestemd om volautomatisch te vurenen- munitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten 6 scherpe kogelpatronen,voorhanden heeft gehad.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 3
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 2º
en
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 jaar, met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om een deels voorwaardelijke straf zodat de verdachte, die een belast verleden heeft en sinds jonge leeftijd in de overlevingsmodus staat, perspectief houdt op een normaal bestaan waar hij met de nodige hulp in het kader van bijzondere voorwaarden aan kan werken. Verdachte is ontvankelijk voor hulpverlening door de reclassering.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden in haar oordeel mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte had op 20 mei 2025 in zijn woning de beschikking over twee automatische vuurwapens, waaronder een pistoolmitrailleur en bijbehorende munitie. Verdachte heeft met deze wapens (naar eigen zeggen) gepronkt bij medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , die hij slechts oppervlakkig kende uit het drugsmilieu, terwijl verdachte en de medeverdachten onder invloed van alcohol en/of drugs waren. Verdachte heeft daarbij [medeverdachte 2] de pistoolmitrailleur in handen gegeven. Diezelfde avond is verdachte met het andere wapen, een pistool met daarin een patroonhouder, op pad gegaan in het gezelschap van de medeverdachten en twee andere personen. Daarnaast heeft de verdachte op 20 mei 2025 samen met medeverdachte [medeverdachte 3] een filmpje gemaakt, waarbij de vuurwapens worden getoond, deze op de camera worden gericht en waarbij [medeverdachte 3] zegt “we gaan killen”. Dit filmpje heeft de verdachte doorgestuurd naar een vriend.
Het voorhanden hebben van twee schietklare vuurwapens en van de bijbehorende munitie zijn zeer ernstige strafbare feiten. Dergelijke feiten brengen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee en maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het bezit van vuurwapens in zeer veel gevallen tot het gebruik daarvan leidt, met vaak dodelijke of zwaargewonde slachtoffers tot gevolg. Dergelijke feiten dragen daardoor bij aan gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. De ernst van de feiten wordt voor de rechtbank versterkt doordat de verdachte lichtvaardig met deze wapens is omgesprongen door deze in handen te nemen terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol en drugs, aan een persoon te overhandigen die eveneens onder invloed van middelen verkeerde, en een van de wapens mee te nemen en te dragen op de openbare weg.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten (LOVS). Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het voorhanden hebben
- van een automatisch vuurwapen in een woning is onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden;
- van een pistool in de openbare ruimte is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden.
Dit is het uitgangspunt bij het bepalen van de straf die passend is in deze zaak. Dat de feiten in vereniging zijn gepleegd is strafverzwarend.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met:
- het strafblad van de verdachte van 28 januari 2026;
- een reclasseringsadvies van 10 februari 2026;
- een psychodiagnostisch onderzoek door MEE van 11 april 2025.
Uit het strafblad blijkt dat de verdachte eerder meermalen is veroordeeld, maar niet voor het soort feiten waarvoor hij nu terechtstaat. De rechtbank kent aan het strafblad geen strafvermeerderende of strafverminderende betekenis toe.
In het reclasseringsadvies dat over verdachte is uitgebracht wordt vermeld dat de verdachte op vrijwel alle leefgebieden problemen heeft. Het psychosociaal functioneren, middelengebruik en sociaal netwerk van de verdachte worden als delictgerelateerd aangemerkt. De verdachte kent een belast verleden en hij onderdrukt zijn gevoelens door middelengebruik. Er zijn aanwijzingen dat de verdachte zich in een pro-crimineel netwerk begeeft. Positief is dat de verdachte open staat voor justitiële interventies. Verder heeft hij een open houding en worden de relaties met zijn dochter en stiefmoeder als beschermende factor beschouwd. Bij de inzet van interventies dient er rekening gehouden te worden met een beperking van betrokkene zijn verstandelijk vermogens en het risico op terugval in middelengebruik. Het risico op recidive wordt hoog ingeschat en interventies op het gebied van huisvesting, middelengebruik en psychosociaal functioneren zijn nodig om het risico op recidive te verminderen. Aan de verdachte zijn niet eerder bijzondere voorwaarden opgelegd. De reclassering adviseert een meldplicht, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, beheersing van middelengebruik en het aflossen van schulden.
Alles overziend acht de rechtbank de volgende straf passend en geboden:
een gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van de tijd die in voorarrest is doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Als voorwaarden gelden de algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank de verdachte vrijspreekt van feit 2.
6. In beslag genomen voorwerpen
Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank is van oordeel dat de in beslag genomen vuurwapens, munitie, pepperspray en verdovende middelen dienen te worden onttrokken aan het verkeer. Met behulp van deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten begaan, met uitzondering van de pepperspray. Het ongecontroleerde bezit van pepperspray is echter in strijd met de wet en kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten, zodat dit een zelfstandige grond voor onttrekking aan het verkeer oplevert.
Verbeurdverklaring
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de Apple IPhone 14 Pro Max en de zwarte Apple Iphone 8 van de verdachte verbeurd dienen te worden verklaard, omdat daar informatie op staat over handel in vuurwapens en de productie van en handel in drugs.
De raadsvrouw heeft verzocht om de telefoons aan verdachte terug te geven omdat zich daarin bestanden met foto’s van de dochter van de verdachte en overige persoonlijke gesprekken en gegevens bevinden.
De rechtbank oordeelt dat de strafbare feiten met behulp van de in beslag genomen telefoons zijn begaan of voorbereid. Dat de verdachte belang heeft bij de niet-strafbare gegevens op de telefoons leidt niet tot een ander oordeel, omdat de verdachte hier pas ter zitting (en dus niet tijdig) om heeft verzocht terwijl niet concreet is toegelicht en onderbouwd om welke gegevens en bestanden het precies gaat.
7. Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf
De politierechter van deze rechtbank heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16-339805-24 op 21 januari 2025 onder meer een gevangenisstraf van 6 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar. De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf gevorderd. De advocaat heeft primair verzocht de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer te leggen omdat dit een andersoortig feit betreft, namelijk de heling van een fiets. Subsidiair heeft de advocaat verzocht om de proeftijd met één jaar te verlengen, dan wel de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf moet worden toegewezen omdat uit het onderhavige vonnis volgt dat de verdachte de algemene voorwaarde, om binnen de proeftijd geen nieuw strafbaar feit te plegen, heeft overtreden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd te verlengen of de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.
8. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
9. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 2 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder paragraaf 3.4 bewezenverklaarde;
straf en/of maatregel
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 28 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;
- stelt daarbij als algemene voorwaarden:
- als voorwaarden gelden dat verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt daarbij als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering
* dat de verdachte zich meldt gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij reclassering Inforsa op
het adres Wittevouwenkade 6 te Utrecht;
Ambulante behandeling
* dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, schuldenproblematiek en/of andere problematiek;
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
* dat de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in het [instelling] of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
Dagbesteding
* dat de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
Beheersing middelengebruik
* dat de verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit [urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest]. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
Aflossing schulden
* dat de verdachte meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn/haar financiën en schulden;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
beslag ten aanzien van feit 1 en 3
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 16-339805-24
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de, door de politierechter in deze rechtbank bij vonnis van 21 januari 2025 opgelegde, voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 dagen.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. M.J. Terstegge, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van Wiggen, griffier en is in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.
Bijlage: de tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1hij op of omstreeks 20 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en invereniging met anderen, althans alleen,- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten eenvuurwapen, pistoolmitrailleur, van het merk/model Heckler & Koch MP5, kaliber9x19mm, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vurenen/of- munitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten een hoeveelheid(26) scherpe kogelpatronen,voorhanden heeft gehad;
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij in of omstreeks 20 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en invereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van hetmisdrijf van opzettelijk en met voorbedachten rade een of meer personen van hetleven beroven, te weten moord, opzettelijk,- een of meerdere (automatische) (vuur)wapens (geschikt om te dreigen en/of teverwonden) kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworvenen/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/ofvoorhanden heeft gehad en/of- met elkaar overleg hebben gevoerd over de werking van voornoemd wapen doorde woorden toe te voegen: 'Deze maakt rondjes die rode. Deze maakt rondjes in jelichaam. Deze gaat erin en spuit', althans woorden van gelijke aard of strekkingen/of daarbij naar de patroonhouder te wijzen en/of naar het lichaam te wijzen.
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 289 Wetboek van Strafrecht, art 46 lid 1Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:
hij op of omstreeks 20 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en invereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van hetplegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstrafvan acht jaren of meer is gesteld, te weten diefstal met geweld (artikel 312 Wetboekvan Strafrecht) en/of afpersing invereniging (artikelen 317 jo 47 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk, voorwerpen, teweten- een of meerdere (automatische) (vuur)wapens (geschikt om te dreigen en/of teverwonden)bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad;
( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 312 lid 2ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht, art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )
3hij op of omstreeks 20 mei 2025 te Utrecht, althans in Nederland, tezamen en invereniging met anderen, althans alleen,- een wapen van categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten eenvuurwapen, pistool, van het merk Glock, model 23, kaliber .40, zijnde eenvuurwapen geschikt/bestemd om volautomatisch te vurenen/of- munitie van categorie III van de wet wapens en munitie, te weten een hoeveelheid(6) scherpe kogelpatronen,voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen
( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie, art 27 lid 1 Wet wapens en munitie, art 47 lid 1ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht )