RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2021 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 20/6011
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
(gemachtigde: mr. S. Eljarroudi).
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (PW) per 5 april 2020 ingetrokken en de aan eiser verstrekte bijstandsuitkering over de periode van 5 april 2020 tot en met 30 april 2020 tot een bedrag van € 742,64 teruggevorderd.
Bij besluit van 29 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2021. Eiser is verschenen, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank geeft eiser gelijk. Verweerder had de bijstandsuitkering van eiser niet per
5 april 2020 mogen intrekken en ook geen € 742,64 van hem mogen terugvorderen.
Overwegingen
Aanleiding
1. Eiser ontvangt sinds oktober 2019 een bijstandsuitkering. Eiser wordt begeleid door de trajectbegeleider nazorg ex-gedetineerde, mevrouw [naam 2] . Op 3 maart 2020 heeft zij aan de klantmanager van eiser bij verweerder meegedeeld dat eiser op 5 maart 2020 naar Marokko zal vertrekken en dat het onduidelijk is wanneer hij terugkomt. Op 14 maart 2020 heeft Marokko het luchtverkeer tussen Marokko en Nederland opgeschort vanwege de coronapandemie. Op 30 april 2020 heeft [naam 2] aan de klantmanager van eiser doorgegeven dat eiser nog niet naar Nederland is teruggekeerd en dat het nog niet duidelijk is wanneer dat wel het geval zal zijn. Op 11 mei 2020 is eiser naar Nederland teruggekeerd. Op 12 mei 2020 heeft verweerder eiser opnieuw een bijstandsuitkering toegekend.
Standpunten van partijen
Verweerder stelt zich in dit beroep op het standpunt dat eiser langer dan de toegestane (buiten)wettelijke termijn in het buitenland heeft verbleven en dat daarom zijn bijstandsuitkering per 5 april 2020 is ingetrokken en over de periode van 5 april 2020 tot en met 30 april 2020 is teruggevorderd. Volgens verweerder heeft eiser verweerder niet op de hoogte gesteld van zijn situatie in Marokko. Hij heeft vanuit Marokko enkel contact gezocht met [naam 2] . Ook heeft eiser geen tickets overgelegd of correspondentie over zijn repatriëring. Verweerder was zo niet in staat om te beoordelen of eiser in een acute noodsituatie verkeerde. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat ervan uitgegaan wordt dat eiser ook tijdens zijn verblijf in Marokko in bijstandsbehoeftige omstandigheden verkeerde.
Eiser stelt dat hij met medeweten van zijn klantmanager naar Marokko is gegaan. Hij had de intentie om binnen vier weken weer naar Nederland terug te keren maar vanwege de coronapandemie was dat niet mogelijk. Eiser is op de eerst mogelijke vlucht, te weten de derde repatriëringsvlucht, naar Nederland teruggekeerd. De twee eerdere vluchten waren bedoeld voor mensen met medische problematiek. Eiser kwam daarvoor niet in aanmerking. Eiser stelt dat verweerder bij zijn besluitvorming onvoldoende rekening heeft gehouden met de individuele omstandigheden van eiser, die eruit bestaan dat er een trajectbegeleiding loopt en dat zijn contacten met verweerder via [naam 2] verliepen.
Juridisch kader
Voor de beoordeling is van belang dat op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder e, van de PW degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand heeft. Verder is van belang dat op grond van artikel 16, eerste lid, van de PW het college aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, gelet op alle omstandigheden, bijstand kan verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
Volgens vaste rechtspraak doen zeer dringende redenen zich voor als sprake is van een acute noodsituatie en de behoeftige omstandigheden waarin betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is.
Waar gaat het om?
4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser langer dan de toegestane vier weken in Marokko heeft verbleven. Daarom had hij op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW in beginsel vier weken na zijn vertrek geen recht op bijstand meer. Het gaat er in deze zaak dus om of er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de PW op grond waarvan verweerder, gelet op alle omstandigheden, per 5 april 2020 toch bijstand had moeten verlenen aan eiser.
Waarom krijgt eiser gelijk?
5. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat als eiser tijdens zijn verblijf in Marokko contact met verweerder had opgenomen over zijn (on)mogelijkheden om naar Nederland terug te keren, dit een dringende reden had opgeleverd als bedoeld in artikel 16, eerste lid Pw. Dit standpunt betekent dat er volgens verweerder sprake was van behoeftige omstandigheden en een acute noodsituatie. Verweerder werpt eiser echter tegen dat hij tijdens zijn verblijf in Marokko geen contact met verweerder heeft opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee onvoldoende rekening gehouden met de individuele omstandigheden van eiser. Daarvoor is onvoldoende dat verweerder de omstandigheden heeft meegewogen dat eiser ten tijde van zijn vakantie dakloos was en geen woning achterliet en ook niet de zorg heeft over (minderjarige) kinderen. Vaststaat immers dat eiser begeleiding ontvangt van verweerder en dat voor hem, in het kader van die begeleiding, een trajectplan geldt. De contacten van eiser met begeleider [naam 2] maken onderdeel uit van die begeleiding. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat [naam 2] de schakel vormt in het contact tussen eiser en verweerder. Vaststaat dat eiser tijdens zijn verblijf in Marokko contact heeft gehad met [naam 2] . [naam 2] heeft informatie over eiser aan de betrokken klantmanager van verweerder gemeld. In die omstandigheden valt niet in te zien dat eiser ook persoonlijk rechtstreeks contact met (de klantmanager) van verweerder had moeten opnemen. Dat in de Rapportage beëindiging uitkering van 6 mei 2020 is vermeld “Alleen contact gehad met mw [naam 2] van het Veiligheidshuis. Belh. Zelf zit nog in Marroko en is telefonisch niet te bereiken” maakt dat niet anders.
Gelet op de stelling van verweerder dat ervan uit wordt gegaan dat er voor eiser sprake was van behoeftige omstandigheden en van een acute noodsituatie, kan de conclusie niet anders luiden dan dat eiser op grond van dringende redenen recht op bijstand had.
Daarom wordt het beroep gegrond verklaard. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en het primaire besluit wordt herroepen. Het recht op uitkering had niet vanaf 5 april 2021 mogen worden gestopt en dus hoeft eiser ook niet het bedrag van € 742,64 terug te betalen. Eiser heeft zo dus nog recht op een nabetaling van zijn bijstandsuitkering over de periode van 1 tot en met 11 mei 2021.
5. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door de gemachtigde levert 4 punten op (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, beide punten met een waarde per punt van € 525,- en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, beide met een waarde per punt van € 748,-), bij een wegingsfactor 1. In totaal wordt € 2.546,- toegekend. Verweerder moet tevens aan eiser het griffierecht van € 48,- vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, rechter, in aanwezigheid van
D.M.M. Luijckx, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.