[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigden: S.G. Azimullah en P. van Aarle),
en
de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen.
Inleiding
Verweerder heeft met het besluit van 26 november 2021 aan [(ex) werknemer 1] ((ex-) werknemer van eiseres) een voorschot toegekend.
Met het bestreden besluit van 1 maart 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.
De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van eiseres. Verweerder heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.
Beoordeling door de rechtbank
1. [(ex) werknemer 2] was bij eiseres werkzaam als meewerkend voorvrouw schoonmaak. Zij heeft zich op 9 december 2019 ziek gemeld. Zij heeft een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. Omdat daarover niet tijdig een besluit kon worden genomen, heeft verweerder bij besluit van 26 november 2021 met ingang van 6 december 2021 een voorschot toegekend.
2. Bij besluit van 5 januari 2022 heeft verweerder aan [(ex) werknemer 2] met ingang van 6 december 2021 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Hiertegen is door eiseres bezwaar gemaakt, omdat zij van mening is dat recht bestaat op een IVA-uitkering.
Standpunten partijen
3. Eiseres voert – samengevat – aan dat er geen wettelijke grondslag is voor het toekennen van voorschotten en ook niet voor het toerekenen van de voorschotten aan de werkgevers. Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van 6 oktober 2021 van rechtbank Limburg,(die inmiddels is bevestigd door de Centrale Raad van Beroep, CRvB) over het toerekenen van voorschotten aan eigenrisicodragers. Naar analogie geldt dit volgens eiseres ook voor het toerekenen aan werkgevers voor de gedifferentieerde premie. Eiseres stelt dat zij wordt opgezadeld met extra kosten in de gedifferentieerde premie werkhervattingskas.
4. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat een besluit waarbij een voorschot op een uitkering wordt toegekend niet gaat over de premietoerekening. De premietoerekening zal eerst in de toekomst plaatsvinden op basis van de toegekende WIA-uitkeringen.
Procesbelang
5. Eiseres is geen eigenrisicodrager voor de betaling van de WIA-uitkering van haar (ex-)werknemers, maar ondervindt alleen gevolgen via de verschuldigde gedifferentieerde WGA-premie. In zijn uitspraak van 10 mei 2023 heeft de CRvB in een geval dat grote gelijkenis vertoont met de onderhavige zaak geoordeeld dat geen procesbelang aanwezig is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een andersluidend oordeel in deze zaak. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.
6. Voor het aannemen van procesbelang is vereist dat het resultaat dat de indiener van het bezwaarschrift, beroepschrift of hoger beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk bereikt kan worden en het realiseren daarvan voor de betrokkene feitelijke betekenis niet kan worden ontzegd.
7. Wat eiseres ter onderbouwing van haar procesbelang heeft aangevoerd kan de rechtbank niet volgen. Niet duidelijk is waar eiseres de stelling op baseert dat het oordeel van de rechtbank over de rechtmatigheid van het verstrekte voorschot, van belang is voor de uiteindelijke gedifferentieerde WGA-premie die eiseres verschuldigd is in verband met de toegekende WIA-uitkering aan [(ex) werknemer 2] . Wat eiseres heeft aangevoerd over de rechtsgeldigheid van het verleende voorschot betreft een louter formeel of principieel belang. Dit is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
8. De stelling van eiseres dat zij schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming van verweerder, maakt dit niet anders. De omstandigheid dat schade is geleden als gevolg van bestuursrechtelijke besluitvorming kan tot het oordeel leiden dat een actueel procesbelang aanwezig is. Daarvoor is echter vereist dat de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuursrechtelijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. In het geval van eiseres is hiervan geen sprake. Dat eiseres schade zou lijden door de voorschotverstrekking is op geen enkele manier onderbouwd. Onder deze omstandigheden wordt op voorhand onaannemelijk geacht dat eiseres schade heeft geleden.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.