ECLI:NL:RBNHO:2019:10610

ECLI:NL:RBNHO:2019:10610, Rechtbank Noord-Holland, 20-11-2019, AWB - 18 _ 3422

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 20-11-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer AWB - 18 _ 3422
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Alkmaar
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2020:3066
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0020449

Samenvatting

planschade

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen, verweerder

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 18/3422

en

(gemachtigde: J.H. Moraal).

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 2005 eigenaar van het perceel aan de [adres] . Op het perceel geldt met ingang van 30 augustus 2012 het bestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Daarvoor gold het bestemmingsplan “Buitengebied 1989, tweede herziening” (hierna: het oude bestemmingsplan). Op 13 februari 2017 heeft eiser verweerder verzocht om een tegemoetkoming in planschade op grond van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Eiser stelt schade te lijden, bestaande uit waardevermindering van zijn grond, omdat de bouwmogelijkheden op zijn perceel door het nieuwe bestemmingsplan zijn afgenomen.

2. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college van burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Het tweede lid bepaalt dat een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak is als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6.3, aanhef en onder a, van de Wro betrekt het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot de voor tegemoetkoming in aanmerking komende schade bij zijn beslissing op de aanvraag in ieder geval de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak.

Verweerder heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser mr. T.A.P. Langhout (hierna: Langhout) van Langhout & Wiarda bestuursschade- en omgevingsrecht deskundigen, benoemd als onafhankelijk (planschade-)adviseur. In het advies van Langhout van 18 december 2017 wordt geconcludeerd dat de bebouwingsmogelijkheden op eisers perceel onder het nieuwe planologische regime in relevante mate zijn afgenomen. In het advies wordt vastgesteld dat door eiser voorafgaand aan de planologische wijziging geen aanvraag ter verkrijging van een omgevingsvergunning is ingediend. Uit informatie verstrekt door de gemeente volgt dat de op handen zijnde planologische wijziging in ieder geval was te voorzien vanaf 10 maart 2011. Op deze datum werd het voorontwerpbestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” ter inzage gelegd voor inspraak. Er golden op dat moment geen juridische beletselen om de bebouwingsmogelijkheden te benutten. Op 3 november 2011 werd vervolgens het ontwerpbestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” ter inzage gelegd, waarbij de voorbereidingsbescherming met betrekking tot het bouwen in werking is getreden. De periode van bijna 8 maanden tussen 10 maart 2011 en 3 november 2011 kan, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, volgens Langhout in redelijkheid niet te kort worden geacht om een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen. Langhout heeft daarom geconcludeerd dat sprake is van passieve risicoaanvaarding en verweerder geadviseerd de aanvraag van eiser op die grond af te wijzen.

Verweerder heeft het advies van Langhout aan het primaire besluit ten grondslag gelegd en het verzoek om toekenning van een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar, in navolging van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van 15 juni 2018, ongegrond verklaard.

5. Niet in geschil is dat eiser door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren, omdat de bouwmogelijkheden op zijn perceel hierdoor zijn beperkt. In geschil is of verweerder zich onder verwijzing naar het advies van Langhout terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser dit nadeel passief heeft aanvaard.

Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte niet alle schadeoorzaken heeft beoordeeld. Eiser heeft naast de geleden schade als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan ook schade geleden als gevolg van de weigering om eiser een omgevingsvergunning voor het bouwen op zijn perceel te verlenen nadat hij hiertoe een aanvraag had ingediend. Voorts had verweerder ook een schadeoorzaak moeten zien in het oude bestemmingsplan. Eisers perceel valt immers – zonder eiser daarvan in kennis te stellen – niet meer binnen de reikwijdte van het oude bestemmingsplan. Ook daarvan stelt eiser schade te hebben geleden.

Dit betoog faalt. Het verzoek van eiser geeft geen aanleiding voor de beoordeling van andere planologische maatregelen dan het nieuwe bestemmingsplan. Eiser heeft daarin aangegeven dat hij verzoekt om een tegemoetkoming in planschade vanwege het vervallen of beperken van eigen bouwmogelijkheden. Aangezien die bouwmogelijkheden zijn beperkt als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, heeft verweerder terecht alleen het nieuwe bestemmingplan als bedoelde schadeoorzaak gezien. De rechtbank merkt overigens op dat het wegvallen van het oude bestemmingsplan en het afwijzen van de aanvraag om een omgevingsvergunning geen schadeoorzaken zijn als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro.

Eiser betoogt dat geen sprake is van passieve risicoaanvaarding. Daartoe heeft eiser aangevoerd dat de nadelige planologische ontwikkelingen niet voorzienbaar waren. Verweerder heeft een flyer verspreid waarin staat dat: “het voorontwerp bestemmingsplan voor de dorpskernen van Oudesluis, Schagerbrug, Sint Maartensbrug, Sint Maartensvlotbrug en Burger(vlot)brug klaar is”. Deze flyer is misleidend, omdat hierin is opgenomen dat het voorontwerp bestemmingsplan geldt voor de dorpskernen, aldus eiser. Eiser verkeerde daardoor in de veronderstelling dat het nieuwe bestemmingsplan niet op zijn perceel van toepassing was, omdat zijn perceel in het buitengebied was gelegen, zoals blijkt uit het oude bestemmingsplan, en niet in de dorpskern. Uit de flyer blijkt volgens eiser ook niet dat de nieuwe ontwikkelingen een verslechtering van de planologische mogelijkheden inhouden. Integendeel, aangegeven is dat het bestemmingsplan is bedoeld om de bestaande situatie van een eenduidige regeling te voorzien en niet is bedoeld om grootschalige veranderingen mogelijk te maken.

Door verspreiding van de flyer is bij hem het vertrouwen gewekt dat het nieuwe bestemmingsplan niet zou gelden voor het buitengebied van Schagerbrug. Passieve risicoaanvaarding kan eiser derhalve niet worden verweten, aldus eiser.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat van misleiding door de flyer geen sprake is. Uit de flyer bleek voldoende dat het nieuwe bestemmingsplan ook het perceel van eiser betrof. Het perceel is immers gelegen binnen de dorpskern Schagerbrug. Het had op de weg van eiser gelegen om informatie in te winnen naar aanleiding van de publicatie over het voorontwerp en de flyer over het nieuwe bestemmingsplan. Aangezien eiser heeft nagelaten informatie te vergaren over het nieuwe bestemmingsplan heeft hij een bewust risico genomen. Verweerder verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 10 april 2013 (201208017/6/R1) waarin wordt overwogen dat het op de weg lag van [naam 1] V.O.F. om zelf na te gaan of het ontwerpplan voor haar relevant was en mede betrekking had op het industrieterrein in het dorp Schagerbrug. Dat sprake zou zijn van een nadelige situatie bleek uit het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan dat op juiste wijze is bekendgemaakt. Voor eiser was er geen belemmering om kennis te nemen van het nieuwe regime op zijn perceel. Hij had dan ook kunnen weten dat hij beperkt zou worden in zijn bouwmogelijkheden en hij had daarop kunnen handelen. Dat heeft hij niet gedaan. Daardoor is sprake van passieve risicoaanvaarding.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat de flyer een algemene voorlichting betreft over het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan alsmede de mededeling dat er twee informatiebijeenkomsten worden georganiseerd. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1694) kan een dergelijke voorlichting niet worden gezien als een toezegging.

De rechtbank overweegt als volgt. Voor een bevestigend antwoord op de vraag of eiser het risico dat de onder het oude planologische regime bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden van zijn onroerende zaak zouden vervallen passief heeft aanvaard, moet de planologisch nadelige wijziging voorzienbaar zijn geweest en eiser geen concrete pogingen hebben gedaan tot realisering van de bestaande bouw- of gebruiksmogelijkheden. Voor voorzienbaarheid is voldoende dat, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse zou gaan veranderen in een voor hem ongunstige zin. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt. Voor voorzienbaarheid is niet vereist dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft. Een voorontwerpbestemmingsplan is een concreet beleidsvoornemen. Voorts is niet vereist dat het bewustzijn van een nadelige planologische wijziging daadwerkelijk bij eiser aanwezig was. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 april 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AO7467) en 28 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:923).

Niet in geschil is dat het voorontwerpbestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” ter inzage is gelegd vanaf 10 maart 2011 en dat verweerder voorafgaand daaraan flyers heeft verspreid om het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan onder de aandacht te brengen.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de flyer waarin het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan is aangekondigd niet misleidend is. De vermelding in de flyer dat het voorontwerp bestemmingsplan “Dorpen langs de Groote Sloot” voor de dorpskernen van Oudesluis, Schagerbrug, Sint Maartensbrug, Sint Maartensvlotbrug en Burger(vlot)brug klaar is, leidt namelijk niet tot de conclusie dat van misleiding sprake is. In de flyer is ook vermeld dat het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan betrekking heeft op het bestaande dorpsgebied van de genoemde dorpen en dat de rechten en plichten voor de burgers in alle vier de dorpen gelijk worden. Als eiser er al in gevolgd zou kunnen worden dat zijn perceel op dat moment niet binnen de dorpskern van Schagerbrug viel, had eiser uit de flyer dus kunnen opmaken dat het voorontwerp bestemmingsplan niet alleen zag op de dorpskernen van de genoemde dorpen, maar op de dorpen in hun geheel en dus ook op zijn perceel. Het gebruik van het woord ‘dorpskernen’ in de flyer is naar het oordeel van de rechtbank dus niet misleidend. Dat, zoals verweerder ook wel heeft erkend, het gebruik van het woord ‘dorpskernen’ verwarrend kan hebben gewerkt, is onvoldoende voor een andere conclusie. Eisers stelling dat in de flyer geen gewag wordt gemaakt van planologische verslechtering leidt evenmin tot de conclusie dat sprake is van misleiding. Niet gebleken is dat de mededelingen op dit punt in de flyer, die algemeen van aard zijn, onjuist zijn, laat staan misleidend zijn.

Uit de flyer blijkt ook verder niet dat het nieuwe bestemmingsplan niet op het perceel van eiser van toepassing is. Als overwogen, is niet vereist dat het bewustzijn van een nadelige planologische wijziging daadwerkelijk bij eiser aanwezig was. Het lag dus op de weg van eiser om kennis te nemen van het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan. Daarin had eiser kunnen lezen dat de wijziging voor hem een planologische verslechtering inhield. Dat hij dat niet gedaan heeft, komt voor zijn risico. De flyer heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, evenmin het vertrouwen kunnen wekken dat het nieuwe bestemmingsplan niet van toepassing zou zijn op het perceel van eiser, zodat ook het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om terug te komen van de ter zitting genomen beslissing om [naam 2] daarover niet als getuige op te roepen.

De rechtbank stelt verder vast dat niet in geschil is dat eiser voor 3 november 2011 geen concrete pogingen heeft gedaan tot realisering van de tot dat moment bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden. Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van passieve risicoaanvaarding. De beroepsgrond slaagt niet.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries - van den Heuvel, voorzitter, en mr. J.J. Maarleveld, en mr. J. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2019.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. E.B. de Vries - van den Heuvel

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?