5. De beoordeling van de rechtbank
De ontvankelijkheid van de officieren van justitie
De rechtbank zal eerst het verweer bespreken van de raadsman dat de officieren van justitie niet-ontvankelijk zijn in de ontnemingsvordering.
De officieren van justitie hebben hiertegen aangevoerd dat zij in redelijkheid tot het instellen van een ontnemingsvordering jegens de veroordeelde konden overgaan. Zij hebben dit toegelicht door erop te wijzen dat rekening is gehouden met schaarse financiële opsporingscapaciteit en dat daarom een keuze is gemaakt waarbij is gelet op i) de waarde van in beslag genomen goederen, ii) de kans op succesvol beslag in de toekomst in geval van toewijzing van een ontnemingsvordering, iii) het antwoord op de vraag of uit de bewijsbare feiten voordeel is genoten en inzichtelijk kon worden gemaakt hoe hoog dat voordeel was en iv) de mogelijkheid van het maken van een eenvoudige kasopstelling teneinde een overzichtelijk ontnemingsproces-verbaal aan de rechtbank te kunnen voorleggen. Na weging van die factoren is alleen tegen de veroordeelde en drie medeverdachten in onderzoek Ryeford-Monston een ontnemingsvordering ingesteld.
De rechtbank stelt voorop dat alleen zeer uitzonderlijke omstandigheden kunnen leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in een ontnemingsvordering. Dergelijke omstandigheden doen zich hier niet voor. Nog daargelaten het antwoord op de vraag in hoeverre de onderhavige zaak gelijk is aan de zaken van de medeverdachten, brengt de enkele omstandigheid dat geen ontnemingsvordering aanhangig is gemaakt tegen één of meer medeverdachten in de strafzaak geen schending van het gelijkheidsbeginsel met zich.
De beslissing om alleen tegen de veroordeelde en drie medeverdachten een ontnemingsvordering in te stellen en niet ook één of meer overige medeverdachten, zal ten minste wel moeten voldoen aan de eis van een redelijke en billijke afweging van belangen. Daarbij gaat het er niet om of de rechter die beslissing in alle opzichten redelijk acht, maar of sprake is van aperte onredelijkheid (verbod van willekeur). Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de hiervoor weergegeven toelichting van de officieren van justitie noch anderszins sprake van een apert onredelijke afweging.
Ook al zou, zoals door de raadsman daarnaast is gesteld, de beslissing om tegen die medeverdachten geen ontnemingsvordering in te stellen strijdig zijn met het beleid van het openbaar ministerie (zoals vastgelegd in de Aanwijzing Afpakken 2016) om in dergelijke gevallen wél een vordering in te stellen, leidt dit niet tot een ander oordeel. De veroordeelde kan in dit geval immers niet met recht een beroep op deze Aanwijzing doen. Dat zou wellicht anders kunnen zijn indien hij aan dat beleid het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat in een geval als dat van hem geen ontnemingsvordering zou worden ingesteld. Dat is hier echter niet aan de orde. Van handelen in strijd met het verbod op willekeur is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de officieren van justitie ontvankelijk zijn in hun ontnemingsvordering jegens de veroordeelde.
De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De grondslag van de vordering
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de vordering verwijst, alsmede de ter zitting door de officieren van justitie gegeven toelichting, legt de rechtbank de vordering uit als een vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. Dat betekent dat sprake moet zijn van een veroordeling wegens een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en dat aannemelijk is dat dit misdrijf of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De vordering is gebaseerd op een onderzoek waarbij als onderzoeksperiode is gehanteerd 1 december 2015 tot 4 september 2018.
Bij gelijktijdig gewezen vonnis van deze rechtbank van 20 december 2022 is de veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, waarbij - kort gezegd - is bewezenverklaard dat de veroordeelde zich op 6 juni 2018 heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de invoer van 11.026 gram heroïne.
De bewezenverklaring heeft betrekking op een delict dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
Het voorgaande brengt mee dat een wettelijke grondslag aanwezig is voor de vordering van de officieren van justitie jegens de veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op artikel 36e, derde lid, Sr. De vraag is vervolgens of, en zo ja tot welk bedrag, aannemelijk is dat de veroordeelde uit het strafbare feit waarvoor hij is veroordeeld dan wel uit andere strafbare feiten, gepleegd in de periode van 1 december 2015 tot 4 september 2018, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
De ontnemingsrapportage
Op 21 december 2021 heeft de verbalisant [verbalisant] , algemeen opsporingsambtenaar, opperwachtmeester, werkzaam bij het Bureau Financieel Economische Criminaliteit, Brigade Recherche, Landelijk Tactisch Commando Koninklijke Marechaussee, standplaats Badhoevedorp, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.
Bij de ontnemingsrapportage zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.
De beoordeling
In de ontnemingsrapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel van de veroordeelde berekend aan de hand van een (eenvoudige) kasopstelling. Hierbij wordt enkel gekeken naar contante uitgaven en ontvangsten. Bankopnames worden aangemerkt als een contante ontvangst en bankstortingen als een contante uitgave. Door middel van deze abstracte berekeningsmethode kan worden nagegaan of de veroordeelde meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord. Is dit het geval, dan is er sprake van onbekende contante ontvangsten en wordt het verschil verondersteld wederrechtelijk verkregen voordeel te zijn.
De berekening volgens de ontnemingsrapportage is als volgt:
(Eenvoudige) kasopstelling
€
€
1
Beginsaldo contant geld
€ 363,18
2
Legale ontvangsten inclusief bankopnamen
+/+
Bankopname
€ 16.151,91
3
Eindsaldo 4 september 2018 -/-
€ 20.805,00
Totaal eindsaldo contant geld
€ -4.289,91
Beschikbaar voor het doen van uitgaven
€ -4.289,91
4
Uitgaven
-/-
Bankstortingen
€ 19.855,00
-/-
Aankoop Audi Q7
€ 12.100,00
-/-
Moneygram
€ 2.507,97
-/-
Western Union
€ 4.382,26
Totaal contante uitgaven
€ 38.845,23
Meer uitgaven dan legaal mogelijk
€ 43.135,14
De bespreking van het verweer
De verdediging stelt dat de veroordeelde een contant geldbedrag van € 20.000,- van zijn zus uit Ghana heeft ontvangen, ten bate van haar bedrijf in auto-onderdelen waarvoor de veroordeelde af en toe auto-onderdelen kocht en naar Ghana verzond. Het geldbedrag van € 20.000,- heeft daarom volgens de verdediging een legale herkomst. Deze stelling is naar het oordeel van de rechtbank niet, althans onvoldoende, met relevante stukken onderbouwd. Immers, voor zover uit de overgelegde stukken volgt dat de zus van de veroordeelde geld heeft gewisseld, is niet aannemelijk geworden dat de veroordeelde het aldus verkregen geldbedrag vervolgens van haar heeft ontvangen. Het verweer wordt daarom verworpen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de onderbouwing van de vordering en het onderzoek ter terechtzitting aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit de baten van het in de strafzaak bewezen verklaarde feit dan wel uit andere strafbare feiten. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen.
De rechtbank gaat uit van de eenvoudige kasopstelling zoals in de ontnemingsrapportage is opgenomen, met dien verstande dat de rechtbank op grond van de ontnemingsrapportage en de daarbij horende bijlagen vaststelt dat de veroordeelde over de periode van 13 juni 2016 tot en met 1 februari 2018 een totaal (contant) geldbedrag van € 4.296,26 (te weten € 4.644,26 – € 348,00) heeft verstuurd via Western Union, in plaats van het in de ontnemingsrapportage opgenomen bedrag van € 4.382,26. De rechtbank gaat daarom, op gelijke wijze als de officieren van justitie kennelijk doen bij hun requisitoir, uit van het bedrag van € 4.296,26 bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Nu de veroordeelde geen andere, aannemelijke en onderbouwde verklaring heeft gegeven voor het negatief kasverschil, is de rechtbank van oordeel dat dit slechts kan zijn veroorzaakt door een criminele bron of bronnen van inkomsten. Op basis daarvan stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde in de periode van 1 december 2015 tot 4 september 2018 een bedrag van € 43.049,14 meer heeft uitgegeven dan uit legale bron kan worden verantwoord.
6. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de op te leggen betalingsverplichting
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op een bedrag van € 43.049,14.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel aan de veroordeelde moet worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
De rechtbank zal dan ook een betalingsverplichting van € 43.049,14. aan de veroordeelde opleggen.
7. De toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.
8. De beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 43.049,14
(drieënveertigduizend negenenveertig euro en veertien cent).
Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 43.049,14 ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 860 dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.S. Lamboo, voorzitter,
mr. D.D.M. Hazeu en mr. M.C.J. Lommen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffiers A. Helder en mr. E.C.W. Coesel,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 december 2022.