Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/3506
(gemachtigde: N.J.J. Jonk),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, kantoor Amsterdam, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een verzamelinkomen van € 21.626.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2022 te Haarlem.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .
Overwegingen
Proceskosten
Feiten
Geschil
6. Niet meer in geschil is dat de elektrische fiets aangemerkt kan worden als een ‘ander hulpmiddel’ in de zin van artikel 6.17, eerste lid aanhef en onderdeel d van de Wet IB 2001. In geschil is wel of deze kosten op eiseres drukken en of eiseres zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven en zo ja, tot welke hoogte eiseres de kosten in aftrek kan brengen. Daarnaast is nog in geschil of verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden en of sprake is van schending van het hoorrecht.
Beoordeling van het geschil
7. Partijen zijn het erover eens dat de elektrische fiets kan worden aangemerkt als een ‘ander hulpmiddel’ in de zin van artikel 6.17, eerste lid aanhef en onderdeel d van de Wet IB 2001.
8. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat hij aannemelijk acht dat eiseres het gehele bedrag van de elektrische fiets, namelijk € 8.168,90, heeft betaald. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan.
9. Verweerder heeft gesteld dat het voor rekening en risico van eiseres komt dat zij geen WMO-aanvraag heeft gedaan. Voor zover recht bestaat op een vergoeding uit de WMO, bestaat er volgens verweerder geen recht op aftrek op grond van artikel 8.18, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001. Voor zover geen recht op een vergoeding vanuit de WMO zou bestaan, dan moeten de kosten volgens verweerder worden aangemerkt als een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6.18 van de Wet IB 2001.
10. Naar het oordeel van de rechtbank staat het niet doen van een WMO-aanvraag voor de elektrische fiets er niet aan in de weg dat eiseres een aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten kan claimen (vergelijk Hoge Raad, 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:167). Eiseres heeft het bedrag op de factuur van de elektrische fiets zelf aan de leverancier betaald. De kosten voor de elektrische fiets kunnen niet worden aangemerkt als een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6.18, eerste lid, aanhef en letter d, van de Wet IB 2001 in het kader van de WMO. Eiseres is namelijk geen eigen bijdrage verschuldigd geworden krachtens de WMO, omdat eiseres voor deze elektrische fiets geen financiële tegemoetkoming uit de WMO heeft aangevraagd en/of ontvangen. Dat betekent dat eiseres recht heeft op een aftrek van € 8.168,90. Eiseres, op wie in dit geval de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten voor de verzekering van de fiets voor aftrek in aanmerking komen. De aftrek van deze kosten heeft verweerder dan ook terecht geweigerd.
11. Het belastbaar inkomen uit werk en woning/verzamelinkomen wordt als volgt vastgesteld:
12. Ter zitting heeft eiseres meegedeeld dat de rechtbank geen uitspraak hoeft te doen over de schending van het hoorrecht als zij de kosten van de elektrische fiets wel mag aftrekken. De rechtbank zal dan ook geen uitspraak over het hoorrecht doen. Over het motiveringsbeginsel oordeelt de rechtbank dat de beslissing op bezwaar weliswaar kort maar wel toereikend gemotiveerd is.
12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
14. Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand heeft verweerder gesteld dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank overweegt dat het voor het aannemen van het beroepsmatige karakter voldoende is dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening van de gemachtigde (zie Hoge Raad,
16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770). Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat hij vaker in dergelijke procedures rechtsbijstand verleend. Verweerder heeft dat laatste niet betwist. De rechtbank veroordeelt verweerder dan ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.056 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde per punt van € 269, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en verzamelinkomen van € 10.190 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.056;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.