[eiser] , uit Koog aan de Zaan, eiser
en
De Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, verweerder
(gemachtigde: mr. S.M. de Waard).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 18 augustus 2022 op 6 december 2022 op zitting behandeld, nadat het wrakingsverzoek van eiser was afgewezen. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Inleiding
Eiser heeft verweerder verzocht om handhaving. Hij heeft verzocht onderzoek te doen naar het patronaat van [naam 2] .
De Deken heeft dit handhavingsverzoek afgewezen, omdat er geen overtreding is geconstateerd die bestuursrechtelijk kan worden gehandhaafd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de afwijzing van het handhavingsverzoek onvoldoende is gemotiveerd. Volgens eiser had de Deken zelfstandig onderzoek moeten doen.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser een procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. (Bestuursrechtelijke) handhaving kan een algemeen belang dienen. Hierin ziet de rechtbank nog een voldoende belang gelegen om toch inhoudelijk het beroep te behandelen.
De rechtbank overweegt dat er geen voorschriften bestaan die voorschrijven hoe het Dekenonderzoek eruit moet zien. Vast staat dat in de zaak van eiser meerdere procedures zijn gevoerd, zowel bij de Deken zelf, als bij de Algemene Raad van de Nederlandse orde van advocaten, als bij de Amsterdamse orde van de advocaten. Ter zitting is ook verklaard dat er meerdere tuchtrechtelijke klachten zijn behandeld en procedures zijn afgedaan (tot aan het Gerechtshof). Het feitencomplex rondom het patronaat van [naam 2] is in deze procedures meermaals aan de orde gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de uitkomsten van deze procedures mogen gebruiken voor zijn eigen onderzoek en vaststelling. Het onderzoek van verweerder is daarmee voldoende geweest.
Verweerder heeft vervolgens op basis van de uitkomsten van deze eerdere procedures geen bestuursrechtelijke overtreding geconstateerd. Hierom heeft de Deken afgezien van handhaving. Deze motivering is naar het oordeel van de rechtbank duidelijk en volledig. Van een onvoldoende gemotiveerd besluit is de rechtbank dan ook niet gebleken.
Hierom is het beroep ongegrond. Bij deze beslissing is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
2. Tot slot beslist de rechtbank definitief dat eiser voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht. Het verzoek tot kwijtschelding van het griffierecht wordt daarom toegewezen.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft. Het verzoek tot kwijtschelding van het griffierecht wordt toegewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2022 door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.