ECLI:NL:RBMNE:2026:962

ECLI:NL:RBMNE:2026:962

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer C/16/587082 / FO RK 25-29
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

gezamenlijk gezag is het uitgangspunt, geen contra indicaties. De ouders hebben nu een gelijkwaardige positie binnen het hulpverleningstraject.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/587082 / FO RK 25-29

Gezag en omgang

Beschikking van 5 maart 2026

in de zaak van:

[vader] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A.G. Ouwejan,

tegen

[moeder] ,

wonende in [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Cortet.

1. De procedure

De rechtbank heeft op 10 april 2025 de beslissing op de verzoeken uitgesteld omdat de ouders hebben besloten samen ouderschapsbemiddeling te volgen.

De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:

het F9-formulier van de vader van 24 december 2025;

het F9-formulier van de moeder van 7 januari 2026.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 13 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:

de vader met zijn advocaat;

de moeder met haar advocaat;

[A] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

De rechtbank heeft de minderjarige [minderjarige] , de dochter van de ouders, niet gevraagd wat zij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2. Waar de procedure over gaat

De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] . [minderjarige] woont bij de moeder.

De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij alleen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kan nemen.

De rechtbank heeft in de beschikking van 10 april 2025 bepaald dat de moeder de vader één keer per maand schriftelijk zal informeren over de gezondheid van [minderjarige] , hoe het met haar gaat en eventuele bijzonderheden in het leven van [minderjarige] .

De ouders zijn het niet eens over de uitoefening van het gezag en over de omgangsregeling. De vader wil dat er een nog nader te bepalen zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt getroffen. Daarnaast wil de vader dat hij samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] wordt belast. De moeder is het hier niet mee eens.

3. De beoordeling

Zorg- en vakantieregeling

De ouders zijn het voorafgaand aan de zitting eens geworden dat:

[minderjarige] ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de vader verblijft;

[minderjarige] de helft van de schoolvakanties bij de vader verblijft, waarbij de zomervakantie wordt opgebouwd en waarbij geldt dat [minderjarige] in de zomervakantie niet langer dan twee weken aaneengesloten bij de vader verblijft.

De rechtbank heeft deze afspraken vanuit de belangen van [minderjarige] beoordeeld. Volgens de rechtbank is er geen reden om te denken dat de afspraken voor [minderjarige] grote nadelen hebben. Daarom zal zij deze afspraken vastleggen.

Gezag

De rechtbank zal de vader voortaan samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] belasten. Dit betekent dat zij vanaf nu samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] moeten nemen. Het uitgangspunt in de wet is dat ouders samen de belangrijke beslissingen over hun kinderen moeten nemen, ook als zij uit elkaar zijn. De rechtbank ziet hier geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.

De rechtbank vindt de voorbeelden die door de moeder worden gegeven en door de vader worden betwist, niet zodanig dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de moeder alleen het gezag blijft uitoefenen. Daarnaast ziet de rechtbank ook geen risico dat als de ouders samen het gezag hebben [minderjarige] de dupe zal worden van de strijd tussen de ouders. De rechtbank kan zich voorstellen dat de moeder meer behoefte heeft aan een samenwerking met de vader en dat het voor haar voelt alsof de vader geen betrokkenheid toont. Dit kan echter ook een persoonlijke eigenschap van de vader zijn, die losstaat van de betrokkenheid van hem bij [minderjarige] .

Op de zitting is gebleken dat de ouders dingen anders ervaren. De moeder ervaart bijvoorbeeld dat de communicatie niet goed is, terwijl volgens de vader de communicatie wel goed verloopt. De rechtbank maakt zich daar, net als de Raad, zorgen over. De ouders hebben op de zitting hun bereidheid uitgesproken om samen een ouderschapsbemiddelingstraject bij het Opstapje (of een andere organisatie) te volgen. Gezamenlijk gezag leidt tot een gelijkwaardigere positie bij de hulpverlening. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich beiden volledig inzetten voor het ouderschapsbemiddelingstraject. De betrokkenheid van de vader bij gezagsbeslissingen kan in een dergelijk traject ook aan de orde komen.

Tenslotte wenst te rechtbank te benadrukken dat zij het knap vindt dat de ouders al ver zijn gekomen en dat het nu juist redelijk goed gaat. De rechtbank hoopt dat deze stijgende lijn doorzet.

De uitvoerbaarheid bij voorraad

De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.

Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4. De beslissing

De rechtbank:

belast de vader samen met de moeder met het gezag over [minderjarige] ;

stelt de volgende zorgregeling vast:

[minderjarige] verblijft ieder weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 15.00 uur bij de vader;

[minderjarige] verblijft de helft van de schoolvakanties bij de vader, waarbij de zomervakantie wordt opgebouwd en waarbij geldt dat [minderjarige] in de zomervakantie niet langer dan twee weken aaneengesloten bij de vader verblijft;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. D. Riani el Achhab, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.C. van Schip

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand