ECLI:NL:RBMNE:2026:965

ECLI:NL:RBMNE:2026:965

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 16-03-2026
Datum publicatie 13-03-2026
Zaaknummer UTR 24/4078, 24/4087, 24/6170, 24/6171, 24/6172, 24/6175, 24/6176, 24/6178, 24/6179, 24/6180, 24/6181, 24/6182, 24/6183, 24/6184, 24/6185, 24/6186 en 24/6188
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Lelystad

Samenvatting

Wabo. Het college van de gemeente Almere heeft een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘handelen in strijd met een bestemmingsplan’ voor de realisatie van de vestiging van de Hogeschool Windesheim als onderdeel van de geplande campus in het centrum van Almere. Dit omdat het beoogde project niet in overeenstemming is met de toegestane bouwhoogte(n) van het bestemmingsplan. Diverse bewoners van een drietal appartementencomplexen in de buurt van de planlocatie zijn het niet eens met de verleende vergunning. Zij vrezen onder andere wind- en parkeeroverlast en onaanvaardbare verkeerseffecten. Ook zijn zij het niet eens met de locatiekeuze. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de omvang van de afwijking maakt dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het college niet tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Met het college is de rechtbank van oordeel dat met de omgevingsvergunning slechts in beperkte mate wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op de betreffende locatie al een gebouw voor onderwijsvoorzieningen met aanzienlijke bouwhoogten en bouwvolume is toegestaan. De effecten voor het windklimaat zijn beperkt, de vergunning leidt niet tot een onaanvaardbare parkeerdruk en ook het verkeerseffect is niet onaanvaardbaar. Voor wat betreft de genoemde alternatieve locatie is niet onderbouwd dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Het beroep is ongegrond.

Uitspraak

uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen

24/4087

1. [A sub 1]

2. [B sub 2]

3. [C sub 3]

4. [D sub 4]

5. [E sub 5]

6. [F sub 6]

7. [G sub 7]

8. [H sub 8]

9. [I sub 9]

10. [J sub 10]

11. [K sub 11]

12. [L sub 12]

13. [M sub 13]

14. [N sub 14]

15. [O sub 15]

16. [P sub 16]

17. [Q sub 17]

18. [R sub 18]

19. [S sub 19]

20. [T sub 20]

21. [U sub 21]

Allen uit [woonplaats] , gezamenlijk: het collectief

(namens het collectief is gemachtigd: )

24/4078 [eiser 1]

24/6170 [eiser 2]

24/6171 [eiser 3]

24/6172 [eiser 4]

24/6175 [eiser 5]

24/6176 [eiser 6]

24/6178 [eiser 7]

24/6179 [eiser 8]

24/6180 [eiser 9]

24/6181 [eiser 10]

24/6182 [eiser 11]

24/6183 [eiser 12]

24/6184 [eiser 13]

24/6185 [eiser 14]

24/6186 [eiser 15]

24/6188 [eiser 16]

Allen uit [woonplaats] , gezamenlijk: eisers

(namens eisers zijn gemachtigd: [eiser 1] en […] )

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (het college), verweerder

(gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:

Stichting Christelijke Hogeschool Windesheim, uit Zwolle

(gemachtigde: mr. E.E. Grit)

Inleiding

De bewoners verenigd in het collectief en eisers wonen in een drietal appartementencomplexen (gelegen aan de [straat 1] , [straat 2] en [straat 3] ) in de buurt van perceel [nummer] ( [straat 1] , Blok [nummer] Hospitaalgarage, kadastraal perceel [nummer]) van vergunninghouder (het perceel) in [woonplaats] . Op het perceel was tot voor kort een parkeerterrein aanwezig. Op 15 september 2022 is door vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit ‘handelen in strijd met een bestemmingsplan’ voor de realisatie van de vestiging van de Hogeschool Windesheim (het project) als onderdeel (Fase 1A) van de geplande campus in het centrum van Almere. Op 17 juli 2023 heeft het college de gevraagde vergunning verleend. Het collectief en eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

Met de besluiten van 25 april 2024 (de bestreden besluiten) heeft het college besloten de bezwaren ongegrond te verklaren en de omgevingsvergunning met een aanvulling van de motivering in stand te laten.

Het collectief en eisers hebben vervolgens beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.

Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.

De rechtbank heeft de beroepen op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:

Namens het collectief: [A sub 1] , [K sub 11] en [P sub 16] , de gemachtigde van het collectief, vergezeld door mr. M.M. van Bloemendaal.

Namens eisers: [eiser 4] , [eiser 6] en [eiser 9] , de gemachtigden van eisers, en [naam] , deskundige/adviseur gebiedsontwikkeling.

Namens het college: [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 5] .

Namens vergunninghouder: [naam 6] , [naam 7] en [naam 8] , de gemachtigde van vergunninghouder en ir. [naam 9] , deskundige van [ingenieursbureau 1] , expertise wind.

De rechtbank heeft de behandeling van de beroepen gevoegd.

Beoordeling door de rechtbank

2. Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning voor die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.

De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of het college op goede gronden de omgevingsvergunning heeft verleend. Zij betrekt daarbij de beroepsgronden van het collectief en eisers.

De beroepen zijn ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Ontvankelijkheid

3. Voordat de rechtbank de beroepen van het collectief en eisers inhoudelijk kan beoordelen, moet zij eerst ambtshalve beoordelen of de beroepen ontvankelijk zijn. Als het collectief en eisers geen belanghebbenden zijn bij het besluit, kunnen zij geen beroep instellen bij de bestuursrechter. De rechtbank is van oordeel dat het collectief en eisers belanghebbenden zijn bij dit besluit en zal uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.

Het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Dat wordt slechts anders wanneer er geen sprake is van feitelijke gevolgen van enige betekenis. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

Hoewel niet alle woningen van de bewoners in deze procedure (direct) grenzen aan het perceel waar het bouwplan op wordt gerealiseerd, liggen de meeste woningen binnen een straal van 100 meter van het perceel. Daarnaast geldt voor een grote groep bewoners dat zij zicht hebben op de planlocatie. Bovendien is op voorhand niet uitgesloten dat de bewoners ruimtelijke gevolgen van het besluit kunnen ondervinden. Wanneer er twijfel mogelijk is over de vraag of een betrokkene gevolgen van enige betekenis zal ondervinden, moet die betrokkene het voordeel van de twijfel krijgen. Daarom acht de rechtbank (alle bewoners vertegenwoordigd in) het collectief en (alle) eisers ontvankelijk in hun beroep.

Omvang van het geding

4. In bestuursrechtelijke procedures staat het bestreden besluit centraal. Het bestreden besluit vormt de harde buitengrens van de omvang van het geding, dus waar de rechtbank iets van kan of mag vinden. In déze procedure zijn de bestreden besluiten de besluiten op de bezwaren van 25 april 2024, waarin de omgevingsvergunning voor Fase 1A in stand is gelaten.

Het college heeft deze omgevingsvergunning Fase 1A uitsluitend verleend voor de activiteit ‘gebruik in strijd met het bestemmingsplan’. Dit omdat het beoogde project niet in overeenstemming is met de toegestane bouwhoogte(n) van het bestemmingsplan. Vergunninghouder heeft er voor gekozen éérst deze omgevingsvergunning -die dus ziet op een wijziging van de bouwhoogte/het bouwvolume- aan te vragen, alvorens vergunningen aan te vragen voor de activiteit bouwen voor de (verschillende) opvolgende bouwfasen. Als het beoogde bouwproject geheel binnen de kaders van het bestemmingsplan zou zijn gebleven, was het niet nodig geweest om deze omgevingsvergunning aan te vragen. Voor de beoordeling is het dus van belang om onderscheid te maken tussen wat onderhavige vergunning mogelijk maakt en wat op grond van het geldende bestemmingsplan al is toegestaan.

Bestemmingsplan

5. Het perceel heeft op grond van het bestemmingsplan ‘Centrum Almere Stad’ (het bestemmingsplan), de enkelbestemming ‘Centrum - Centrumgebied’ met de aanduidingen ‘maximum bouwhoogte: 20 m’ en ‘wetgevingszone – wijzigingsgebied 4’. De voor de enkelbestemming aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor ‘maatschappelijke voorzieningen’, hieronder valt ook de voorziening ‘onderwijs’. Het bestemmingsplan bepaalt dat de bouwhoogte maximaal 20 meter mag bedragen. In afwijking daarvan mag voor een oppervlakte van 2.300 m2 de bouwhoogte maximaal 35 meter bedragen. Voor een oppervlakte van 900 m2 mag de bouwhoogte maximaal 70 meter bedragen. In het bestemmingsplan zijn geen eisen gesteld aan de exacte locatie waar die toegestane hoogten binnen het bouwvlak mogen worden gerealiseerd. Verder wordt volgens het bestemmingsplan de bouwhoogte van een bouwwerk berekend ‘vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen’. Het peil is in het bestemmingsplan gedefinieerd als ‘de gemiddelde hoogte van de Stadhuispromenade, zijnde 3.50 m -NAP’.

Daarnaast is op het perceel het bestemmingsplan ‘parapluherziening parkeren’ (het paraplubestemmingsplan) van toepassing. Daarin staat dat een vergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt alleen verleend, als wordt aangetoond dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Voor parkeren heeft het college de ‘Nota Parkeernormen 2020’ (parkeerbeleid) vastgesteld.

Omvang van de afwijking en belangenafweging

6. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Dit is de zogenoemde kruimelgevallenregeling.

Het college kan alleen een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan verlenen op grond van de kruimelgevallenregeling, als sprake is van een in de kruimelgevallenregeling genoemd geval en de activiteit waarvoor hij de vergunning verleent niet in strijd is met een goede ruimtelijk ordening. Bij het nemen van de beslissing of hij wel of geen gebruik maakt van de aan hem gegeven bevoegdheid komt aan het college beleidsruimte toe. Daarbij moet het college alle betrokken belangen afwegen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij deze belangenafweging de ruimtelijke effecten die optreden als gevolg van de vergunde afwijking van het bestemmingsplan moeten worden afgewogen tegen de met de afwijking gediende belangen. De ruimtelijke effecten van wat het bestemmingsplan al toestond, kunnen bij die belangenafweging buiten beschouwing blijven, zoals in overweging 4.1 al is aangegeven. Dit betekent dat het college alleen de ruimtelijke gevolgen van de afwijking van de toegestane bouwhoogte hoeft te beoordelen.

Volgens het college valt het project grotendeels binnen het al aanwezige bouwvlak en bouwvolume dat het bestemmingsplan mogelijk maakt. Daar waar het project niet past binnen het bestemmingsplan, ziet het college aanleiding om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a en onder 2° van de Wabo samen met artikel 4, aanhef en onderdeel 1 van bijlage II bij het Bor. Dat is de afwijkingsmogelijkheid voor bijbehorende bouwwerken. Volgens de definitiebepalingen van het Bor is een bijbehorend bouwwerk een ‘uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel een functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak’. Een hoofdgebouw is een ‘gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel […]’.De afwijkingen van het bestemmingsplan heeft het college bestempeld als beperkt en acceptabel. Het college heeft deze afwijkingen in het bestreden besluit, in het verweerschrift en op de zitting met verschillende berekeningswijzen toegelicht.

Tussen partijen is niet in geschil dat in dit geval sprake is van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in de kruimelgevallenregeling. De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de omvang van de afwijking maakt dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en het college niet tot de gemaakte belangenafweging heeft kunnen komen. Met het college is de rechtbank van oordeel dat met de omgevingsvergunning slechts in beperkte mate wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op de betreffende locatie al een gebouw voor onderwijsvoorzieningen met aanzienlijke bouwhoogten en bouwvolume is toegestaan. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het college bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen mag meewegen dat negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich ten aanzien van de overschrijding van de bouwhoogte en bouwvolume in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit een beperkte overschrijding is die nodig is om het project te realiseren en die de belangen van het collectief en eisers niet onevenredig schaadt. De rechtbank betrekt daarbij het gegeven dat het college bij het afwegen van de belangen met betrekking tot de omvang van de afwijking heeft mogen uitgaan van de mogelijkheid dat het bestemmingsplan op elke locatie binnen dit bouwvlak een woontoren met een bouwhoogte van 70 meter met een vloeroppervlakte van 900 m2 toestaat.

Dat het project mogelijk negatieve invloed heeft op de mate van (zon)licht in de woningen bewoners dan wel dat het tot nu toe vrije uitzicht op het water voor sommige bewoners van omliggende bebouwing kan komen te vervallen, is een gevolg dat dus ook -en zelfs in veel sterkere mate- had kunnen optreden bij het bouwen in overeenstemming met het bestemmingsplan. Immers, een groot aantal bewoners van omliggende objecten kon al geconfronteerd worden met een woontoren met een bouwhoogte van 70 meter, met forse negatieve gevolgen voor uitzicht, (zon)licht inval en privacy. Gelet op het voorgaande heeft het college de beoogde afwijking van het bestemmingsplan als een beperkte overschrijding mogen aanmerken, waardoor eisers en het collectief niet onevenredig in hun belangen worden geschaad, en in redelijkheid de omgevingsvergunning kunnen verlenen. Anders dan eisers en het collectief betogen kan in het licht van het voorgaande niet worden gezegd dat er sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Windoverlast

7. Het collectief heeft aangevoerd zich zorgen te maken over het windklimaat als gevolg van het project. Daarom heeft het collectief een second opinion uit laten voeren door [ingenieursbureau 2] op 19 februari 2025 met een aanvullende notitie van 11 november 2025. In deze notities heeft [ingenieursbureau 2] een commentaar geleverd op het onderzoek van [ingenieursbureau 1] . Eisers hebben aangevoerd dat zij het door [ingenieursbureau 1] uitgevoerde windonderzoek niet relevant en niet objectief vinden. Het onderzoek is daardoor onbetrouwbaar en volgens hen uitgevoerd op een model dat extreem afwijkt van wat de gemeenteraad heeft beoogd.

Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan afgaan op het advies van een deskundige, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de partij over het advies heeft aangevoerd.

[ingenieursbureau 1] heeft in de rapportages van 15 augustus 2022 en 21 oktober 2025 de gevolgen voor het windklimaat onderzocht. In die onderzoeken heeft [ingenieursbureau 1] het effect van de afwijking van de bouwmogelijkheden van het bestemmingsplan en deze vergunning op het windklimaat inzichtelijk gemaakt. Omdat de bouwvorm van de maximale mogelijkheden op grond van het bestemmingsplan niet vastligt, is [ingenieursbureau 1] bij zijn berekeningen uitgegaan van het voor de omwonenden meest gunstige referentie-scenario met betrekking tot het windklimaat. Uit de onderzoeken blijkt dat de verschillen tussen de bestemmingsplan-situatie en het geplande project beperkt zijn. De hinderkansen schelen 2 à 3 procentpunt, zowel hoger als lager. Ook op de zitting heeft de deskundige van [ingenieursbureau 1] toegelicht dat het algehele beeld wat betreft het windklimaat hetzelfde blijft.

De rechtbank is van oordeel dat het college zich heeft mogen baseren op het onderzoek van [ingenieursbureau 1] en zich daarom op het standpunt heeft mogen stellen dat de gevolgen van de afwijkingsvergunning ten opzichte van hetgeen al op grond van het bestemmingsplan is toegestaan, niet onaanvaardbaar zijn. Op de zitting heeft het college bovendien nog toegelicht dat met vergunninghouder afspraken zullen worden gemaakt over de aanleg van mitigerende maatregelen, zoals beplanting en bomen. Het betoog slaagt niet.

Parkeeroverlast

8. Het collectief en eisers hebben aangevoerd dat als gevolg van de verleende vergunning er -kort samengevat- onaanvaardbare parkeeroverlast dreigt.

Het college heeft aangevoerd dat toetsing aan de Nota Parkeernormen niet aan de orde is bij de onderhavige vergunning, maar dat deze toetsing aan de orde komt bij de (inmiddels verleende) vergunning voor de activiteit bouwen. Los daarvan stelt het college dat de beperkte afwijking van de bouwhoogte geen onaanvaardbare parkeerdruk oplevert.

Met het college is de rechtbank van oordeel dat de onderhavige vergunning op zich niet leidt tot een toename van parkeerdruk, laat staan een onaanvaardbare parkeerdruk. Immers, voor zover de toename in bouwhoogte en bouwvolume al leidt tot een hogere parkeereis dan dat zou gelden op grond van de huidige bestemmingsplanmogelijkheden, is dat iets dat aan de orde dient te komen bij de beoordeling van de aanvraag voor de activiteit bouwen. Uit artikel 3.1 van het paraplubestemmingsplan volgt namelijk met zoveel woorden dat toetsing aan Nota Parkeernormen plaats dient te vinden bij de beoordeling van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk. Ook in de toelichting bij die bepaling staat expliciet dat de parkeereis wordt gekoppeld aan de omgevingsvergunning voor bouwen. Die omgevingsvergunning ligt niet in deze procedure voor. Het gaat in deze procedure immers alleen om de beoordeling van de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Het betoog slaagt niet.

Verkeerseffecten

9. Het collectief en eisers hebben naar voren gebracht dat er -kort gezegd- onaanvaardbare verkeerseffecten optreden als gevolg van de verleende vergunning.

Het college heeft aangevoerd dat de verkeerseffecten van de verleende vergunning zo gering zijn dat deze niet ruimtelijk onaanvaardbaar zijn. Het college heeft toegelicht dat de verkeersgeneratie van de totale geplande campus 360 motorvoertuigen per etmaal betreft, waarvan dus slechts een beperkt deel een gevolg is van de aangevochten vergunning.

De rechtbank is van oordeel dat uitsluitend ter beoordeling voorligt in hoeverre de verleende vergunning leidt tot een onaanvaardbare verkeerstoename ten opzichte van hetgeen in het bestemmingsplan al was toegestaan. In dat verband wijst de rechtbank erop dat het bestemmingsplan al een groot scala aan activiteiten toelaat in een gebouw met een forse bouwmassa, waarmee het bestemmingsplan dus al een project met een zekere verkeersgeneratie mogelijk maakt. Een verkeersgeneratie van 360 motorvoertuigen per etmaal voor de totale campus, waarvan slechts een beperkt deel is toe te rekenen aan deze vergunning, is zo’n marginale toename ten opzichte van hetgeen al is toegestaan op basis van het bestemmingsplan, dat niet kan worden geoordeeld dat sprake is van ruimtelijk onaanvaardbare (verkeers)effecten. Eisers hebben niet -bijvoorbeeld met behulp van een deskundig tegenadvies- aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is. Het betoog slaagt niet.

Alternatieve locaties

10. Het collectief en eisers hebben aangevoerd dat de locatiekeuze voor het project in strijd is met gemeentelijk beleid. In dat verband wordt gewezen op de Ontwikkelstrategie Almere Centrumgebied van 1 mei 2017, en in het bijzonder het daarin opgenomen ‘Ontwikkelkader Locatie [nummer] (Hospitaalgarage)’ (het Ontwikkelkader). Volgens eisers is de keuze voor deze locatie een ‘politiek ongelukje’ en voldoet een andere locatie -te weten: de “Voetnoot”- veel beter. Ook het collectief verwijst naar de “Voetnoot”. Ook wijzen het collectief en eisers erop dat zij mochten vertrouwen op door het college gewekte verwachtingen dat een eerder plan, met een complex met luxe appartementen op de onderhavige locatie, dat breed gedragen werd, zou worden uitgevoerd in plaats van het huidige bouwplan.

Het college verwijst naar eerdere besluitvorming en wijst op het gegeven dat de gemeenteraad op 8 juli 2021 heeft ingestemd met het ontwikkelen van de beoogde locatie voor een hogeschool. Daarmee is het Ontwikkelkader waar het collectief en eisers op doelen vervallen.

De rechtbank oordeelt als volgt. De vergunning die wordt aangevochten betreft uitsluitend een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan met betrekking tot de bouwhoogte van het beoogde project. Het college moet daarbij beslissen op de aanvraag zoals deze is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent dat als het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden als op voorhand duidelijk is dat met die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. De bewijslast daarvoor ligt bij het collectief en eisers. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat -zoals hiervoor in verschillende onderdelen is overwogen- de onderhavige vergunning een beperkte afwijking van het bestemmingsplan betreft, met beperkte ruimtelijke effecten, en dat het bestemmingsplan ook al een onderwijslocatie mogelijk maakt.

Het collectief en eisers hebben weliswaar een alternatieve locatie benoemd, maar tegenover betwisting van de geschiktheid van die locatie en andere locaties door het college hebben zij -mede in het licht van het voorgaande- niet onderbouwd dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Het betoog slaagt niet.

Overige beroepsgronden

11. Eisers hebben in de beroepschriften en op de zitting zeer uitgebreid aan de orde gesteld dat de omgevingsvergunning vernietigd dient te worden. Eisers hebben hun ongenoegen geuit over een door hen gevoeld gebrek aan participatie en dat het ontbroken heeft aan een adequate communicatie met de gemeente. Zoals hierboven overwogen hebben eisers uitgebreid toegelicht dat een eerder ontwikkelplan (voor luxe appartementen) wel breed gedragen werd en dat zij verrast waren dat ineens een heel ander project op deze locatie ontwikkeld wordt.

Aan eisers kan worden toegegeven dat het bouwproject Windesheim inderdaad afwijkt van hetgeen eerder op deze projectlocatie was gepland en dat een activiteit met een aanzienlijke ruimtelijke impact wordt gepland. Het Ontwikkelkader bevatte immers een heel ander plan (de eerdergenoemde luxe woningen) dan de campus van Windesheim. De rechtbank begrijpt dat deze afwijking van het plan de bewoners rauw op hun dak is gevallen. Echter, de rechtbank moet de besluiten toetsen op grond van de wettelijke vereisten. Daarbij heeft de rechtbank in deze uitspraak in verschillende onderdelen geoordeeld op de beroepsgronden zoals deze behoren tot de omvang van het geding. Alle overige beroepsgronden en andere door eisers genoemde aspecten vallen buiten de omvang van dit geding, hetzij omdat de daarin genoemde punten thuishoren in een andere procedure, bijvoorbeeld de procedure die ziet op een omgevingsvergunning voor bouwen, hetzij omdat de door eisers genoemde punten de politieke besluitvorming betreffen. Dat laatste aspect, hoe zeer ook tegen het zere been van eisers, is een onderdeel dat niet door de rechtbank kan worden beoordeeld. De rechtbank oordeelt immers slechts over het besluit dat nu voorligt.

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het collectief en eisers geen gelijk krijgen. Het collectief en eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, voorzitter, en mr. J.W. Veenendaal en mr. P. Mendelts, leden, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?