ECLI:NL:RBNHO:2022:8784

ECLI:NL:RBNHO:2022:8784, Rechtbank Noord-Holland, 06-10-2022, AWB - 22 _ 1188

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 06-10-2022
Datum publicatie 10-09-2025
Zaaknummer AWB - 22 _ 1188
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 4 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0002629

Samenvatting

Douane. Beroep op artikel 859 van de UCDW en artikel 124 van het DWU faalt,

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

uitspraak van de meervoudige douanekamer van 6 oktober 2022 in de zaken tussen

[eiseres] gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Eindhoven, verweerder.

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 22/1188, 22/1189 en HAA 22/1191 tot en met HAA 22/1197

(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz),

en

Procesverloop

HAA 22/1188

Verweerder heeft met dagtekening 17 december 2014 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt van € 1.478,24, zijnde een bedrag van € 164,48 aan douanerechten op industrieproducten en € 1.313,76 aan omzetbelasting. Bij e-mail van 11 december 2017 heeft [bedrijf] ( [bedrijf] ) namens eiseres een verzoek om terugbetaling gedaan.

HAA 22/1189

Verweerder heeft met dagtekening 27 juli 2015 aan eiseres een utb uitgereikt van € 1.698,69 zijnde een bedrag van € 189 aan douanerechten op industrieproducten en € 1.509,69 aan omzetbelasting. Bij brief van 12 december 2017 heeft [bedrijf] namens eiseres een verzoek om terugbetaling gedaan.

HAA 22/1191

Verweerder heeft met dagtekening 24 december 2015 aan eiseres een utb uitgereikt van € 5.063,71 zijnde een bedrag van € 563,41 aan douanerechten op industrieproducten en € 4.500,30 aan omzetbelasting. Bij brief van 12 december 2017 heeft [bedrijf] namens eiseres een verzoek om terugbetaling gedaan.

HAA 22/1192

Verweerder heeft met dagtekening 18 februari 2016 aan eiseres een utb uitgereikt van € 1.178,15 zijnde een bedrag van € 131,09 aan douanerechten op industrieproducten en € 1.047,06 aan omzetbelasting. Bij brief van 11 december 2017 heeft [bedrijf] namens eiseres een verzoek om terugbetaling gedaan.

HAA 22/1193

Verweerder heeft met dagtekening 9 maart 2016 aan eiseres een utb uitgereikt van € 6.050,84 zijnde een bedrag van € 878,75 aan douanerechten op industrieproducten en € 5.172,09 aan omzetbelasting. Bij brief van 8 december 2017 heeft [bedrijf] namens eiseres een verzoek om terugbetaling gedaan.

HAA 22/1194

Verweerder heeft met dagtekening 7 juni 2016 aan eiseres een utb uitgereikt van € 7.411,23 zijnde een bedrag van € 824,58 aan douanerechten op industrieproducten en € 6.586,65 aan omzetbelasting. Bij brief van 11 december 2017 heeft [bedrijf] namens eiseres een verzoek om terugbetaling gedaan .

HAA 22/1195

Verweerder heeft met dagtekening 25 augustus 2016 aan eiseres een utb uitgereikt van € 6.566,73 zijnde een bedrag van € 730,62 aan douanerechten op industrieproducten en € 5.836,11 aan omzetbelasting. Bij brief van 8 december 2017 heeft [bedrijf] namens eiseres een verzoek om terugbetaling gedaan.

HAA 22/1196

Verweerder heeft met dagtekening 18 oktober 2016 aan eiseres een utb uitgereikt van € 2.243,09 zijnde een bedrag van € 249,56 aan douanerechten op industrieproducten en € 1.993,53 aan omzetbelasting. Bij brief van 8 december 2017 heeft [bedrijf] namens eiseres een verzoek om terugbetaling gedaan.

HAA 22/1197

Verweerder heeft met dagtekening 16 november 2016 aan eiseres een utb uitgereikt van € 688,35 zijnde een bedrag van € 76,19 aan douanerechten op industrieproducten, € 608,58 aan omzetbelasting en € 3,58 aan rente op achterstallen. Bij brief van 13 december 2017 heeft [bedrijf] namens eiseres een verzoek om terugbetaling gedaan.

Bij beschikkingen van 13 augustus 2018 heeft verweerder de verzoeken om terugbetaling afgewezen.

Bij brief van 14 september 2018 is hiertegen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 21 januari 2019 de bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2022 te Haarlem. De rechtbank heeft de zaken gelijktijdig behandeld met beroepen met de zaaknummers HAA 19/1094 tot en met HAA 19/1102 ( [bedrijf] ). De dossiers in deze zaken zijn inhoudelijk identiek aan de dossiers met de zaaknummers HAA 22/1188, HAA 22/1189 en HAA 22/1191 tot en met HAA 22/1197.

Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, tot bijstand vergezeld van [naam 3] (werkzaam bij [bedrijf] ). Namens verweerder zijn verschenen [naam 1] en [naam 2]

Naar aanleiding van het onderzoek ter zitting worden de beroepen in de zaken met de zaaknummers HAA 19/1094 tot en met HAA 19/1102 als ingetrokken beschouwd.

Overwegingen

Feiten

1. [bedrijf] is een logistiek dienstverlener en houdt zich bezig met de logistiek rondom het bevoorraden van schepen. De opdrachtgevers van [bedrijf] zijn scheepseigenaren/rederijen. [bedrijf] besteedt de douanewerkzaamheden uit aan eiseres.

2. In de periode van 22 augustus 2014 tot en met 15 februari 2016 heeft eiseres als toegelaten afzender zesmaal goederen geplaatst onder de regeling extern communautair douanevervoer (groep 1). In de periode van 4 mei 2016 tot en met 29 juli 2016 heeft eiseres als toegelaten afzender driemaal goederen geplaatst onder de regeling extern Uniedouanevervoer (groep 2). In alle gevallen heeft eiseres T1-documenten afgegeven. De aangegeven goederen zijn in de aangiften omschreven als ‘scheepsproviand en scheepsdelen’. Het kantoor van vertrek is steeds Rotterdam. Het kantoor van bestemming is gelegen in Nederland, België of het Verenigd Koninkrijk.

3. Omdat de aangiften niet (elektronisch) zijn afgemeld in het New Computerised Transit System (NCTS), heeft verweerder - nadat de uiterste vervoerstermijnen waren verstreken voor de aangiften in groep 1 nasporingsonderzoeken als bedoeld in artikel 365 van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: UCDW) en voor de aangiften in groep 2 nasporingsonderzoeken als bedoeld in artikel 310 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (hierna: Uvo DWU) ingeleid bij het kantoor van bestemming. Deze onderzoeken hebben geen informatie opgeleverd over de regelmatige beëindiging van de regeling.

4. In de periode 6 oktober 2014 tot en met 23 augustus 2016 is eiseres door verweerder via geautomatiseerde berichten IE140 (‘navraag niet beëindigd vervoer’) ervan in kennis gesteld dat het bewijs van de regelmatige beëindiging van de regelingen niet is ontvangen. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.

5. Verweerder heeft eiseres - voor wat betreft groep 1, de aangiften die zijn gedaan onder de Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW) - nogmaals gewezen op de mogelijkheid bewijs van de regelmatige beëindiging van de regelingen te overleggen. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.

6. Verweerder heeft aan eiseres bericht dat hij voornemens is om de utb’s uit te reiken wegens de niet-zuivering van de aangiften in groep 1 en groep 2. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.

7. Verweerder heeft vervolgens de onder het procesverloop genoemde negen utb’s opgelegd.

8. Tot de stukken van het geding behoort een machtiging van 10 maart 2017. In deze machtiging heeft eiseres [bedrijf] schriftelijk voor onbepaalde tijd gemachtigd om namens haar onder meer bezwaar- en beroepschriften en verzoeken tot terugbetaling in te dienen in zaken waarin [bedrijf] de activiteiten aan eiseres heeft uitbesteed.

9. Bij de op 8, 11, 12 en 13 december 2017 ingediende verzoeken om terugbetaling zijn telkens onder meer het uitgaand T1-document, een kopie van de CMR vrachtbrief, een kopie van een verklaring van de scheepseigenaar, een kopie van het manifest/pro forma invoice en de onder 8 genoemde machtiging overgelegd.

10. Bij beschikkingen van 13 augustus 2018 heeft verweerder de verzoeken om terugbetaling afgewezen.

11. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

Geschil 12. De rechtbank stelt vast dat enkel nog in geschil is of op grond van de artikelen 116, eerste lid, onder a, van de Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (hierna: DWU) en 117 van het DWU moet worden overgegaan tot terugbetaling. Meer in het bijzonder is in geschil of artikel 859 van de UCDW dan wel artikel 124 van het DWU van toepassing is.

13. Eiseres stelt - voor wat betreft de aangiften in groep 1 - dat op grond van artikel 859 van de UCDW geen douaneschuld is ontstaan omdat er sprake is van een verzuim zonder gevolgen. Voor wat betreft de aangiften in groep 2 stelt eiseres dat op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU de douaneschuld teniet is gegaan. De goederen zijn geleverd aan boord van het schip, hebben de Unie verlaten en er heeft zich geen poging tot bedrog voorgedaan. Het betreft goederen zonder handelskarakter en het zijn geen goederen bestemd voor consumentendoeleinden, aldus eiseres.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en het toewijzen van de verzoeken om terugbetaling. Voorts verzoekt eiseres om

veroordeling van verweerder tot een proceskostenvergoeding in bezwaar en beroep en vergoeding van het griffierecht.

14. Verweerder voert aan dat de verzoeken om terugbetaling terecht zijn afgewezen. Eiseres heeft niet aangetoond dat teveel invoerrechten in rekening zijn gebracht zoals bedoeld in artikel 116, eerste lid, aanhef en onder a, van het DWU in samenhang met artikel 117 van het DWU. Eiseres heeft niet aangetoond dat de regeling extern communautair douanevervoer dan wel de regeling extern Uniedouanevervoer op regelmatige wijze is beëindigd. Eiseres heeft geen alternatief bewijs overgelegd dat voldoet aan de wettelijke eisen. De door eiseres overgelegde bescheiden zijn immers niet gewaarmerkt door de douane van de lidstaat van bestemming en er is ook anderszins niet aangetoond dat de utb’s ten onrechte dan wel tot een hoog bedrag zouden zijn vastgesteld.

Verweerder voert voorts aan dat het beroep van eiseres op artikel 859 van de UCDW toepassing mist nu de douaneschuld in casu is ontstaan op grond van artikel 203 van het CDW. Ook het beroep van eiseres op artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU faalt omdat eiseres - met de door haar overgelegde bescheiden - niet heeft aangetoond dat de goederen de Unie hebben verlaten.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

15. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Vooraf

16. Verweerder heeft de utb’s uitgereikt omdat de regeling extern communautair douanevervoer dan wel de regeling extern Uniedouanevervoer niet op regelmatige wijze is beëindigd. Deze regelingen kunnen alsnog als beëindigd worden beschouwd indien bewijsstukken worden overgelegd die voldoen aan de in artikel 366, tweede of derde lid, van de UCDW dan wel artikel 312 van de Uvo DWU gestelde voorwaarden. Eiseres heeft dergelijke alternatieve bewijsstukken niet overgelegd, waardoor de regelingen niet als beëindigd kunnen worden beschouwd. Dit brengt met zich dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken waarvoor voor alle zendingen een douane- en omzetbelastingschuld is ontstaan op grond van artikel 203 van het CDW dan wel artikel 79, eerste lid, onder a, van het DWU in samenhang met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Eiseres heeft geen bezwaar en beroep ingesteld tegen de onder 7 genoemde utb’s waardoor de utb’s onherroepelijk zijn geworden.

Verzoeken om terugbetaling ten aanzien van de aangiften in groep 1

Voor deze aangiften stelt eiseres dat op grond van artikel 859 van de UCDW geen douaneschuld is ontstaan omdat er sprake is van een verzuim zonder gevolgen.

Deze utb’s zijn opgelegd op grond van artikel 203 van het CDW. Artikel 859 van de UCDW verwijst naar artikel 204 van het CDW en vindt geen toepassing in de situaties waarop artikel 203 van het CDW ziet (vgl. Hof van Justitie 29 oktober 2015, C-319/14). Reeds hierom faalt de stelling van eiseres. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat eiseres ter zitting heeft gesteld dat zij de jurisprudentie over artikel 203 van het CDW kent en de redenering van verweerder niet langer betwist.

Verzoeken om terugbetaling ten aanzien van de aangiften in groep 2

Voor wat betreft deze aangiften stelt eiseres dat op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU de douaneschuld teniet is gegaan.

De rechtbank deelt het standpunt van verweerder zoals onder 16 weergegeven, dat eiseres geen van de in artikel 312 van de Uvo UCDW genoemde documenten als alternatief bewijs heeft overgelegd. Op grond van artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van het DWU gaat een douaneschuld bij invoer of uitvoer teniet indien, behoudens het zesde lid van dit artikel, de douaneschuld is ontstaan overeenkomstig artikel 79 en ten genoegen van de douaneautoriteiten is aangetoond dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten. Eiseres heeft de onder 9 genoemde bescheiden overgelegd. Met deze bescheiden, ook in samenhang bezien, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat die goederen niet gebruikt of verbruikt zijn, en het douanegebied van de Unie hebben verlaten. De stelling van eiseres dat de goederen aan boord van buitenlandse schepen zijn gebracht die varen onder de Noorse vlag - hetgeen door verweerder ook niet wordt betwist - leidt niet tot een ander oordeel. Uit een levering aan boord van een schip volgt niet dat de goederen de Unie hebben verlaten. Op grond van artikel 4, eerste lid, van het DWU wordt onder het douanegebied van de Unie mede verstaan de territoriale wateren. De grens van het douanegebied van de Unie is derhalve de 12 mijlszone en de grens wordt dus niet bepaald door de vlag waaronder een schip vaart.

Ook de stelling dat de goederen niet op de consumentenmarkt van de Unie terecht zijn gekomen en veelal niet geschikt zijn voor consumentengebruik, kan niet afdoen aan het feit dat niet is aangetoond dat de goederen de Unie hebben verlaten. Er ontbreken immers documenten waaruit blijkt dat de goederen buiten het douanegebied van de Unie in ontvangst zijn genomen. Eiseres verwijst naar de website van de douane en naar de vrije bewijsleer en hetgeen ze daarover op internet heeft gevonden. Dit kan - wat daar ook van zij - niet afdoen aan de wettelijke bepalingen. Eiseres moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 124, zesde lid, van het DWU en daaraan is niet voldaan. Aan de beoordeling van de stelling van eiseres dat er geen sprake is van bedrog komt de rechtbank niet toe, reeds omdat verweerder niet heeft gesteld dat er sprake is van bedrog.

Gelet op het onder 18.1 en 18.2 overwogene faalt het beroep van eiseres op artikel 124, eerste lid, aanhef en onder k, van DWU. Eiseres stelt weliswaar dat de goederen niet zijn gebruikt of verbruikt en het douanegebied van de Unie hebben verlaten, maar verweerder heeft terecht gesteld dat eiseres dit met de door haar overgelegde bescheiden niet ten genoegen van de douaneautoriteiten heeft aangetoond.

Alle aangiften

19. Ook de overige grieven van eiseres falen. Eiseres stelt dat zij op 8 november 2017 heeft gesproken met de douane over problemen bij niet-zuiveringen van documenten en met name over leveringen naar Engeland. Dat er sprake is van specifieke problemen in de onderhavige zaken is echter niet gesteld noch anderszins gebleken. Eiseres stelt dat zij het terecht zou vinden dat een (verzuim)boete zou worden opgelegd. Nu er geen sprake is van een (verzuim)boete komt de rechtbank niet toe aan de behandeling van deze grief.

20. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kleij, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en mr.drs. C.M. van Wechem, leden, in aanwezigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2022.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S. Kleij

Griffier

  • mr. S. Plesman-Jalink

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl Douanerechtspraak 2025/158
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?