RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 8 augustus 2013 in de zaak tussen
de besloten vennootschap[naam 1] BV, te[woonplaats 1], eiseres
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: ALK 11/1708
(gemachtigde: mr. L.P.W. Mensink),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Castricum, verweerder.
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennoorschap [naam 2] B.V. te[woonplaats 2].
Procesverloop
Bij afzonderlijke besluiten van 17 december 2010 (de gedoogbesluiten) heeft verweerder besloten tot het gedogen van het opgericht houden en het exploiteren van vier strandpaviljoens op het strand van Castricum gedurende het winterseizoen.
Bij besluit van 17 december 2010 (het handhavingsbesluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om handhavend op te treden afgewezen.
Bij besluit van 27 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J. Smit, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden E. Groot-van Eederen en R. van den Haak. Derde-partij is niet verschenen.
Na de zitting heeft verweerder desgevraagd nadere stukken ingezonden waarop de andere partijen hebben gereageerd. Met toestemming van partijen is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven. Het onderzoek is gesloten op 27 mei 2013. De termijn voor het doen van uitspraak is verlengd.
Overwegingen
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard omdat zij bij een inhoudelijke beoordeling van de gedoogbesluiten op zichzelf gezien geen belang meer heeft nu deze ten tijde van het bestreden besluit waren uitgewerkt. De gedoogbesluiten waren immers enkel verleend voor het winterseizoen 2010/2011; van een jaarlijks terugkerende gedoogsituatie was geen sprake. Eiseres heeft voorts niet tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de gedoogbesluiten daadwerkelijk schade heeft geleden.
Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres met haar stelling dat de gedoogbesluiten er in het winterseizoen 2010/2011 toe hebben geleid dat zij een omzetverlies had omdat er geen sprake was van slechts twee maar van zes geopende horecagelegenheden, tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van de gedoogbesluiten schade heeft geleden. Ten aanzien van het handhavingsbesluit is dat niet anders. Nu daarin procesbelang is gelegen, heeft verweerder het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. Om zo mogelijk tot een finale beslechting van het geschil te komen, zal de rechtbank bezien of er reden bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
De rechtbank stelt daartoe allereerst vast dat, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, verweerder bevoegd is om handhavend op te treden nu sprake is van een overtreding. Het jaarrond opgericht houden en gebruiken van de vier strandpaviljoens is immers in strijd met het bestemmingsplan en eveneens met de aan deze vier paviljoens verleende bouwvergunning en/of omgevingsvergunningen voor bouw. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag verweerder afzien van handhaven en in het verlengde daarvan, gedogen, bijvoorbeeld als concreet zicht op legalisatie bestaat.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in dit geval afdoende gemotiveerd dat er op korte termijn een einde zou komen aan de met het bestemmingsplan en de verleende bouwvergunning en/of omgevingsvergunningen voor bouw strijdige situatie. Op het moment dat de gedoogbesluiten werden genomen en het verzoek van eiseres om handhaving werd afgewezen, had de raad van de gemeente Castricum bij besluiten van 18 februari 2010 en 23 september 2010 reeds ingestemd met de jaarrond exploitatie van horecapaviljoens op het strand van Castricum aan Zee. De procedure tot het verlenen van het projectbesluit was, mede gelet op de door [aanvrager] op 4 maart 2010 ingediende aanvraag om bouwvergunning, ook reeds voordien in gang gezet. Verder is in die procedure steeds voortgang geboekt en is het voornemen tot het nemen van het projectbesluit slechts korte tijd na het bestreden besluit uitgebracht. Bij haar oordeel heeft de rechtbank ook betrokken dat de gedoogbesluiten aan een termijn waren gebonden en daarbij slechts op een overzichtelijke en beperkte periode betrekking hadden. Gelet daarop heeft verweerder in redelijkheid de gedoogbesluiten kunnen nemen en om die reden van handhavend optreden kunnen afzien.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Verweerder hoeft derhalve niet opnieuw op het bezwaar te beslissen.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
Beslissing
De rechtbank
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. M. Kraefft enmr. D.M. de Feijter, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 augustus 2013.
griffier voorzitter
w.g. Van der Vlugt w.g. Lauryssen
afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.