RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 24 juli 2013 in de zaak tussen
V&V Projectontwikkeling B.V., te Hillegom, eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/3496
(gemachtigde: mr. A.K. Koornneef),
en
(gemachtigde: mr. K. Winterink).
Procesverloop
Bij besluit van 31 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om schadevergoeding afgewezen.
Bij besluit van 21 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, onder aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2013. Eiseres is vertegenwoordigd door[naam]mededirecteur, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.T.M. de Haan-Bergisch, bijgestaan door de gemachtigde.
Overwegingen
Eiseres heeft op 2 mei 2011 een verzoek om vergoeding van geleden schade ingediend. Volgens eiseres is de schade het gevolg van het besluit van verweerder van 3 januari 2006, waarbij - nadat aanvankelijk een voornemen tot verlening van vrijstelling was uitgesproken - vrijstelling is geweigerd voor het bouwen van twee appartementengebouwen aan de[locatie]. Eiseres heeft daarbij een specificatie gegeven van de geleden schade.
Verweerder heeft zich - in navolging van het advies van zijn verzekeraar van 28 oktober 2011 - bij het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat er geen causaal verband is tussen de schade die eiseres stelt te hebben geleden en het besluit van 3 januari 2006. Aan dat besluit kleven motiveringsgebreken, maar volgens verweerder was het mogelijk geweest om op 3 januari 2006 een voldoende gemotiveerd besluit te nemen met hetzelfde rechtsgevolg. De schadebedragen zijn een gesteld gevolg van het niet doorgaan van het bouwproject en kosten die zijn gemaakt in het kader van de aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning. Laatstgenoemde kosten dienen volgens verweerder hoe dan ook te worden gemaakt, onafhankelijk van het resultaat van de aanvraag. De kostenpost ‘geprognosticeerd resultaat’ is volgens verweerder niet relevant, omdat het niet doorgaan van het project geen gevolg is van het vernietigde besluit.
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat niet relevant is of een rechtmatig besluit had kunnen worden genomen, nu met de vernietiging van het besluit van 3 januari 2006 door de rechtbank vast staat dat sprake is van een onrechtmatig besluit. De weigering van de vrijstelling heeft geleid tot de weigering van de bouwvergunning, zodat het oorzakelijke verband in relatie tot de schade is aangetoond, aldus eiseres.
De vraag die partijen verdeeld houdt, is of er causaliteit bestaat tussen het onrechtmatige besluit en de (gesteld) geleden schade. Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van onder meer 23 maart 2011 (LJN: BP8756) is van schade, geleden ten gevolge van een besluit, slechts sprake indien deze hiermee in een zodanig verband staat dat deze aan het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit moet worden toegerekend. Dat is niet het geval indien ten tijde van het nemen van het rechtens onjuiste besluit een rechtmatig besluit had kunnen worden genomen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad.
De rechtbank stelt vast dat het besluit van 3 januari 2006 bij uitspraak van 19 december 2007 is vernietigd vanwege een motiveringsgebrek. De rechtbank heeft daarbij niet de rechtsgevolgen in stand willen laten, omdat eiseres in dat geval in haar verdediging zou zijn geschaad. De reden hiervoor is dat verweerder eerst ter zitting een uitgebreide aanvullende - niet op schrift gestelde - motivering naar voren heeft gebracht, waarop eiseres niet direct heeft kunnen reageren.
Verweerder heeft in het bestreden besluit en ook in de toelichting ter zitting uiteengezet dat ten tijde van het nemen van het onrechtmatige besluit van 3 januari 2006 ook een rechtmatig besluit had kunnen worden genomen, waarbij de vrijstelling zou zijn geweigerd. Een dergelijk besluit zou eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Zoals blijkt uit het gespreksverslag tussen verweerder en eiseres van 11 januari 2008 stelt verweerder zich op het standpunt dat het bouwplan om meerdere redenen niet in de Integrale Visie Oude Kern en het bestemmingsplan past, onder meer omdat geen sprake is van ‘urban villa’s’ en een kleinschalige ontwikkeling in groen.
De rechtbank is, mede gelet op hetgeen ter zitting is besproken, van oordeel dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het nemen van het onrechtmatige besluit van 3 januari 2006 ook een rechtmatig - voldoende gemotiveerd - besluit had kunnen worden genomen, dat naar aard en omvang eenzelfde schade tot gevolg zou hebben gehad. Het bouwproject betreft de bouw van twee appartementsgebouwen van in totaal tien appartementen. Gelet op de beoogde bouwmassa hiervan, acht de rechtbank het standpunt van verweerder als onder rechtsoverweging 6 verwoord, niet onbegrijpelijk. Daarvan uitgaande, moet het ervoor worden gehouden dat een alsdan genomen besluit tot weigering van vrijstelling niet door de rechtbank zou zijn vernietigd. Dit betekent dat het voor schadevergoeding vereiste oorzakelijk verband tussen het primaire besluit en de door eiseres gestelde schade ontbreekt en haar verzoek op deze grond kon worden afgewezen.
Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter, en mr. M.P. de Valk en mr.drs. L. Beijen, leden, in aanwezigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2013.
griffier voorzitter
afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.