RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, locatie Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/993000-18 (P)
Uitspraakdatum: 3 december 2020
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 november 2020 in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres].
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. L.M.J. Backx en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. M. Kuyp, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Feit 1
Primair
hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 1 december 2014 te Bovenkarspel en/of elders in Nederland en/of Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
(telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of (een) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een samenweefsel van verdichtsels, één of meer personen, één of meermalen heeft/hebben bewogen tot de (girale) afgifte van een of meer geldbedragen, in totaal (ongeveer) 749.565,14 EURO (AMB-021 (a) en AMB-031 en DOC-106 en DOC-106 a en b), althans enig(e) geldbedrag(en), in elk geval enig goed, te weten van
[slachtoffer A] (G-001-01) 375,- EURO (DOC-115), althans enig(e) geldbedrag(en), en/of
[slachtoffer B] (G-002-01) 675,- EURO (DOC-118), althans enig(e) geldbedrag(en), en/of
[slachtoffer C] (G-008) 1.725,- EURO (DOC-134), althans enig(e) geldbedrag(en), en/of
[slachtoffer D] (G-010-01) 5.775,- EURO (DOC-137), althans enig(e) geldbedrag(en),
immers heeft/hebben hij en/of een (of meer) mededader(s) (telkens), met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (bedoelde personen) via (onder andere) de website van BEANK en/of de website van ACC-APP en/of de/een nieuwsbrie(f)(ven) van BEANK en/of ACC-APP en/of tussenperso(o)n(en) en/of op een andere wijze, benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan (het project) BEANK en/of ACC-APP en daarbij voorgewend dat er, na betaling van (een bijdrage van) 75,- EURO per polis, voor deelnemers/participanten in BEANK en/of ACC-APP en/of leden van BEANK en/of ACC-APP, één of meer polissen zouden worden gereserveerd en/of aangekocht (die 32.500,- EURO per polis zouden opleveren), en/of
de opbrengst per polis 32.500,- EURO zou zijn, en/of
de opdrachtgever(s)/partner(s) van BEANK en/of ACC-APP een (internationale) bank en/of verzekeringsmaatschappij zou(den) zijn, en/of
het project BEANK en/of ACC-APP (vanaf 5 polissen) geen risico zou kennen, en/of
deelnemers/participanten in BEANK en/of ACC-APP en/of leden van BEANK en/of ACC-APP (bij 5 of meer polissen) (de garantie kregen dat zij) het betaalde geld terugkregen wanneer het concept niet zou slagen en/of het programma niet zou worden uitgevoerd, en/of
de tekst, gepubliceerd op de website van BEANK en/of ACC-APP, juist is, en/of
de inhoud van de nieuwsbrie(f)(ven) van BEANK en/of ACC-APP, gepubliceerd op de website en/of verzonden via e-mail, juist is, en/of
daarbij verzwegen dat BEANK een grote zeepbel was en/of (een) betaald(e)/afgegeven geldbedrag(en) (deels) niet werd(en)/zou(den) worden aangewend voor de reservering en/of aankoop van één of meer polissen, althans voor het doel waarvoor afgegeven,
waardoor bovengenoemd(e) perso(o)n(en) (telkens) werd(en) bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), althans enig(e) geldbedrag(en);
Subsidiair
Hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 1 december 2014 te Bovenkarspel en/of elders in Nederland en/of Duitsland,
(telkens) tezamen en in vereniging met (een) of meer ander(en), althans alleen,
(telkens) opzettelijk, (een) geldbedrag(en), althans een geldbedrag van (in totaal) (ongeveer) 749.565,14 EURO (AMB-021 (a) en AMB-031 en DOC-106 en DOC-106 a en b), althans enig(e) goed(eren) en/of geldbedrag(en), geheel of ten dele toebehorende aan een of meer belegger(s) en/of investeerder(s) en/of deelnemers/participanten in BEANK en/of ACC-APP en/of leden van BEANK en/of ACC-APP, in elk geval aan een ander of anderen dan verdachte en/of zijn mededader(s),
welk(e) geldbedrag(en) en/of goed(eren) verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) telkens uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking en/of van zijn beroep en/of tegen geldelijke vergoeding als houder van (een) ingelegd(e) en/of betaald(e) geldbedrag(en) en/of intermediair en/of administrateur in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), zich (telkens) wederrechtelijk heeft/hebben toegeëigend;
Feit 2
hij (al dan niet h.o.d.n. BEANK en/of ACC-APP), op een of meer tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 maart 2009 tot en met 1 april 2012 te Bovenkarspel en/of elders in Nederland
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) (een) geschrift(en), te weten een groot aantal, althans een of meer nieuwsbrie(f)(ven), waaronder
1. een nieuwsbrief van juli 2009 (DOC-140), en/of
2. een nieuwsbrief van september 2009 (DOC- 142), en/of
3. een nieuwsbrief van december 2010 (DOC-149), en/of
4. een nieuwsbrief van maart 2012 (DOC-168),
elk zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft/hebben opgemaakt en/of doen opmaken en/of laten opmaken en/of heeft/hebben vervalst en/of doen vervalsen en/of laten vervalsen,
(telkens) met het oogmerk om dat/die (samenstel van) geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door (een) ander(en) te doen gebruiken, bestaande die valsheid (telkens) hierin dat valselijk en/of in strijd met de waarheid is vermeld,
1. in de nieuwsbrief van juli 2009 (DOC- 140): "Nu we 100% zeker zijn dat de doelstelling gehaald gaat worden heeft de partner akkoord gegeven voor een 100% geld terug garantie", en/of
2. in de nieuwsbrief van september 2009 (DOC-142): " dat in overleg met onze partners hebben wij besloten om de groei een enorme 'move' te geven. Daarbij geven we een ieder de mogelijkheid om extra polissen te verkrijgen, ook voor de mensen met een kleinere beurs", en/of
3. in de nieuwsbrief van december 2010 (DOC-149): " De partner van BEANK (een middelgrote bank) wil groeien", en/of
4. in de nieuwsbrief van 1 maart 2012 (DOC-168): "Zoals we allemaal weten is de markt op dit moment wat overspannen door de crisis. Onze bank moet daarom ook goed kijken naar het moment van handelen. De doelstellingen van onze partner is om goedkoop geld in te kopen (werkkapitaal) vlak voor de verwachte rentestijging van 2013".
2. Voorvragen
Beroep op nietigheid van de dagvaarding
De raadsman heeft ter terechtzitting nietigheid van de dagvaarding bepleit ten aanzien van de onderdelen "zeepbel" en "althans voor het doel waarvoor afgegeven" van het onder 1 primair ten laste gelegde feit. Hiertoe is aangevoerd dat beide onderdelen onvoldoende feitelijk en onbegrijpelijk zijn. De term zeepbel is een metafoor voor een illusie en daarmee ongeschikt om als element in een tenlastelegging te worden gebezigd; “althans voor het doel waarvoor afgegeven” ontbeert duidelijkheid nu in de tenlastelegging niet is aangegeven welk doel de officier van justitie voor ogen heeft.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende duidelijk waarvan verdachte met betrekking tot de in dit feit omschreven oplichtingshandelingen beschuldigd wordt en is de tenlastelegging, zeker in samenhang met de inhoud van het strafdossier, daarmee voldoende concreet om de verdediging van verdachte voor te bereiden en ter zake verweren te voeren, zoals ook tijdens de behandeling ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank stelt dan ook vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de als feit 1 primair ten laste gelegde gedragingen alsmede tot bewezenverklaring van valsheid in geschrift voor zover het betreft de onder feit 2 in de tenlastelegging opgenomen nieuwsbrief van juli 2009 (DOC-140).
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van valsheid in geschrift ten aanzien van de onder feit 2 in de tenlastelegging opgenomen nieuwsbrieven van september 2009 (DOC-142), december 2010 (DOC-149) en maart 2012 (DOC-168).
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder feit 1 primair ten laste gelegde is daartoe allereerst aangevoerd dat het rendement dat door verdachte in het kader van BEANK/ACC-APP aan deelnemers is voorgehouden evident niet kan kloppen en dat daarom geen sprake is van oplichtingsmiddelen die geëigend zijn iemand te bedriegen. Daarnaast is aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op de oplichting. Het was immers de bedoeling ‘werkende programma’s’ te vinden. Dat dit niet is gelukt moet als een civiele tekortkoming worden aangemerkt. Ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van verduistering nu de door de deelnemers bij wege van administratiekosten betaalde bedragen niet langer aan dezen toebehoorden.
De raadsman heeft eveneens vrijspraak bepleit van het onder feit 2 ten laste gelegde.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 2 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Om tot bewezenverklaring van valsheid in geschrift te komen, moet komen vast te staan dat het desbetreffende geschrift een bewijsbestemming heeft. Dat wil zeggen dat aan het geschrift in het maatschappelijk verkeer betekenis voor het bewijs van enig feit pleegt te worden toegekend. Het enkele gebruik van geschriften om de informatie die daarin wordt gegeven voor waar te laten doorgaan – in dit geval nieuwsbrieven waarin de deelnemers van onjuiste informatie werden voorzien omtrent de voortgang van het project BEANK/ACC-APP – is daarvoor niet voldoende. De nieuwsbrieven moeten veeleer worden beschouwd als informatieve berichten en hebben niet direct een bewijsbestemming als hiervoor bedoeld. Was dit wel het geval, dan zou elk geschrift onder het bereik van artikel 225 Wetboek van Strafrecht (Sr) kunnen vallen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen enkele van de in de tenlastelegging opgenomen nieuwsbrieven is aan te merken als een geschrift bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen.
Bewezenverklaring feit 1 primair
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering
De bekennende verklaring van medeverdachte [medeverdachte]
Ten aanzien van de door de raadsman van verdachte ter discussie gestelde betrouwbaarheid van de (bekennende) verklaring van medeverdachte [medeverdachte] (hierna: medeverdachte) overweegt de rechtbank het volgende.
In de eerste twee verhoren van 22 juli 2014 en 23 juli 2014 heeft medeverdachte aanvankelijk verklaard dat hij samen met een zekere Willem als tussenpersoon het project EURQM heeft opgericht en dat verdachte de man was die zat achter het project BEANK en later, na de naamsverandering, ACC-APP. Aan het eind van het tweede verhoor komt medeverdachte terug op hetgeen hij eerder heeft verklaard over deze Willem waarmee hij zou hebben samengewerkt. Deze persoon zou in het geheel niet bestaan. Medeverdachte geeft aan dat hij na zijn aanhouding erg onthutst was en daarom dit verhaal heeft verzonnen. Medeverdachte geeft vervolgens aan dat hij de waarheid zal vertellen en verklaart – kort gezegd – dat hijzelf en verdachte samen betrokken zijn geweest bij BEANK/ACC-APP en dat hij op het concept van BEANK/ACC-APP heeft voortgeborduurd door zelf het project EURQM op te zetten. Medeverdachte verklaart dat in het project BEANK/ACC-APP een voorstelling van zaken werd gegeven die nooit haalbaar was, dat zij ook nooit de intentie hadden een bank te benaderen en dat hij en verdachte vooraf al wisten dat de deelnemers aan het project nooit het voorgespiegelde rendement zouden krijgen. De rechtbank stelt vast dat medeverdachte in het verdere verloop van de procedure bij deze verklaring is gebleven. Ook ter terechtzitting van 19 november 2020 heeft medeverdachte in zijn eigen zaak aangegeven en desgevraagd herhaald nog steeds achter de in zijn eerdere verklaringen gegeven lezing te staan. Daarmee heeft medeverdachte een consistente en met andere onderzoeksbevindingen corresponderende lezing gegeven van hetgeen door hem en verdachte is ondernomen in het kader van het project BEANK/ACC-APP. De enkele omstandigheid dat medeverdachte in zijn aanvankelijke verklaring zijn verantwoordelijkheid grotendeels heeft willen ontlopen kan daaraan niet afdoen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte] betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt.
Is sprake van oplichting
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, Sr bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik die ander is bewogen tot de afgifte van een goed, het verlenen van een dienst, het beschikbaar stellen van gegevens, het aangaan van een schuld of het tenietdoen van een inschuld.
Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een door de verdachte aangewend oplichtingsmiddel is bewogen tot een van voornoemde handelingen, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In algemene zin kunnen tot die omstandigheden behoren enerzijds de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid het beoogde slachtoffer aanleiding had moeten geven die onjuiste voorstelling van zaken te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen, en anderzijds de persoonlijkheid van het slachtoffer, waarbij onder meer de leeftijd en de verstandelijke vermogens van het slachtoffer een rol kunnen spelen. Bij een samenweefsel van verdichtsels behoren tot die omstandigheden onder meer de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) leugenachtige mededelingen in hun onderlinge samenhang.
De rechtbank stelt aan de hand van de stukken van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
In 2009 zijn verdachte en medeverdachte gestart met het project BEANK/ACC-APP. Bij BEANK/ACC-APP konden particulieren zogenaamde polissen reserveren. Per gereserveerde polis moest een bedrag van € 75 euro worden overgemaakt. Een reeds tot stand gekomen samenwerking tussen BEANK/ACC-APP en een internationale verzekeringsmaatschappij en/of bank, die vanwege vertrouwelijkheid niet bekend kon worden gemaakt, zou ertoe leiden dat na minimaal 15 maanden, of bij het bereiken van de stand van 21.000 gereserveerde polissen, de deelnemers per polis € 32.500 uitgekeerd zouden krijgen. Dit alles zou zonder enig risico zijn. Daarnaast werd aan deelnemers die 5 of meer polissen aanschaften de garantie gegeven dat deze deelnemers het overgemaakte bedrag volledig terug zouden krijgen indien het project om welke reden dan ook niet zou slagen of niet zou worden uitgevoerd.
Op de website van BEANK/ACC-APP was voor potentiële deelnemers informatie te vinden over het project. Maar het werven van nieuwe deelnemers ging vooral via mond op mond reclame. Verdachte heeft verklaard te zijn gestart in beperkte kring en dat hij aan potentiële deelnemers in een presentatie heeft toegelicht waarom deze personen zouden moeten deelnemen aan het project. Deze presentatie is ook te vinden op de website van BEANK/ACC-APP. In de periode daarna heeft het verhaal zich van persoon tot persoon als een lopend vuurtje verspreid, aldus de medeverdachte. Hieraan heeft kennelijk bijgedragen dat aan reeds ingestapte deelnemers een zogenaamde geldelijke bonus in het vooruitzicht werd gesteld voor het aanbrengen van nieuwe deelnemers. Door middel van nieuwsbrieven, opgesteld door verdachte en medeverdachte, werden de deelnemers op de hoogte gehouden over de voortgang van het project.
Anders dan de deelnemers aan het project BEANK/ACC-APP onder meer via de website en de nieuwsbrieven werd voorgehouden, is echter nimmer sprake geweest van een daadwerkelijke samenwerking tussen BEANK/ACC-APP en een internationale verzekeringsmaatschappij en/of bank die tot de voorgehouden uitkering aan de deelnemers had kunnen leiden. Tot op heden heeft dan ook geen van de in de tenlastelegging genoemde deelnemers een uitkering zoals voorgehouden ontvangen en ook de garantie dat bij 5 of meer polissen de deelnemers het overgemaakte geldbedrag terug zouden krijgen indien het project niet zou slagen, is ten aanzien van geen van de in de tenlastelegging genoemde personen nagekomen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de in de tenlastelegging genoemde personen telkens (onder meer) door het door verdachte en medeverdachte in het vooruitzicht gestelde geldbedrag op de wijze zoals hiervoor uiteengezet, zijn bewogen tot deelname aan BEANK/ACC-APP. De rechtbank acht dan ook gebruikmaking van de eerste zes opgenomen oplichtingsmiddelen bewezen.
In het bijzonder heeft de rechtbank bij de beoordeling van het gewicht van de onderscheiden oplichtingsmiddelen het gegeven in aanmerking genomen dat verdachte bij het werven van nieuwe deelnemers vooral gebruik heeft gemaakt van mond op mond reclame. Het project werd de beoogde deelnemers met andere woorden niet voorgehouden door een volstrekt onbekende, die wellicht zou worden gewantrouwd, maar door iemand uit hun (naaste) omgeving. Zonder daarmee als oordeel uit te spreken dat verdachte op deze wijze misbruik heeft gemaakt van een zekere vertrouwensrelatie die bestond tussen hem, dan wel een tussenpersoon, en de slachtoffers, merkt de rechtbank deze handelswijze wel aan als een instrument dat eraan kan hebben bijgedragen dat de slachtoffers zich sneller lieten overhalen.
Mede gelet daarop verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman ten aanzien van de doorzichtigheid van de gebezigde oplichtingsmiddelen. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door een verdachte is gebezigd is bewogen als bedoeld in artikel 326, eerste lid, Sr, is, zoals hiervoor reeds opgemerkt, in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Oplichting is dán niet aan de orde als het slachtoffer – gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder de eigen gedragingen en kennis van zaken – de in een bepaalde gedraging van de verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken had moeten doorzien.
Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de onmogelijkheid van het voorgestelde rendement niet onmiddellijk behoefde te worden doorzien door de slachtoffers. De door verdachte en medeverdachte gepresenteerde financiële constructie was daarvoor te gecompliceerd. Daar komt bij dat door het relatief lage inlegbedrag geen hoge financiële drempel werd opgeworpen om deel te nemen aan het project. Dit, in samenhang bezien met de eerdergenoemde wijze van werving van nieuwe deelnemers, maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het de slachtoffers niet kan worden tegengeworpen dat zij de in de gedragingen van verdachte besloten liggende onjuiste voorstelling van zaken niet hebben doorzien. Met betrekking tot de mond op mond reclame merkt de rechtbank overigens nog op dat niet is vereist dat het oplichtingsmiddel door verdachte rechtstreeks wordt aangewend jegens het slachtoffer. Ook wanneer sprake is van een (niet strafbare) tussenpersoon, kan oplichting geschieden.
De rechtbank acht gebruikmaking door verdachte van de laatste drie ten laste gelegde oplichtingsmiddelen niet bewezen. Het aanwenden van een oplichtingsmiddel waardoor een ander wordt bewogen iets te doen, impliceert naar het oordeel van de rechtbank een concreet en min of meer actief (bedrieglijk) handelen van de oplichter. De wijze waarop deze beweerde oplichtingsmiddelen in de tenlastelegging zijn omschreven, komt de rechtbank echter voor als een vaststelling die voortkomt uit de daadwerkelijke oplichting.
Ten aanzien van het vereiste opzet op de oplichting heeft de verdediging aangevoerd dat door verdachte weliswaar onjuiste mededelingen zijn gedaan maar dat verdachte daarbij niet het oogmerk had op wederrechtelijke bevoordeling omdat hij vanaf de start van BEANK/ACC-APP de intentie heeft gehad een werkend programma op te zetten. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Uit de bewijsmiddelen die betrekking hebben op de analyse van de aan verdachte en medeverdachte gelieerde zakelijke- en privé-bankrekeningen blijkt dat het door de deelnemers van BEANK/ACC-APP ingelegde geld voornamelijk is besteed aan privé-uitgaven van verdachte en medeverdachte. Voor zover al investeringen zijn gedaan ten behoeve van de BEANK/ACC-APP-deelnemers, zijn deze slechts minimaal geweest. Bovendien heeft verdachte daarmee feitelijk anders gehandeld dan de deelnemers op grond van wat hen was voorgehouden mochten verwachten. Verdachte heeft immers het geld opgehaald onder het valse voorwendsel dat de inleg zou leiden tot de verkrijging van polissen waarmee de deelnemers vervolgens geld zouden verdienen. Het rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van dit handelen is dan ook dat verdachte zichzelf ten nadele van de deelnemers heeft bevoordeeld en hierin ligt ook meteen het oogmerk op de wederrechtelijkheid van die bevoordeling besloten. Het bestaan van dit oogmerk bij verdachte wordt daarnaast bevestigd door de bekennende verklaring van medeverdachte.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte telkens door een samenweefsel van verdichtsels bij de slachtoffers een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor deze zijn bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, zoals hierna onder 3.4 is bewezenverklaard.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
Feit 1
primair
hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 1 december 2014 te Bovenkarspel en/of elders in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels, personen heeft bewogen tot de (girale) afgifte van een of meer geldbedragen, te weten van
[slachtoffer A] (G-001-01) 375,- EURO (DOC-115)en
[slachtoffer B] (G-002-01) 675,- EURO (DOC-118)en
[slachtoffer C] (G-008) 1.725,- EURO (DOC-134)en
[slachtoffer D] (G-010-01) 5.775,- EURO (DOC-137),
immers hebben hij en een mededader telkens, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (bedoelde personen) via (onder andere) de website van BEANK en/of de website van ACC-APP en/of nieuwsbrieven van BEANK en/of ACC-APP en/of tussenperso(o)n(en), benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan (het project) BEANK en/of ACC-APP en daarbij voorgewend dat
er, na betaling van (een bijdrage van) 75,- EURO per polis, voor deelnemers in BEANK en/of ACC-APP, één of meer polissen zouden worden gereserveerd en/of aangekocht (die 32.500,- EURO per polis zouden opleveren), en/of
de opbrengst per polis 32.500,- EURO zou zijn, en/of
de partner(s) van BEANK en/of ACC-APP een (internationale) bank en/of verzekeringsmaatschappij zou(den) zijn, en/of
het project BEANK en/of ACC-APP (vanaf 5 polissen) geen risico zou kennen, en/of
deelnemers in BEANK en/of ACC-APP bij 5 of meer polissen de garantie kregen dat zij het betaalde geld terugkregen wanneer het concept niet zou slagen en/of het programma niet zou worden uitgevoerd,
waardoor bovengenoemde personen (telkens) werden bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemde geldbedragen.
Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair
medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.
5. Strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is daarom strafbaar.
6. Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden. Daarbij merkt de officier van justitie op dat de redelijke termijn in de zaak van verdachte niet is overschreden omdat hij nooit in verzekering is gesteld en de inleidende dagvaarding aan verdachte is betekend op 11 januari 2019.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte alsook met overschrijding van de redelijke termijn.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan oplichting van een groot aantal slachtoffers gedurende een periode van enkele jaren. Hij heeft daarbij de slachtoffers een financiële constructie voorgehouden waarbij hij een hoog rendement in het vooruitzicht stelde bij een betrekkelijk laag inlegbedrag. Daarbij werd met een bedrieglijke voorstelling van zaken misbruik gemaakt van het vertrouwen van deze slachtoffers en werden aan hen polissen verkocht waarvan alleen verdachte aanzienlijk heeft geprofiteerd. Door gebruik te maken van een fraaie – van valse informatie voorziene – website om potentiële deelnemers te bewegen tot het betalen van een inlegbedrag, werd op geraffineerde wijze vertrouwen gewekt. Overigens heeft het betrekkelijk lage inlegbedrag er wel voor gezorgd dat de schade bij elk individueel slachtoffer beperkt gebleven is. Illustratief voor dit gegeven is dat geen enkele benadeelde officieel aangifte heeft gedaan van oplichting. Dat neemt niet weg dat in totaliteit sprake is van een aanzienlijk benadelingsbedrag, dat verdachte zich heeft toegeëigend. De rechtbank rekent dat verdachte aan.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 8 oktober 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Ter terechtzitting is nog gebleken dat verdachte zijn leven in de afgelopen zes jaren na het plegen van de feiten op orde heeft. Verdachte werkt fulltime in een functie waarvoor een verklaring omtrent het gedrag (VOG) nodig is. Verdachte heeft in dit verband aangegeven dat het grote consequenties zou hebben als zijn inkomen zou wegvallen, aangezien zijn echtgenote met haar deeltijdbaan niet genoeg verdient om alle rekeningen te kunnen betalen.
Voor de bepaling van de strafsoort en –maat stelt de rechtbank voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De rechtbank overweegt met betrekking tot de aanvang van de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak het volgende. Op 22 juli 2014 is medeverdachte in het kader van dit onderzoek aangehouden en in verzekering gesteld. Verdachte is niet aangehouden en in verzekering gesteld. Wel is hij enkele dagen na de inverzekeringstelling van medeverdachte op 25 juli 2014 als verdachte in dit onderzoek gehoord. Gezien het feit dat beiden verdachte zijn in hetzelfde onderzoek en aan hen (deels) dezelfde feiten zijn ten laste gelegd, is de rechtbank van oordeel dat in de zaak van verdachte de aanvang van de redelijke termijn op 25 juli 2014 dient te worden gesteld, zijnde de dag waarop hij als verdachte is gehoord en is geconfronteerd met de op dat moment beschikbare onderzoeksbevindingen. Deze vaststelling leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn in ernstige mate, te weten met ruim vier jaren is overschreden. Er is in deze zaak geen aanleiding (een gedeelte van) deze overschrijding toe te rekenen aan de verdediging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze overschrijding betekenisvol meeweegt bij de bepaling van de op te leggen straf.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf in dit geval niet (meer) passend is maar dat een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het hierna te noemen aantal uren, moet worden opgelegd. Daarmee wijkt de rechtbank bij haar strafoplegging in aanzienlijke mate af van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.
7. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikel 22c, 22d, 47, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 120 dagen hechtenis.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Hoendervoogt, voorzitter,
mrs. M.J.M. Verpalen en M.D. Gunster, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.C. ten Klooster,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 3 december 2020.
Mr. Gunster is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage
[…]