RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/598422 / HA ZA 25-428
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.M. Hazewinkel,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd in Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. R.M. Vermaire.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties- de conclusie van antwoord met productie- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 9 januari 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt
- de spreekaantekeningen van [eiseres]
- de spreekaantekeningen van Rabobank.
Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank meegedeeld dat uitspraak zal worden gedaan in deze zaak.
2. De kern van de zaak
Op 21 februari 2008 heeft Coöperatieve Rabobank Delflanden U.A. (hierna: Rabobank Delflanden) een geldlening aan – onder meer - [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) verstrekt. De echtgenoot van [eiseres] , de heer [A] , was toen indirect medebestuurder en medeaandeelhouder van [bedrijf] . Tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit de financieringsovereenkomst heeft [A] diezelfde dag een borgtocht aan Rabobank Delflanden afgegeven voor een bedrag van € 500.000,-. Partijen zijn het erover eens dat voor die borgtocht geen toestemming van [eiseres] nodig was. In geschil is of dat ook geldt voor de borgtocht die [A] op 12 oktober 2011 heeft afgegeven aan de rechtsopvolger van Rabobank Delflanden, Coöperatieve Rabobank Zuid-Holland Midden U.A. (hierna: Rabobank Zuid-Holland). Deze vennootschap is later opgevolgd door Rabobank. De rechtbank oordeelt dat [eiseres] ook voor die tweede borgtocht geen toestemming hoefde te geven en wijst de vorderingen van [eiseres] af.
3. De beoordeling
[eiseres] hoefde geen toestemming te geven voor de borgtocht van 12 oktober 2011
[eiseres] heeft geen toestemming aan [A] gegeven voor het afgeven van de borgtocht van 12 oktober 2011 (hierna: de borgtocht van 2011). Volgens [eiseres] was die toestemming op grond van artikel 1:88 lid 1 sub c BW wel nodig. Zij heeft daarom per brief van 22 januari 2025 vernietiging van de borgtocht van 2011 ingeroepen.
Volgens Rabobank is die buitengerechtelijke vernietiging niet rechtsgeldig. Zij doet in dat verband een beroep op artikel 1:88 lid 5 BW. Uit dat artikel volgt dat geen toestemming van de echtgenoot nodig is als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub c BW als:
de echtgenoot die de borgtocht verstrekt bestuurder is van een BV of NV en daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid van de aandelen houdt en
de rechtshandeling waarvoor de borgtocht wordt verstrekt behoort tot de normale uitoefening van het bedrijf van de vennootschap.
[A] was op het moment van de borgtocht van 2011 bestuurder van [bedrijf] en hield samen met zijn twee medebestuurders de aandelen in die BV. Aan het vereiste onder a. is dus voldaan. Dat is ook niet in geschil. Partijen twisten over het vereiste onder b. Naar het oordeel van de rechtbank is ook aan dat vereiste voldaan, gelet op het volgende.
[A] heeft de borgtocht van 2008 verstrekt tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit de financieringsovereenkomst van 21 februari 2008. Op grond van die overeenkomst heeft Rabobank Delflanden € 900.000,- aan [bedrijf] geleend voor de bouw van een clubhuis op Golfbaan [locatie] . [bedrijf] hield zich toen volgens haar statutaire doelstelling bezig met het verkrijgen, bezwaren, beheren, exploiteren en vervreemden van roerende en onroerende zaken. Het aangaan van de financieringsovereenkomst voor de bouw van het clubhuis behoorde dus tot de normale uitoefening van het bedrijf van [bedrijf] .
De borgtocht van 2011 is ook verstrekt tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit de financieringsovereenkomst van 21 februari 2008. Het bedrag van die financiering is niet veranderd. Hetzelfde geldt voor het bedrag van de borgtocht. In zoverre zijn de borgtochten van 2008 en 2011 dus gelijk.
Wat wel is veranderd, is de financiële positie van [bedrijf] . De exploitant van de golfbaan is in februari 2011 failliet verklaard. [bedrijf] stond er daardoor in oktober 2011 financieel slechter voor dan in februari 2008. Dat was volgens [eiseres] reden voor Rabobank Zuid-Holland om in 2011 een nieuwe borgtocht van [A] te verlangen met de volgende aanvullende bepalingen:
de bank is bevoegd – en [A] stemt daar bij voorbaat mee in – om borgtochten, garanties en dergelijke af te geven aan andere rechtspersonen van de Rabobank Groep tot zekerheid voor (toekomstige) vorderingen van zo’n rechtspersoon van de Rabobank Groep op [bedrijf] uit welken hoofde dan ook,
[A] doet bij voorbaat afstand van alle rechten waarin hij door subrogatie zou kunnen treden,
[A] stelt eventuele vorderingen uit hoofde van regres achter op alles wat de bank van [bedrijf] te vorderen heeft of mocht hebben uit welken hoofde dan ook,
de Algemene Voorwaarden voor borgtocht voor bedrijfsfinancieringen 2009 worden van toepassing verklaard (in plaats van de voorwaarden uit 2004).
Het gaat hier volgens [eiseres] om een verzwaring van de verplichtingen van [A] , terwijl er geen extra liquiditeit tegenover stond. Dit maakt dat voor de borgtocht van 2011 wél toestemming vereist was, aldus [eiseres] .
De rechtbank deelt dat standpunt niet. Niet is komen vast te staan dat de verslechterde financiële situatie van [bedrijf] de reden was voor het afgeven van de borgtocht van 2011. Op 1 september 2008 is Rabobank Delflanden gefuseerd met Rabobank Zuid-Holland. In dat kader gingen zowel de aan [bedrijf] verstrekte lening als de daartoe verkregen zekerheden, waaronder de borgtocht van 2008, onder algemene titel over op Rabobank Zuid-Holland. Volgens Rabobank vormde dit voor Rabobank Zuid-Holland de (administratieve) reden om de al in februari 2008 aangegane borgstelling op 12 oktober 2011 opnieuw door [A] te laten ondertekenen. [eiseres] vindt dat ongeloofwaardig, omdat het doorvoeren van een naamswijziging niet nodig was, de fusie al in 2008 plaatsvond en na een volgende fusie in 2013 niet opnieuw een borgtocht is opgesteld op naam van de nieuwe Rabobank entiteit. Maar daarmee onderbouwt zij niet haar stelling dat de borgtocht van 2011 is ingegeven door de verslechterde financiële situatie van [bedrijf] .
De juistheid van die stelling blijkt ook niet uit de omstandigheid dat de holding van [A] haar vordering op [bedrijf] uit hoofde van een geldlening van € 270.000,- bij akte van 23 juni 2010 heeft achtergesteld bij de vorderingen van Rabobank op [bedrijf] en dat op 9 september 2011 een notariële schuldbekentenis van die geldlening is opgemaakt. [eiseres] heeft niet weersproken dat hiermee slechts uitvoering is gegeven aan de al in 2008 in de financieringsovereenkomst gemaakte afspraken. Het is dus niet zo dat, zoals [eiseres] stelt, Rabobank in 2010 bezig was om aanvullende en strengere zekerheden te bedingen om zo haar positie als schuldeiser van [bedrijf] te versterken.
Verder is de rechtshandeling waarvoor de borgtocht van 2011 is verstrekt dezelfde als die voor de borgtocht van 2008 (de financieringsovereenkomst van 21 februari 2008) en is ook het bedrag van de borgtocht gelijk gebleven Bij deze stand van zaken valt niet in te zien waarom voor de borgtocht van 2011 – ook als die verzwarende verplichtingen zou bevatten – toestemming van [eiseres] nodig zou zijn.
Overigens is het nog maar de vraag of sprake is van verzwarende verplichtingen. De eerste drie in 3.6 genoemde bepalingen waren ten opzichte van [bedrijf] ook al opgenomen in de financieringsovereenkomst van 21 februari 2008. [A] was bij die overeenkomst geen partij, maar hij was daar als bestuurder van [bedrijf] wel bij betrokken en dus van op de hoogte. Bovendien heeft [eiseres] niet uitgelegd hoe de eerste drie in 3.6 genoemde bepalingen de positie van [A] in privé raken. Voor de vierde bepaling geldt dat ook op de borgtocht van 2008 algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard. [eiseres] heeft niet toegelicht waarin de nieuwe algemene voorwaarden uit 2009 verschillen van die uit 2004 en waarom sprake zou zijn van een verzwaring.
De buitengerechtelijke vernietiging van de borgtocht van 2011 is niet rechtsgeldig
Omdat voor de borgtocht van 2011 geen toestemming van [eiseres] was vereist, is de buitengerechtelijke vernietiging van die borgtocht door [eiseres] niet rechtsgeldig. De vordering om vast te stellen dat de borgtocht van 2011 is vernietigd dan wel deze alsnog te vernietigen, zal dan ook worden afgewezen.
De vaststellingsovereenkomst blijft in stand
In de jaren na 2011 bleef [bedrijf] kampen met financiële problemen. Rabobank heeft daarom een aantal keer de aflossing door [bedrijf] opgeschort. Daarnaast heeft zij meerdere aanvullende financieringen aan [bedrijf] verstrekt, onder meer in mei 2021. Rabobank heeft toen aan [bedrijf] te kennen gegeven dat zij de financieringsrelatie tot uiterlijk 30 juni 2022 zou verlengen en dat de uitstaande hoofdsom van op dat moment ongeveer € 7.600.000,- uiterlijk op die datum moest zijn afgelost. Omdat voorzienbaar was dat dit niet zou lukken, zijn Rabobank en [bedrijf] eind 2021 in gesprek gegaan over een oplossing. Dat heeft ertoe geleid dat Rabobank op 31 december 2021 met (onder meer) [bedrijf] en [A] een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten. Daarin is bepaald dat:
de financieringsovereenkomsten tussen [bedrijf] en Rabobank worden beëindigd per 31 maart 2022 (artikel 2),
[bedrijf] uiterlijk op 31 maart 2022 een bedrag van € 3.650.000,- zal hebben geherfinancierd (artikel 3),
[A] en de andere twee borgen uiterlijk op 31 maart 2022 ieder € 500.000,- aan Rabobank betalen op grond van de door hen afgegeven borgtochten (artikel 4),
na ontvangst van het totaalbedrag van € 5.150.000,- Rabobank finale kwijting verleent aan [bedrijf] en de borgen (artikel 6).
Op 25 maart 2022 heeft [A] € 500.000,- betaald vanaf de gezamenlijke rekening met [eiseres] ter uitvoering van bovengenoemde afspraken. [eiseres] vordert terugbetaling van dit bedrag aan haar en/of [A] . Zij stelt dat vernietiging van de borgtocht van 2011 ook vernietigbaarheid van artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst met zich brengt.
Nu hiervoor is geoordeeld dat het beroep op vernietiging van de borgtocht van 2011 niet opgaat, komt de rechtbank niet toe aan de stellingen van [eiseres] over de partiële vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. Ook de overige vorderingen van [eiseres] zullen daarom worden afgewezen. Wel merkt de rechtbank nog op dat de door [eiseres] gevorderde partiële vernietiging zich niet verdraagt met het karakter van een vaststellingsovereenkomst – de finale beëindiging van onzekerheid of geschil – zodat een andersluidend oordeel over de borgtocht ook met zich kan brengen dat de gehele vaststellingsovereenkomst haar gelding verliest.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Rabobank worden begroot op:
- griffierecht
€
6.861,-
- salaris advocaat
€
7.446,-
(2 punten × € 3.723,-)
- nakosten
€
189,-
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
14.496,-
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 14.496,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,- plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Wachter en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
4204