RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: 11866725 \ LE VERZ 25-56
Beschikking van 9 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster] ,
wonende in [woonplaats] ,
verzoekster, hierna te noemen: [verzoekster] ,
procederend met een toevoeging: nr. 5EK1729,
gemachtigde: mr. J.S. Bauer,
tegen
[verweerster] B.V.,
gevestigd op [vestigingsplaats] ,
verweerster, hierna te noemen: [verweerster] ,
vertegenwoordigt door haar algemeen directeur [A] ,
gemachtigde: mr. H. Mouselli.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties;
- het verweerschrift, met producties;
- de Nederlandse vertaling van producties 1 en 2 bij het verzoekschrift van de zijde van [verzoekster] ;
- de transcriptie van een telefoongesprek in de Poolse taal met de Nederlandse vertaling van dat gesprek van de zijde van [verzoekster] ;
- een e-mail van 11 november 2025 met een bewijsstuk voor de vertaling van het telefoongesprek door [B] van [verzoekster] .
Op 24 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Bauer en A.G. Tol-Pawloska, tolk in de Poolse taal. Namens [verweerster] is verschenen [A] (algemeen directeur), bijgestaan door
mr. Mouselli. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. [verweerster] heeft spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze zijn aan het dossier toegevoegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting met partijen is besproken.
Op de mondelinge behandeling is bepaald dat op 22 december 2025 uitspraak zal worden gedaan. De uitspraak is gevolgd op 9 januari 2026.
2. De kern van de zaak
[verzoekster] is op 30 juni 2025 bij [verweerster] in dienst getreden op basis van een uitzendovereenkomst fase 1-2 voor bepaalde tijd (hierna: de overeenkomst). [verzoekster] heeft in het kader van die overeenkomst werkzaamheden verricht bij een visbedrijf op [vestigingsplaats] voor een bruto uurloon van € 14,30. Voor de duur van de overeenkomst heeft [verzoekster] woonruimte aan de [adres] in [plaats] gekregen. In de loop van vrijdag 4 juli 2025 heeft [verzoekster] zich ziekgemeld. [verweerster] heeft [verzoekster] vervolgens bij brief van 7 juli 2025 bericht dat de arbeidsrelatie inmiddels was geëindigd en dat [verzoekster] de woonruimte in [plaats] moest verlaten. Op 26 juli 2025 is [verzoekster] uit haar woonruimte gezet. [verzoekster] vordert nu onder meer betaling van loon, een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. Ook vordert [verzoekster] dat [verweerster] de uitzendbevestiging en een bruto-netto specificatie van de betalingen verstrekt. Dit alles met oplegging van dwangsommen.
3. De beoordeling
Duur uitzendovereenkomst één week
[verzoekster] meent dat zij recht heeft op loon en vergoedingen. Primair omdat zij met [verweerster] een overeenkomst voor de duur van drie maanden heeft gesloten en [verweerster] de overeenkomst niet tussentijds had mogen opzeggen en subsidiair omdat de overeenkomst volgens [verzoekster] na één week stilzwijgend is verlengd met vier weken. [verweerster] betwist dat zij loon en vergoedingen aan [verzoekster] verschuldigd is, omdat de overeenkomst zou zijn gesloten voor de duur van één week en de overeenkomst na die week van rechtswege tot een einde is gekomen. De kantonrechter volgt [verweerster] grotendeels en legt hierna uit waarom.
In de overeenkomst staat, voor zover hier relevant:
“3. De Uitzendovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van één week en kan na afloop van voornoemde duur stilzwijgend onder dezelfde voorwaarden en voor de duur van vier weken worden verlengd. De Uitzendovereenkomst eindigt van rechtswege, dus zonder dat opzegging nodig is”.
Uit de in het geding gebrachte stukken volgt dat de overeenkomst ook in de Poolse taal aan [verzoekster] is verstrekt. Voor [verzoekster] had dus duidelijk kunnen en moeten zijn dat de overeenkomst bij aanvang werd aangegaan voor de duur van één week. [verzoekster] stelt dat zij de documenten onder tijdsdruk moest tekenen, omdat de medewerker van [verweerster] haast had, en dat zij de documenten die haar werden aangeboden daardoor niet heeft kunnen lezen, maar die stelling heeft [verzoekster] niet onderbouwd. Dat zij de overeenkomst snel en onder druk heeft moeten tekenen blijkt verder nergens uit. De kantonrechter passeert daarom deze stelling van [verzoekster] .
[verzoekster] stelt ook dat [verweerster] haar vooraf een overeenkomst van drie maanden had beloofd en dat zij er daarom van mocht uitgaan dat zij de overeenkomst voor drie maanden afsloot. [verzoekster] heeft ter onderbouwing daarvan verwezen naar een door haar opgenomen telefoongesprek in de Poolse taal. Zij zou dat gesprek hebben gevoerd met een recruiter van [verweerster] . [verzoekster] heeft van dat gesprek een transcriptie en een Nederlandse vertaling ingebracht. Op de zitting heeft zij op haar mobiele telefoon het relevante deel van het telefoongesprek laten horen en door de Poolse tolk in het Nederlands laten vertalen.
Van het beluisterde telefoongesprek is op de zitting het volgende vertaald, voor zover hier relevant:
“X: U kunt komen voor 1 maand, 2 maanden of 3 maanden
[verzoekster] : Wil minstens voor half jaar vertrekken
X: Geen probleem
[verzoekster] : Hoe lang duurt fase A? De eerste overeenkomst is voor welke periode?
X: De eerste overeenkomst is voor 3 maanden en daarna wordt ie verlengd als u zou willen blijven
Dus zoals ik heb gezegd is er hele jaar door werk en zelfs voor twee jaar
Na twee jaar moet u vast contract worden aangeboden of ontslag
[verzoekster] : Dus eerste zijn 3 maanden
X: Ja, eerste overeenkomst is voor 3 maanden en daarna wordt het verlengd voor
3 maanden of half jaar, dat kan ik mij niet herinneren”
Op de mondelinge behandeling is gebleken dat [verzoekster] dit telefoongesprek niet vóórafgaand aan de start van het dienstverband heeft gevoerd, maar pas nadat haar werkzaamheden bij [verweerster] waren geëindigd. Zij zou in dit gesprek dezelfde vragen hebben gesteld als in het gesprek dat zij voor aanvang van de overeenkomst met [verweerster] heeft gevoerd om bevestigd te krijgen dat tegen haar is gezegd dat de overeenkomst drie maanden zou duren. [verweerster] betwist dat in het telefoongesprek een recruiter van [verweerster] is te horen. Volgens [verweerster] sluit zij geen uitzendovereenkomsten voor de duur van drie maanden en wordt het gesprek gevoerd door een vrouw terwijl [verweerster] geen vrouwelijke recruiters in dienst heeft.
Naar het oordeel van de kantonrechter biedt dit telefoongesprek onvoldoende aanwijzingen voor de stelling van [verzoekster] dat [verweerster] haar een overeenkomst voor de duur van drie maanden heeft beloofd. Het telefoongesprek is immers pas gevoerd na het dienstverband van [verzoekster] met [verweerster] . In het telefoongesprek wordt ook niet specifiek gerefereerd aan de overeenkomst die [verzoekster] met [verweerster] heeft gesloten of aan afspraken die [verzoekster] specifiek met [verweerster] over de door haar met [verweerster] gesloten overeenkomst zou hebben gemaakt. Het telefoongesprek biedt daarom onvoldoende aanwijzingen voor de stelling van [verzoekster] dat er een arbeidsovereenkomst voor drie maanden was beloofd en dat die afspraak moet worden nagekomen. De kantonrechter gaat dan ook uit van de schriftelijke arbeidsovereenkomst waarin staat dat partijen in eerste instantie een arbeidsovereenkomst voor de duur van één week overeenkomen. De arbeidsovereenkomst zou dan zijn geëindigd per 7 juli 2025. Vervolgens ligt de vraag voor of het dienstverband na één week stilzwijgend is voortgezet. De kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van een verlenging van de overeenkomst om de hierna volgende reden.
Het kenmerk van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is dat deze van rechtswege eindigt na het verstrijken van de duur waarvoor hij is aangegaan. Dit kan anders zijn als de werkzaamheden na de afgesproken einddatum worden voortgezet. Als hierover geen duidelijke afspraken zijn gemaakt, kan er sprake zijn van stilzwijgende verlenging van de arbeidsovereenkomst. Bij de beoordeling of er sprake is van een stilzwijgende verlenging is van belang of de werknemer ( [verzoekster] ) op grond van gedragingen van de werkgever ( [verweerster] ) heeft mogen aannemen dat de arbeidsovereenkomst na afloop van de tijd waarvoor deze was aangegaan, stilzwijgend wordt voortgezet. Dat die gedragingen er van de zijde van [verweerster] zijn geweest heeft [verzoekster] niet, althans onvoldoende gesteld. [verzoekster] geeft aan dat toen zij zich ziek meldde een werknemer van [verweerster] tegen haar zou hebben gezegd dat ze tevreden waren over het functioneren van [verzoekster] , maar dat die mededeling is gedaan heeft [verweerster] betwist. Bovendien is die mededeling, als al zou komen vast te staan dat die mededeling is gedaan, onvoldoende om aan te merken als een gedraging van [verweerster] op grond waarvan [verzoekster] heeft mogen aannemen dat [verweerster] de overeenkomst wilde verlengen. Andere gedragingen die in die richting zouden kunnen wijzen, heeft [verzoekster] niet naar voren gebracht. Van die gedragingen is verder ook niets gebleken. Uit de brief van 7 juli 2025 van Werkpost aan [verzoekster] , waarin [verweerster] aangeeft dat de overeenkomst inmiddels was geëindigd, en uit de omstandigheid dat [verzoekster] na afloop van de eerste week niet meer stond ingeroosterd voor werk, blijkt juist dat [verweerster] de intentie had om de overeenkomst na één week te laten eindigen. De kantonrechter volgt daarom ook het subsidiaire standpunt van [verzoekster] niet.
[verweerster] moet een week loon aan [verzoekster] betalen
[verweerster] moet voor de duur van één week loon aan [verzoekster] betalen. Partijen zijn het erover eens dat [verzoekster] heeft gewerkt op maandag 30 juni 2025, dinsdag 1 juli 2025, donderdag 3 juli 2025 en vrijdag 4 juli 2025. Op vrijdag 4 juli 2025 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld en is zij om 14.30 uur met toestemming van haar leidinggevende naar huis gegaan. [verweerster] geeft aan dat zij voor de op deze dagen gewerkte uren het loon aan [verzoekster] heeft betaald en dat ook de opgebouwde vakantiedagen en vakantiebijslag zijn uitbetaald. Dat [verweerster] dat heeft gedaan, blijkt uit de overgelegde loonstroken en eindafrekening en is door [verzoekster] ook niet weersproken.
Voor de uren waarvoor geen loon is betaald, beroept [verweerster] zich op het loonuitsluitingsbeding in de overeenkomst. Dit beding houdt in dat [verweerster] over de uren die niet zijn gewerkt geen loon hoeft te betalen. Deze afwijking geldt echter niet als de arbeid niet verricht kan worden vanwege ziekte. Dan moet wel loon doorbetaald worden.
[verzoekster] meent dat zij nog recht heeft op loon, omdat zij ziek was en daardoor op vrijdag 4 juli 2025 na 14.30 uur en zaterdag 5 juli 2025 niet heeft kunnen werken. [verzoekster] heeft haar whatsapp bericht met ziekmelding als productie bij haar verzoekschrift ingebracht. [verweerster] stelt zich eerst op het standpunt dat niet is gebleken dat [verzoekster] daadwerkelijk ziek was en niet kon werken, omdat [verzoekster] geen deskundigenoordeel als bedoeld in artikel 7:629a BW heeft overgelegd en dat wel nodig is wil [verzoekster] aanspraak maken op doorbetaling van loon tijdens ziekte. Een deskundigenoordeel van het UWV is bedoeld voor situaties waarin werkgever en werknemer van mening verschillen over de vraag of een werknemer (passend) werk kan verrichten. [verweerster] heeft niet eerder laten weten dat zij aan de ziekmelding van [verzoekster] twijfelde en heeft ook geen bedrijfsarts ingeschakeld. Het gaat daarnaast om een ziekmelding van 1,5 dag, omdat de overeenkomst daarna van rechtswege is geëindigd. Een deskundigenoordeel kan dan in redelijkheid niet van de werknemer worden verwacht. [verzoekster] heeft met het whatsapp bericht voldoende aangetoond dat zij zich heeft ziek gemeld. Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verzoekster] op vrijdag 4 juli 2025 tot 15.00 uur zou hebben moeten werken en zij een half uur voor het einde van haar dienst na haar ziekmelding naar huis is gegaan. [verweerster] is voor die dag dus nog een half uur loon aan [verzoekster] verschuldigd.
Wat betreft zaterdag 5 juli 2025 stelt [verweerster] zich op het standpunt dat [verzoekster] die dag niet stond ingeroosterd voor werk. Partijen verschillen dus van mening over de vraag of [verzoekster] op 5 juli 2025 zou hebben gewerkt als zij niet ziek was geweest. Op [verzoekster] ligt de bewijslast van haar stelling dat zij die dag zou hebben moeten werken. [verzoekster] heeft dat bewijs aangeboden. De kantonrechter stelt [verzoekster] in de gelegenheid om dat bewijs in te brengen en daarmee aan te tonen dat en hoeveel uur zij op zaterdag 5 juli 2025 zou hebben moeten werken. Het ligt voor de hand dat [verzoekster] dit met schriftelijke stukken, zoals bijvoorbeeld haar rooster kan laten zien. De kantonrechter geeft partijen op dit punt wel in overweging om hier gelet op het geringe financiële belang te proberen er samen uit te komen.
[verzoekster] heeft recht op een transitievergoeding
Omdat de overeenkomst na één week van rechtswege is geëindigd, is de overeenkomst op initiatief van [verweerster] niet voortgezet. Dat betekent dat [verzoekster] op grond van artikel 7:673 BW recht heeft op een transitievergoeding. [verzoekster] geeft niet aan hoe hoog die transitievergoeding zou moeten zijn. De kantonrechter stelt aan de hand van de loonstrook en eindafrekening vast dat [verzoekster] een totaal bruto inkomen van € 499,41 heeft verdiend en berekent de transitievergoeding met dat bruto loon op € 14,00.
Geen dwangsom
[verzoekster] vordert om een dwangsom op te leggen van € 250,00 per dag dat [verweerster] het resterende loon en de transitievergoeding niet betaald. De vordering tot oplegging van die dwangsom zal worden afgewezen, omdat een dwangsom op grond van artikel 611a Rv niet kan worden opgelegd bij een veroordeling tot betaling van een geldsom.
[verzoekster] heeft geen recht op een gefixeerde schadevergoeding
[verzoekster] maakt aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding. Op grond van artikel 7:672 lid 11 BW is de partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt aan de andere partij een vergoeding verschuldigd gelijk aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren. De overeenkomst die [verzoekster] met [verweerster] heeft gesloten is na één week van rechtswege geëindigd. [verweerster] heeft die overeenkomst niet voortijdig opgezegd. Van het niet rechtsgeldig eindigen van de overeenkomst is dus geen sprake. [verzoekster] kan daarom geen aanspraak maken op een gefixeerde schadevergoeding.
[verweerster] moet de uitzendbevestiging verstrekken
[verzoekster] stelt dat zij de uitzendbevestiging van [verweerster] had moeten krijgen, maar [verweerster] die niet heeft verstrekt. [verzoekster] heeft recht op die uitzendbevestiging op grond van artikel 16 van de NBBU CAO. [verweerster] heeft de uitzendbevestiging meegenomen naar de zitting en er geen bezwaar tegen gemaakt om de uitzendbevestiging aan [verzoekster] te verstrekken. De kantonrechter wijst deze vordering daarom toe.
[verzoekster] vordert aan [verweerster] een dwangsom op te leggen. De kantonrechter heeft gelet op de mededeling van [verweerster] ter zitting geen reden om aan te nemen dat [verweerster] de uitzendbevestiging niet aan [verzoekster] zal verstrekken. De kantonrechter wijst deze vordering daarom af.
[verzoekster] heeft geen recht op een billijke vergoeding
[verzoekster] vordert de toekenning van een billijke vergoeding van € 3.000,- omdat het ontslag in strijd met de wettelijke regels zou zijn. Een billijke vergoeding kan alleen worden toegekend als de werkgever van het ontslag een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zoals hiervoor al overwogen is de overeenkomst van rechtswege tot een einde gekomen en heeft [verweerster] de overeenkomst niet voortijdig beëindigd. Haar valt van het eindigen van die overeenkomst op dat moment dan ook geen (ernstig) verwijt te maken.
De kantonrechter begrijpt de stellingen van [verzoekster] zo dat zij ook vindt dat zij recht heeft op een (billijke) vergoeding omdat zij te vroeg en met geweld uit haar woonruimte zou zijn gezet en schade heeft geleden. Zij stelt daartoe dat zij bij brief van 7 juli 2025 een termijn van vier weken heeft gekregen om haar woonruimte te ontruimen, dat zij op 17 juli 2025 het bericht kreeg dat zij de woonruimte per 21 juli 2025 moest verlaten en dat zij vervolgens op 26 juli 2025 met geweld uit haar woonruimte is gezet. Hierdoor is zij enkele weken dakloos geweest en zijn haar spullen beschadigd, aldus [verzoekster] . [verweerster] erkent dat [verzoekster] op 26 juli 2025 uit haar woonruimte is gezet, maar zij betwist dat dat met geweld is gegaan en spullen zijn beschadigd. [verweerster] geeft aan dat [verzoekster] en haar partner voor onrust bij medebewoners hebben gezorgd en de medebewoners zich door [verzoekster] bedreigd voelde. Het was daarom niet wenselijk dat [verzoekster] langer in de woonruimte zou blijven. Ook tijdens de ontruiming zou [verzoekster] zich agressief hebben gedragen.
De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoekster] af. De vergoeding die [verzoekster] wil omdat zij schade zou hebben geleden door de te vroege ontruiming kan in deze procedure niet toegekend worden. De vergoeding van schade is immers een vergoeding die gebaseerd is op onrechtmatige daad die jegens de verhuurder moet worden ingesteld en niet jegens de werkgever. Daarvoor is in deze procedure geen plaats.
De bewijsopdracht aan [verzoekster]
De kantonrechter zal een bewijsopdracht aan [verzoekster] geven, om te bewijzen dat zij voor zaterdag 5 juli 2025 stond ingeroosterd voor werk en welke uren. Slaagt [verzoekster] erin dit bewijs te leveren, dan komt de vordering tot betaling van loon voor de uren die [verzoekster] die zaterdag zou werken voor toewijzing in aanmerking. Slaagt zij hier niet in, dan zal die vordering naar alle waarschijnlijkheid worden afgewezen.
De zaak zal worden verwezen naar de rol van 11 februari 2026, zodat [verzoekster] zich kan uitlaten over de manier waarop zij bewijs wil leveren.
Omdat de vordering van [verzoekster] tot betaling van het loon voor zaterdag 5 juli 2025 wordt aangehouden, worden ook de vorderingen tot betaling van de wettelijke rente en de wettelijke verhoging en de vordering tot het verstrekken van een bruto-netto specificatie over de nog te betalen bedragen aangehouden. De beslissing op alle punten zal pas in het (later nog te wijzen) eindvonnis worden genomen.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
4. De beslissing
De kantonrechter:
draagt [verzoekster] op te bewijzen dat [verweerster] haar voor zaterdag 5 juli 2025 had ingeroosterd voor werk en voor hoeveel uur werk,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 februari 2026, zodat [verzoekster] zich kan uitlaten of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
bepaalt dat, als [verzoekster] geen bewijs wil leveren door het horen van getuigen maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,
bepaalt dat, als [verzoekster] getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden februari 2026 tot en met juni 2026 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
41264