ECLI:NL:RBMNE:2026:955

ECLI:NL:RBMNE:2026:955

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 12-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer C/16/606429 / KL ZA 26-29
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Kort geding. Merkinbreuk en oneerlijke concurrentie wegens gebruik EAN-codes op bol.com. Afwijzing vorderingen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Lelystad

Zaaknummer: C/16/606429 / KL ZA 26-29

Vonnis in kort geding van 12 maart 2026

in de zaak van

[eisende partij] , HODN [eenmanszaak] EN [handelsnaam 1],

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaat: mr. I. van Beers en mr. M. Samuels,

tegen

[gedaagde partij] HODN [handelsnaam 2],

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

advocaat: mr. S.T.L.A. Mulders.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt- de pleitnota van [eisende partij]- de pleitnota van [gedaagde partij] .

2. De kern van de zaak

[eisende partij] verkoopt via zijn eenmanszaak [eenmanszaak] en [handelsnaam 1] blikjes saffraan via bol.com. Dat doet hij al sinds eind 2019. Voor de verkoop van de blikjes saffraan heeft [eisende partij] per gewichtsklasse een merkloze EAN-code aangemaakt op naam van [handelsnaam 1] . EAN-codes zijn unieke productcodes die worden gekoppeld aan productinformatie zoals productfoto’s, -specificaties, en eventuele merkinformatie. Ook heeft [eisende partij] het benelux-woordmerk ‘Saman Saffraan’ op 11 oktober 2025 gedeponeerd, en dit woordmerk is op 23 december 2025 ingeschreven.

Ook [gedaagde partij] verkoopt sinds september 2025 blikjes saffraan via bol.com. Voor de verkoop van zijn producten heeft [gedaagde partij] enige tijd gebruik gemaakt van de EAN-codes van [eisende partij] .

[eisende partij] vindt dat [gedaagde partij] zich schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken, inbreuk maakt op het merk van [eisende partij] en ook anderszins onrechtmatig heeft gehandeld door gebruik te maken van zijn EAN-codes. Hij vordert daarom onder meer in dit kort geding om [gedaagde partij] te veroordelen de verkoop en ieder onrechtmatig handelen te staken, inzicht te geven in onder meer voorgaande en bestaande aankooporders, verkooptransacties en de huidige voorraad, en [gedaagde partij] te veroordelen tot winstafdracht of schadevergoeding onder verwijzing naar een schadestaatprocedure.

Hoezeer de voorzieningenrechter een inhoudelijk oordeel had willen geven over wat partijen verdeeld houdt en de aannemelijkheid van de toewijzing van de vorderingen in een bodemprocedure had willen bespreken (tweede vraag bij de beoordeling van een vordering in kort geding), komt de voorzieningenrechter niet toe aan een dergelijk oordeel. Voor de toewijzing van iedere vordering in een kort geding is namelijk een spoedeisend belang nodig bij een ordemaatregel (eerste vraag bij de beoordeling van een vordering in kort geding) en dat heeft [eisende partij] niet. Hierdoor worden de vorderingen afgewezen.

3. De beoordeling

In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een zogeheten spoed- of ordemaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een ‘bodemprocedure’. Een kortgedingprocedure loopt dus op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter in kort geding probeert in te schatten of het al dan niet aannemelijk is dat een bodemrechter de vordering zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waarbij een spoedeisend belang bij de vorderingen aanwezig moet zijn. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.

[eisende partij] heeft geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eisende partij] geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen, waardoor deze moeten worden afgewezen. Hiertoe is het volgende doorslaggevend.

Tussen partijen staat vast dat [eisende partij] op 5 december 2025 een sommatiebrief heeft gestuurd aan [gedaagde partij] , waarin uiteen wordt gezet dat [gedaagde partij] onrechtmatig handelt en dat [gedaagde partij] zijn inbreukmakende gedrag moet staken en ook gestaakt moet houden. Hierop heeft [gedaagde partij] (zonder deskundige rechtsbijstand) op 5 december 2025 gereageerd door kortweg te antwoorden dat hij niet onrechtmatig handelt en dat hij juist in overeenstemming met het gebruik op bol.com zijn handel drijft. Hierna is ook tussen partijen – in dezelfde lijnen – gecorrespondeerd op 12 en 15 december 2025, maar dit resulteerde er niet in dat [gedaagde partij] de verkoop van zijn producten via bol.com en met gebruikmaking van de EAN-codes van [handelsnaam 1] heeft gestaakt.

Dit is anders vanaf februari 2026. Uit de stukken die [gedaagde partij] bij conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht is namelijk gebleken dat (in antwoord op een e-mail van 30 januari 2026, productie 11 bij conclusie van antwoord) [gedaagde partij] al op 4 februari 2026 heeft toegezegd zijn aanbod saffraan bij de EAN-codes van [handelsnaam 1] offline te halen. Daarna is op 5 februari 2026 ook toegezegd dat [gedaagde partij] zijn producten offline zou houden.

Ook is het de voorzieningenrechter gebleken dat [gedaagde partij] (na het consulteren van een advocaat) op 17 februari 2026 aan (de gemachtigde van) [eisende partij] heeft bericht dat (i) [gedaagde partij] in de toekomst geen producten meer zal verkopen op de listings (de voorzieningenrechter begrijpt: de EAN-codes) van [handelsnaam 1] , dan wel enige merklistings, (ii) [gedaagde partij] bereid is om een onthoudingsverklaring inclusief boetebeding te ondertekenen en (iii) [gedaagde partij] bij zijn brief inzicht gaf in zijn inkomsten door de verkoop van de saffraan via de EAN-codes van [handelsnaam 1] . Desgevraagd heeft [gedaagde partij] ook op de zitting van 5 maart 2026 ondubbelzinnig aangegeven dat hij zijn producten niet meer via de EAN-codes van [handelsnaam 1] heeft aangeboden én toegezegd dat hij dat ook in de toekomst niet meer zal doen. Zowel bij conclusie van antwoord als op de zitting heeft de advocaat van [gedaagde partij] betwist dat [eisende partij] nog een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.

Tegen deze achtergrond heeft de voorzieningenrechter (de advocaten van) [eisende partij] meermaals uitgenodigd om nader toe te lichten waarom deze kort gedingprocedure is doorgezet. Ook is nadere uitleg gevraagd wat nu het spoedeisend belang van [eisende partij] nog is. Ter zitting is gebleken dat er over de door [gedaagde partij] aangeboden onthoudingsverklaring geen contact is geweest tussen de advocaten na voornoemde brief van 17 februari 2026, waardoor het op dit moment ontbreken van een toereikende onthoudingsverklaring met boeteclausule niet (slechts) [gedaagde partij] kan worden tegengeworpen. Ook is de enkele blote stelling dat er ‘een dreiging van herhaling is door [gedaagde partij] ’ onvoldoende, gelet op het feit dat [gedaagde partij] bij herhaling en ook nog op zitting heeft toegezegd dat hij zich zal onthouden van het aanbieden van zijn producten via de EAN-codes van [handelsnaam 1] .

Ten slotte is er (zo de voorzieningenrechter begrijpt) nog gewezen op een vonnis van de rechtbank Den Haag, waarin is geoordeeld dat een onthoudingsverklaring in die procedure ontoereikend was om het spoedeisend belang weg te nemen. De voorzieningenrechter vindt echter dat de onderhavige situatie op een aantal belangrijke punten verschilt van de situatie waar de rechtbank Den Haag over oordeelde. In die zaak heeft gedaagde namelijk pas een aantal dagen voor de zitting de onthoudingsverklaring overgelegd, zonder bereidheid over de inhoud nog in gesprek te gaan. In dit geval is onmiskenbaar de bereidheid getoond door [gedaagde partij] om deze procedure te voorkomen door niet alleen de toezegging te doen dat hij zijn handel in saffraan onder de EAN-codes van [handelsnaam 1] stil legt, maar is ook de onthouding daarvan in de toekomst aangeboden, als ook een aanbod gedaan om een onthoudingsverklaring met boetebeding te tekenen én heeft hij ook alvast inzage gegeven in zijn verkopen. Dit correspondeert met wat [eisende partij] in dit kort geding onder vorderingen 1, 2 en 3 vraagt van de voorzieningenrechter, dus het ligt dan ook op de weg van [eisende partij] om te duiden waarom hij op dit moment dan nog met spoed een ordemaatregel nodig heeft. Dit heeft [eisende partij] onvoldoende gedaan, waardoor de voorzieningenrechter het spoedeisend belang bij de vorderingen 1 tot en met 3 afwezig acht en daarom deze vorderingen ook afwijst (waardoor ook de gevraagde dwangsommen onder 4 worden afgewezen).

Zoals blijkt uit jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2000:AA5519) dient ook bij waarin een inbreukverbod wordt gevorderd, het spoedeisend belang van de vordering tot schadevergoeding afzonderlijk gemotiveerd dient te worden. Van enig spoedeisend belang bij vordering 5 tot verwijzing naar de schadestaatprocedure is niet gebleken. [eisende partij] heeft niet gesteld of onderbouwd wat zijn financiële belang hierbij op dit moment is. Daar komt bij dat op de zitting is besproken dat de handel in saffraan voor zowel [eisende partij] als [gedaagde partij] een bijverdienste is (naast andere inkomsten uit arbeid). Nu er onvoldoende is gesteld over de spoedeisendheid van enig financieel belang bij verwijzing naar de schadestaatprocedure – hetgeen sowieso terughoudend moet worden toegepast – zal de voorzieningenrechter ook deze vordering afwijzen.

De conclusie is dat alle vorderingen van [eisende partij] worden afgewezen vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang.

[eisende partij] moet proceskosten betalen

[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:

- griffierecht

341,00

- salaris advocaat

1.177,00

- nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.707,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van [eisende partij] af,

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2026.

5827

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?