RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2022 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen, verweerder
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/2607
(gemachtigde: A.G.N. van Wonderen),
en
(gemachtigden: mr. T.C.M. van Hooff en G.I. Remo).
Procesverloop
In het besluit van 16 december 2020 (primair besluit) heeft verweerder eiseres lasten onder dwangsom opgelegd. Eiseres dient binnen tien weken na 16 december 2020:- de toegangspoort aan de zijde van [adres 1] te verwijderen en verwijderd te houden, dan wel te verlagen en verlaagd te houden tot 1 meter onder aanzegging van een dwangsom van € 2.000,- ineens; - de toegangspoort aan de zijde van de [adres 2] te verwijderen en verwijderd te houden dan wel te verlagen en verlaagd te houden tot 1 meter onder aanzegging van een dwangsom van € 2.000,- ineens; - de geplaatste erf- en perceelafscheidingen hoger dan 1 meter voor de voorgevelrooilijn, gerealiseerd tussen nummer [adres 3] en [adres 1] en aan de zijde van de [straatnaam] die doorloopt naar de [adres 2] te verwijderen en verwijderd te houden dan wel te verlagen en verlaagd te houden tot 1 meter onder aanzegging van een dwangsom ineens van € 2.000,-;- de schuine dakkapel op het zijdakvlak boven op de voormalige garage te verwijderen en verwijderd te houden onder aanzegging van een dwangsom ineens van € 14.000,-.
Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 18 februari 2021 het primaire besluit geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
In het besluit van 27 mei 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder op het bezwaar van eiseres beslist. Daarbij heeft verweerder besloten tot intrekking van de lasten onder dwangsom ten aanzien van de dakkapel, de toegangspoort aan de zijde van [adres 1] en de erf- en perceelafscheidingen aan de zijde van de [straatnaam] die doorloopt naar de [adres 2] . Verweerder heeft het primaire besluit voor het overige gehandhaafd en het verzoek van eiseres om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 10 september 2021 dit verzoek afgewezen, omdat verweerder bij brief van 22 juni 2021 heeft toegezegd geen dwangsommen te laten verbeuren totdat op het beroep is beslist.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder en eiseres hebben nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 29 maart 2022 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
In de tussenuitspraak van 10 juni 2022 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Eiseres heeft in reactie op de tussenuitspraak op 16 juli 2022 nadere stukken ingediend.
Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 19 juli 2022 een aanvullende motivering ingediend.
Eiseres heeft hierop op 24 augustus 2022 schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Kan de rechtbank terugkomen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak?
Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
Eiseres wijst in haar reactie van 16 juli 2022 op de uitspraak van 13 juli 2022 van deze rechtbank waarin zij zich ook heeft laten vertegenwoordigen door A.G.N. van Wonderen en de proceskostenvergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is toegekend. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding om terug te komen van het in rechtsoverweging 6.2 van de tussenuitspraak gegeven oordeel. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 1 februari 2017 heeft overwogen is de fase na het toepassen van de bestuurlijke lus, waarin door eiseres een zienswijze naar voren kon worden gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld, niet bedoeld om eerder verworpen betogen met inachtneming van de tussenuitspraak nader te adstrueren, al dan niet onder verwijzing naar nieuwe stukken. Niet kan worden aanvaard dat eiseres aanvullende argumenten die ook voorafgaand aan de tussenuitspraak hadden kunnen worden ingebracht zou kunnen aanvoeren teneinde te bewerkstelligen dat de rechter terugkomt van een als definitief bedoelde verwerping van een beroepsgrond. Een andere opvatting zou op onaanvaardbare wijze afbreuk doen aan de rechtszekerheid van andere partijen in een procedure als deze. Uit de uitspraak van 13 juli 2022 van deze rechtbank blijkt dat eiseres in die procedure stukken heeft overgelegd ter onderbouwing van de werkzaamheden van haar gemachtigde als professioneel rechtsbijstandverlener. Niet valt in te zien dat eiseres de stukken die zij in die procedure heeft ingebracht en die hebben geleid tot het toekennen van de proceskostenvergoeding niet ook in deze procedure had kunnen inbrengen. Die stukken dateren immers van ruimschoots voor de tussenuitspraak. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat hier geen zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld aan de orde is, zodat geen aanleiding bestaat terug te komen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.
Eiseres betoogt in de na de tussenuitspraak ingediende stukken dat handhaving met betrekking tot de toegangspoort aan de [adres 2] onevenredig is. De rechtbank stelt vast dat eiseres hiermee, zij het in andere bewoordingen, heeft herhaald wat zij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Hierover heeft de rechtbank zich al eerder uitgelaten in de tussenuitspraak. Hetzelfde geldt voor de stelling van eiseres in het laatste stuk dat het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] door de buurman op nummer [adres 3] is geplaatst, als zij daarmee beoogt wederom te betwisten dat zij pleger is van de met dat hekwerk gepleegde overtreding. De rechtbank kan, zoals al overwogen, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen niet terugkomen van zo'n in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Van een zeer uitzonderlijk geval is geen sprake. De rechtbank zal dus aan deze standpunten van eiseres voorbijgaan.
De tussenuitspraak
2. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank in rechtsoverweging 5.6 overwogen dat de bestreden besluitvorming ten aanzien van de last die ziet op de erf- en perceelafscheiding tussen [adres 3] en [adres 1] onvoldoende is gemotiveerd. Vooralsnog valt niet in te zien waarom verweerder de last met betrekking tot het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] heeft gehandhaafd. Het betreffende hekwerk is immers, gelet op de overgelegde foto’s, moeilijk zichtbaar vanaf de openbare weg, het groene karakter wordt behouden vanwege de zichtbaarheid van de achterliggende heg en het hekwerk is 29 centimeter lager dan het hekwerk aan de [adres 2] waarop de last zag die verweerder heeft ingetrokken. Verweerder heeft die last ingetrokken, omdat de overschrijding van de toegestane maat in het straatbeeld niet dominant is te achten en handhaving daarvan volgens verweerder daarom onevenredig is. Gelet hierop is de toelichting van verweerder onvoldoende voor het oordeel dat handhavend optreden met betrekking tot het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen. De rechtbank heeft verweerder opgedragen om binnen twee weken na verzending van de tussenuitspraak mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.
De tweewekentermijn
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een nadere motivering van verweerder niet in behandeling te nemen, omdat verweerder niet binnen twee weken na verzending van de tussenuitspraak kenbaar heeft gemaakt of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.
De rechtbank overweegt dat de gestelde termijn van twee weken dient ter invulling van de uit artikel 8:51b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voortvloeiende verplichting om zo spoedig mogelijk mee te delen of gebruik wordt gemaakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Het betreft een termijn van orde waaraan de wetgever bij overschrijding geen consequenties heeft verbonden. Overschrijding van deze termijn betekent dus niet dat verweerder geen gebruik kan maken van de gelegenheid om het gebrek te herstellen binnen de door de rechtbank gestelde termijn van zes weken. Verweerder heeft binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak een nadere motivering overgelegd. De rechtbank laat de nadere motivering van verweerder daarom niet buiten beschouwing.
Aanvullende motivering van verweerder
4. Verweerder heeft in de aanvullende motivering aangegeven dat handhavend optreden tegen het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] evenredig is, omdat het stalen hekwerk geen groendrager is. De achter het hekwerk staande heg wordt niet ondersteund door het hekwerk en heeft dat volgens verweerder ook niet nodig. Bovendien kan de heg teloorgaan en haar groene kleur verliezen al dan niet onder invloed van de jaargetijden en klimaatverandering. Dat brengt met zich dat, indien het hekwerk door zijn plaatsing en constructie toevalligerwijs het voorkomen van een groendrager heeft, het niet gezegd en gegarandeerd is dat in de voorzienbare toekomst dit voorkomen behouden blijft. Ook is het betrokken hekwerk volgens verweerder goed zichtbaar vanaf de openbare weg en vreest hij dat die zichtbaarheid groter wordt indien de heg doodgaat of haar kleur verliest. Dat verweerder de last wat betreft het hekwerk aan de [adres 2] heeft ingetrokken, doet niet af aan de evenredigheid van het handhaven ten opzichte van het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] . Het hekwerk aan de [adres 2] is volgens verweerder wezenlijk met het groen verbonden en minder zichtbaar vanaf de openbare weg. Bovendien heeft verweerder zeggenschap over het groen bij dat hekwerk. Verweerder kan op die manier bewerkstelligen dat het groen in stand blijft. Verder vreest verweerder voor precedentwerking. Indien dergelijke hekwerken voor de voorgevelrooilijn mogen worden opgericht, wordt het karakter van de groene omgeving ter plekke onevenredig aangetast. Verweerder verwijst in dit kader naar een volgens hem vergelijkbaar hekwerk waar ook handhavend wordt opgetreden.
Standpunt van eiseres
5. Eiseres betoogt dat het hekwerk een groendrager is, omdat het begroeid is met klimop, die het hele jaar door groen blijft en het zicht op het hekwerk ontneemt. Aangezien het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] en het hogere hekwerk aan de [adres 2] beide groen dragend zijn, is het onevenredig om enkel handhavend op te treden tegen het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] .
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verweerder het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld. Verweerder is er niet in geslaagd om in de aanvullende motivering draagkrachtig te onderbouwen dat handhavend optreden niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. Op de door eiseres op 24 augustus 2022 ingebrachte foto’s is te zien dat het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] volledig is begroeid met groen blijvende klimop. Het hekwerk is daardoor, ondanks de verschillende jaargetijden, vanaf de openbare weg niet of nauwelijks zichtbaar. Het karakter van de groene omgeving wordt dus niet aangetast door het hekwerk. Indien de beplanting in de toekomst verdwijnt is er sprake van een andere situatie. Die situatie ligt niet ter toetsing voor in deze handhavingsprocedure. De toelichting van verweerder dat het hekwerk aan de [adres 2] wezenlijk verschilt van het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] volgt de rechtbank niet. Beide hekwerken zijn met het groen verbonden en hooguit beperkt zichtbaar vanaf de openbare weg. Daarbij geldt dat het hekwerk tussen [adres 3] en [adres 1] lager is dan het andere hekwerk. De rechtbank overweegt dat het betreffende hekwerk geen precedent schept ten aanzien van stalen hekken die voor de voorgevelrooilijn zijn gelegen en afbreuk doen aan het groene karakter van de omgeving. Het hekwerk is immers begroeid met klimop en past daardoor in dat groene karakter.
Gelet op het geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de last die betrekking heeft op de erf- en perceelafscheiding tussen [adres 3] en [adres 1] . Gezien wat hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat de evenredigheid van deze last niet nader valt te onderbouwen en dat deze last dus onevenredig is. De rechtbank zal daarom het primaire besluit in zoverre herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op de last die betrekking heeft op de erf- en perceelafscheiding tussen [adres 3] en [adres 1] ;
- herroept het primaire besluit, voor zover dat ziet op de last die betrekking heeft op de erf- en perceelafscheiding tussen [adres 3] en [adres 1] en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Smit, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2022.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.