ECLI:NL:RBMNE:2026:977

ECLI:NL:RBMNE:2026:977

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 16-03-2026
Zaaknummer C/16/599610 / FO RK 25-1153
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Cumulatie van art. 69 en 71 Rechtsvordering

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

zaaknummer: C/16/599610 / FO RK 25-1153

Beschikking van 13 februari 2026

in de zaak van:

[de vrouw] ,

wonende in [plaats 1] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. H. Zobuoglu,

tegen

[de man] ,

wonende in [plaats 2] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. D.M.A. Bahadori-Al Dulaimi.

1. De procedure

De rechter heeft op 4 september 2025 een verzoekschrift (met bijlagen) ontvangen van de vrouw.

In dat verzoekschrift doet de vrouw een verzoek om een zorgregeling vast te laten stellen door de rechtbank, daar een dwangsom aan te verbinden en een verzoek tot kinderalimentatie.

Daarnaast verzoekt de vrouw:

‘te verklaren voor recht dat de man aan de vrouw verschuldigd is een bedrag wegens overbedeling van € 3.900,00 conform hetgeen partijen zijn overeengekomen in het convenant van april 2024, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 515,00, alsmede met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening’.

De man heeft een verweerschrift en zelfstandige verzoeken (met bijlagen) ingediend, binnengekomen op 31 oktober 2025. De man verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vrouw primair niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen.

Daarnaast verzoekt de man, bij wege van zelfstandige verzoeken:I. te bepalen dat de vrouw de zorgregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan van 21 maart 2024 strikt naleeft;II. te bepalen dat de vrouw, voor iedere keer dat zij in gebreke blijft aan de onder I bedoelde verplichting te voldoen, een dwangsom verbeurt van € 500,- per keer (dan wel per dag(deel) van niet-nakoming) met een maximum van € 25.000,-;III. voor recht te verklaren, althans te bepalen, dat de man het bedrag van € 3.900,- uit hoofde van het tussen partijen gesloten convenant mag voldoen in maandelijkse termijnen van € 100, telkens vóór de laatste dag van de maand;IV. te bepalen dat, zolang de man conform de onder III bedoelde regeling tijdig betaalt, geen wettelijke rente en bijkomende kosten verschuldigd zijn en geen executiemaatregelen worden getroffen.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de man. Zij verzoekt de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en de man te veroordelen in de proceskosten.

2. De beoordeling

Verklaring voor recht

De rechtbank beveelt de vrouw haar verzoekschrift voor wat betreft het verzoek om een verklaring voor recht, te verbeteren met verwijzing naar de kantonrechter, zoals hierna onder het kopje ‘De beslissing’ staat vermeld.

Deze procedure is, voor wat betreft het verzoek om een verklaring voor recht, ten onrechte ingeleid met een verzoekschrift. Dat had een dagvaarding moeten zijn. Op grond van artikel 69 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) beveelt de rechtbank daarom de vrouw haar verzoekschrift te verbeteren. Dat wil zeggen dat de vrouw alsnog een vordering bij dagvaarding moet indienen.

Daarnaast verwijst de rechtbank de zaak, voor zover het betreft het verzoek om een verklaring voor recht, naar een kamer voor kantonzaken op grond van artikel 71 lid 2 Rv. De kantonrechter behandelt en beslist namelijk zaken over vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,-. De vordering van de vrouw om een verklaring voor recht voldoet hieraan.

3. De beslissing

De rechtbank:

beveelt de vrouw haar verzoekschrift te verbeteren;

beveelt dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure, met verwijzing naar de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht;

bepaalt als roldatum woensdag 18 maart om 9.30 uur, met bevel dat deze door de vrouw bij exploot aan de man wordt aangezegd;

wijst erop dat partijen in het vervolg van deze procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;

wijst erop dat een griffierecht is verschuldigd van € 257,-, te voldoen voor 15 april 2026, te weten vier weken na 18 maart.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. L.A. Banga, rechter, in samenwerking met mr. C.A. Lammertink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. L.A. Banga

Griffier

  • mr. C.A. Lammertink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?