ECLI:NL:RBNHO:2022:11101

ECLI:NL:RBNHO:2022:11101, Rechtbank Noord-Holland, 06-12-2022, HAA 22/4365

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 06-12-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer HAA 22/4365
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RVS:2025:24
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002093

Samenvatting

Beroep ongegrond bezwaar terecht niet-ontvankelijk. Het handhavingsverzoek ziet niet op de patroon, maar op de handelswijze rondom de stage door anderen dan door de patroon. De Voda bevat geen bestuursrechtelijke handhaafbare bepalingen die daarover gaan. Deken is tav handhavingsverzoek niet bevoegd om bestuursrechtelijk handhavend op te treden.

Uitspraak

[eiser] , uit Koog aan de Zaan, eiser

en

De Deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M. de Waard).

Zitting

De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 18 augustus 2022 op 6 december 2022 op zitting behandeld, nadat het wrakingsverzoek was afgewezen. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser was niet aanwezig.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de rechtbank hierna onder de beslissing.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Inleiding

Eiser heeft verzocht om handhaving. Gevraagd is onderzoek te doen naar de gang van zaken rondom zijn advocatenstage en het niet afgeven van een stageverklaring.

Dit handhavingsverzoek is door verweerder afgewezen. Verweerder stelt dat het verzoek ziet op het handelen van de mentor [naam] en de Deken en niet op de voormalig patroon van eiser. Hierom valt het handhavingsverzoek niet onder artikel 45g van de Advocatenwet en is er dus geen bestuursrechtelijk handhaving mogelijk. Er is evenmin gebleken van een tuchtrechtelijk overtreding.

Het hiertegen gemaakte bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard, omdat de afwijzing van tuchtrechtelijk handhaven geen besluit is. Er kan dus geen bezwaar (en beroep) tegen worden ingesteld.

Eiser heeft hiertegen in beroep aangevoerd dat de afwijzing van het handhavingsverzoek wel een besluit is in de zin van de Awb, omdat er een rechtsgevolg in het leven wordt geroepen, namelijk dat er niet handhavend wordt opgetreden.

Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser een procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. (Bestuursrechtelijke) handhaving kan een algemeen belang dienen. Hierin ziet de rechtbank nog een voldoende belang gelegen om toch inhoudelijk het beroep te behandelen.

Slechts een deel van de voor advocaten geldende normen is bestuursrechtelijk handhaafbaar. De basis voor bestuursrechtelijke handhaving door de Deken ligt in artikel 45g van de Advocatenwet. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is bestuursrechtelijke handhaving mogelijk bij overtreding van administratieve voorschriften, waarbij de toepassing of uitleg van de beroepsethiek in beginsel niet in het geding is. Op grond van artikel 45g, eerste lid, van de Advocatenwet is bestuursrechtelijke handhaving mogelijk bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens een verordening als bedoeld in de artikelen 9b, zesde lid (patronage en stage), 9c, tweede lid (opleiding van advocaat-stagiaires), en 28, tweede lid, onderdelen a tot en met d (bevordering van de vakbekwaamheid en de kwaliteit van de beroepsuitoefening, verplichte aansluiting bij een klachten- en geschillenregeling, behoorlijke inrichting van de administratie van praktijkvoering en verzekering ter zake van het risico van de beroepsaansprakelijkheid). De in deze artikelen bedoelde verordening is de Verordening van de advocatuur (Voda). Alleen de bepalingen uit de Voda die hun grondslag vinden in één van de in artikel 45g, eerste lid, van de Advocatenwet vermelde bepalingen, zijn bestuursrechtelijk handhaafbaar.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat het handhavingsverzoek niet ziet op de patroon, maar op de handelswijze rondom de stage door anderen dan door de patroon. De Voda bevat geen bestuursrechtelijke handhaafbare bepalingen die daarover gaan en zoals gezegd zijn alleen bepalingen uit de Voda die hun grondslag vinden in één van de in artikel 45g, eerste lid, van de Advocatenwet vermelde bepalingen, bestuursrechtelijk handhaafbaar. De Deken is ten aanzien van dit handhavingsverzoek dus niet bevoegd om bestuursrechtelijk handhavend op te treden.

In de brief van 19 april 2022 staat dat er niet is vastgesteld dat er in strijd met het toepasselijke recht is gehandeld. De rechtbank begrijpt hieruit dat er tuchtrechtelijk geen overtreding is geconstateerd en dat het handhavingsverzoek niet leidt tot tuchtrechtelijke handhaving. Dit soort tuchtrechtelijke beslissingen van de Deken zijn geen besluit en daartegen staat geen bezwaar en/of beroep open. Dit is meermaals overwogen in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het bezwaar van eiser is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank verklaart het beroep daarom ongegrond. Bij deze beslissing is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

2. Tot slot beslist de rechtbank definitief dat eiser voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht. Het verzoek tot kwijtschelding van het griffierecht wordt daarom toegewezen.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft. Het verzoek tot kwijtschelding van het griffierecht wordt toegewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 december 2022 door mr. M.H. Affourtit-Kramer, rechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.

Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.H. Affourtit-Kramer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?