RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9915260 \ CV EXPL 22-3266
Uitspraakdatum: 24 januari 2024
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats 1]
eiseres
verder te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. P.F. van den Brink
tegen
de naamloze vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] N.V.
gevestigd te [plaats 2]
gedaagde
verder te noemen: [gedaagde]
gemachtigde: mr. M. Schildwacht
De zaak in het kort
In het tussenvonnis van 11 januari 2022 heeft de kantonrechter geoordeeld dat (i) voldoende aannemelijk is dat [eiser] vanaf 1 januari 2009 als salary partner bij [gedaagde] werkzaam is geweest, (ii) [gedaagde] [eiser] had moeten informeren over de wijziging van de pensioen- regeling per 1 januari 2011, (iii) de wijze waarop [eiser] haar schade heeft begroot niet tot toewijzing van haar vordering kan leiden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om bij akte feiten en omstandigheden aan te dragen die de kantonrechter in staat stellen om een zo goed mogelijke schatting van de eventuele kansschade te maken. De kantonrechter schat in dit eindvonnis deze schade op € 5.000 en veroordeelt [gedaagde] tot betaling hiervan aan [eiser].
1. Het verdere procesverloop
De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 11 januari 2023 (per abuis staat in de kop van dat vonnis de datum 11 januari 2022 vermeld) en de daarin genoemde stukken (hierna: het tussenvonnis). [eiser] heeft op 8 maart 2023 een akte met een eisvermeerdering ingediend. [gedaagde] heeft hierop bij akte van 28 juni 2023 gereageerd.
Op 7 december 2023 heeft een zitting plaatsgevonden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. [eiser] heeft gebruik gemaakt van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij brieven van 27 november 2023 en 1 december 2023 nog stukken toegezonden.
2. De gewijzigde vordering
[eiser] vordert – na eisvermeerdering – dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van het netto equivalent van € 72.766,13 bruto aan pensioenschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2023. [eiser] baseert de eisvermeerdering op een deskundigenrapport. Verder vordert [eiser] een bedrag van € 1.117,65 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 23.834,15 + p.m. aan volledige advocaatkosten, althans de proces-, na- en betekeningskosten. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering.
3. De verdere beoordeling
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis overwogen dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming om zich als goed werkgever te gedragen, omdat zij niet heeft gezorgd voor tijdige en deugdelijke informatie over de gewijzigde pensioensituatie. Daardoor heeft [gedaagde] [eiser] de mogelijkheid onthouden om bij een juiste voorstelling van zaken deel te nemen aan de gewijzigde pensioenregeling. Het gaat in deze zaak – kort gezegd – dus alleen nog om de vraag of en zo ja, hoeveel, pensioenschade [eiser] heeft geleden vanaf 1 januari 2011.
Ter beantwoording van deze vraag zijn partijen bij nadere akte in de gelegenheid gesteld om zich onder meer uit te laten over
( a) het moment waarop [eiser] zou hebben deelgenomen aan de pensioenregeling als [gedaagde] haar tijdig had geïnformeerd over de wijziging;
( b) de stelling van [gedaagde] dat als voor [eiser] op enig moment een pensioenregeling was gaan gelden, [gedaagde] de salarisverhoging die [eiser] in 2009 heeft ontvangen omdat zij afzag van deelname aan de pensioenregeling, ter discussie zou hebben gesteld en zou hebben teruggedraaid;
( c) een schatting van de hoogte van het bedrag dat in de salarisstijging van € 4.200,- naar € 5.200,- in 2009 kan worden beschouwd als compensatie voor het afzien van deelname aan de pensioenregeling;
( d) de vraag of alleen in 2009 een financiële compensatie voor het gemis aan pensioenopbouw in het salaris is verdisconteerd of dat dat ook voor de jaren daarna is gebeurd;
( e) de hoogte van de werkgeversbijdrage in de jaren 2011 tot en met 2020;
( f) de (gemiddelde) salarisstijging van andere medewerkers van [gedaagde] die in de jaren 2008 tot en met 2010 salarypartner werden wel deelnamen aan de pensioenregeling;
( g) het rendementspercentage;
Hieronder zullen voor zover van belang voor het dictum de voorgaande aandachtspunten worden besproken.
(a) De kans dat [eiser] per 1 januari 2011 zou hebben deelgenomen aan de pensioenregeling
Om de kans op schade te bepalen wordt eerst de vraag beantwoord of en zo ja, op welk moment [eiser] zou hebben deelgenomen aan de pensioenregeling in de hypothetische situatie dat [gedaagde] [eiser] zou hebben geïnformeerd dat de werknemersbijdrage aan de pensioenregeling was komen te vervallen.
[eiser] stelt dat de kans dat zij op 1 januari 2011 was gaan deelnemen 100% is. Zij onderbouwt dat standpunt als volgt. [eiser] heeft in eerste instantie betoogd dat zij in 2009 heeft afgezien van deelname aan de pensioenregeling, omdat zij (in plaats daarvan) een zo hoog mogelijk netto salaris wilde. Dit wilde [eiser] in verband met haar privésituatie op dat moment; haar relatie was net beëindigd en zij wilde haar ex-partner uit de gemeenschappelijke woning uitkopen. In 2011 had zij haar financiële situatie weer op de rit, zodat er geen financiële belemmeringen waren om alsnog deel te nemen. In de akte na het tussenvonnis heeft de door [eiser] ingeschakelde deskundige de stelling ingenomen dat de reden voor het afzien van deelname aan de pensioenregeling was gelegen in de (eigen) werknemersbijdrage, waardoor het volstrekt helder was dat [eiser] meteen zou hebben deelgenomen als zij had geweten dat die bijdrage was vervallen. Op de zitting heeft [eiser] desgevraagd verklaard dat zij ook in het geval [gedaagde] bij deelname aan de pensioenregeling het salaris met € 350,- euro zou hebben verlaagd, desondanks alsnog de keuze zou hebben gemaakt om vanaf 1 januari 2011 deel te nemen. Dit omdat pensioenopbouw voor [eiser] belangrijk was (en is), zeker zonder partner.
[gedaagde] heeft de stelling van [eiser] dat zij de kans op deelname op 100% stelt uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist, onder andere door te verwijzen naar de brief van [eiser] van 2 mei 2022 (productie 8 bij de dagvaarding), waarin [eiser] schrijft: ‘Het was waarschijnlijk voor haar een reden geweest om toch aan de pensioenregeling deel te nemen, dan wel een salarisverhoging te bedingen’. Volgens [gedaagde] is het de vraag of [eiser] überhaupt zou hebben deelgenomen aan de pensioenregeling in 2011. Volgens [gedaagde] ging het [eiser] immers om de werkgeversbijdrage en niet om de werknemersbijdrage. [eiser] wilde in 2009 de werkgeversbijdrage als salarisverhoging ontvangen, terwijl in 2011 de (veel lagere) werknemersbijdrage kwam te vervallen.
De argumenten van [gedaagde] snijden hout. Eerst na het tussenvonnis heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat de kans dat zij zou hebben deelgenomen 100% was. Het woord ‘waarschijnlijk’ in de brief van 2 mei 2022 verhoudt zich niet tot de 100% die [eiser] na het tussenvonnis heeft genoemd. De kantonrechter gaat er verder vanuit dat de reden om niet deel te nemen aan de pensioenregeling was om zo’n hoog mogelijk salaris te realiseren door het salaris te verhogen met de werkgeversbijdrage. Dit leidt de kantonrechter af uit het evaluatieformulier van 2009 (zie de feiten 2.3. in het vonnis van januari 2023) waarin staat ‘[eiser] geeft aan dat het verschil met () en () dan veel te klein is, dat ze geen pensioenregeling hoeft maar een zo hoog mogelijk netto salaris i.v.m. verbreken relatie. De pensioenregeling kost kantoor ca. 350 bruto, dus daarmee zou het salaris wel kunnen worden verhoogd’. De werknemersbijdrage wordt in dit evaluatieformulier niet genoemd. Niet gebleken is dat de werknemersbijdrage in 2009 een doorslaggevende rol heeft gespeeld en ook overigens is het belang van de werknemersbijdrage voor het eerst genoemd in de akte na het tussenvonnis (op het moment dat het voor [eiser] duidelijk was dat de eventuele schade zou worden berekend aan de hand van de leer van de kansschade).
Al het voorgaande in aanmerking genomen vindt de kantonrechter de stelling van [eiser] dat zij met 100% zekerheid had deelgenomen aan de pensioenregeling als [gedaagde] haar tijdig had geïnformeerd, niet houdbaar. De kantonrechter schat de kans dat [eiser] op 1 januari 2011 zou hebben deelgenomen als [gedaagde] haar juist had geïnformeerd op 50%. In dit oordeel ligt besloten dat voor 50% een causaal verband bestaat tussen de tekortkoming van [gedaagde] en de eventuele schade van [eiser]. Hiermee zal rekening worden gehouden bij de berekening van de hoogte van de schade.
(b), (c) en (d) de status van de € 350,- salarisverhoging in 2009
In het tussenvonnis is geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] vanaf januari 2009 bij [gedaagde] salary partner is geweest en dat daarmee vast is komen te staan dat [eiser] vanaf dat moment in aanmerking kwam voor de pensioenregeling. Vaststaat ook dat partijen in januari 2009, tijdens het jaarlijkse evaluatiegesprek, hebben gesproken over de financiële gevolgen van de eventuele deelname aan de pensioenregeling (zie hierboven). [gedaagde] heeft [eiser] in dit gesprek gezegd dat de pensioenregeling het kantoor circa € 350,- per maand kostte en dat het salaris van [eiser] met dit bedrag kon worden verhoogd als zij ervoor zou kiezen om niet deel te nemen aan de pensioenregeling. Om die reden is op dat moment een (door [gedaagde] geschat) bedrag van € 350,- aan werkgeversbijdrage in het salaris van [eiser] verdisconteerd. De kantonrechter oordeelt dat deze € 350,- tot het einde van de arbeidsovereenkomst verdisconteerd is gebleven in haar salaris ter vervanging van de werkgeversbijdrage. Dit oordeel wordt als volgt toegelicht.
[gedaagde] heeft onbetwist aangevoerd dat er binnen haar kantoor geen standaardarbeids- voorwaardenpakket bestaat en dat er geen ‘salarishuis’ is. Er wordt jaarlijks op individueel niveau onderhandeld over het salaris. Vanaf januari 2009 heeft [eiser] tot het einde van haar dienstverband in 2020 vier salarisverhogingen ontvangen:
Salarisstijging
Salaris
1 juli 2011
€ 750
€ 5.950
1 januari 2012
€ 50
€ 6.000
1 juli 2014
€ 750
€ 6.750
1 januari 2019
€ 250
€ 7.000
Deze salarisverhogingen zijn het gevolg geweest van individuele onderhandelingen tussen [gedaagde] en [eiser] en zijn gekoppeld geweest aan het functioneren van [eiser], meer in het bijzonder aan het halen van de jaarlijkse omzet. [gedaagde] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat [eiser] in de tweeënhalf jaar volgend op haar benoeming tot salary partner géén, en in de jaren daarna relatief weinig, salarisverhoging(en) heeft ontvangen te wijten is aan de (matige) waardering (van [gedaagde]) voor haar prestaties. De stelling van [eiser] dat de hiervoor genoemde € 350,- per 1 januari 2011 in de salarisverhoging was ‘ingegroeid’, volgt de kantonrechter daarom niet.
Het moet er dan ook voor worden gehouden dat [gedaagde] het salaris van [eiser] vanaf
het moment van deelname aan de pensioenregeling zou hebben verlaagd met de betreffende € 350,-. [gedaagde] zou dat bedrag, althans het op dat moment verschuldigde bedrag aan werkgeversbijdrage, immers vanaf het moment van deelname aan de pensioenregeling hebben bijgedragen.
De schade
Op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (BW) moet de rechter de schade
begroten op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is. Als de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, (zoals in dit geval) moet zij worden geschat.
De omvang van de schade zal in dit geval worden bepaald door het vergelijken van de
situatie waarin [eiser] nu verkeert (zonder dat zij heeft deelgenomen aan de pensioen- regeling), met de situatie waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming van [gedaagde] achterwege zou zijn gebleven (50% kans dat zij per 1 januari 2011 zou zijn gaan deelnemen aan de pensioenregeling). Die vergelijking volgt hierna.
Uitgangspunten bij het bepalen van de omvang van de schade; berekeningswijze
Bij het bepalen van de omvang van de schade zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
De periode waarover de schade is berekend loopt van 1 januari 2011 tot 1 mei 2020. Deze periode acht de kantonrechter het meest redelijk, omdat de arbeidsovereen- komst tussen [eiser] en [gedaagde] per die datum is beëindigd en [gedaagde] dus tot die datum een bijdrage aan de pensioenregeling zou hebben betaald;
Een werknemersbijdrage aan het pensioen gaat van het brutoloon van de werknemer af;
Een werkgeversbijdrage aan het pensioen is een netto betaling aan de pensioenregeling, die pas wordt belast bij uitkering van het pensioen aan de werknemer;
De kantonrechter gaat voorbij aan de berekening die [eiser] door een deskundige heeft laten maken, omdat in die berekening (onder meer) geen rekening is gehouden met het oordeel van de kantonrechter dat over de gehele schadeperiode een bedrag aan werkgeversbijdrage in het salaris verdisconteerd is;
Het rendementspercentage wordt (overeenkomstig het deskundigenrapport van [eiser]) gesteld op 3.17% , om proceseconomische redenen (ter voorkoming van het opstellen van een onafhankelijk deskundigenrapport) en omdat de kantonrechter dit percentage niet onredelijk voorkomt.
Werkelijke situatie: hoeveel netto salaris heeft [eiser] van [gedaagde] ontvangen van 1 januari 2011 tot 1 mei 2020 als compensatie van de werkgeversbijdrage?
Over de periode van 1 januari 2011 tot 1 mei 2020 heeft [eiser] van [gedaagde] in totaal
een bedrag van € 42.336,00 bruto aan salaris ontvangen ter compensatie van de werkgeversbijdrage (112 maanden x € 350,- + 8% vakantiegeld). Over haar salaris heeft [eiser] door de jaren heen verschillende percentages aan inkomstenbelasting betaald.
In 2011 waren er 4 belastingschijven:
I. Tot € 18,628: 33,00%
II. Tot € 33.436: 41,95%
III. Tot € 55.694: 42,00% (situatie [eiser])
IV. > € 55.694: 52,00%
In 2015 waren er ook 4 belastingschijven:
I. Tot € 19.822: 36,50%
II. Tot € 33.589: 42,00%
III. Tot € 57.585: 42,00% (situatie [eiser])
IV. > € 57.585: 52,00%
In 2020 waren er 3 belastingschijven:
I. Tot € 34.712: 37,35%
II. Tot € 68.507: 37,35% (situatie [eiser])
III. > € 68.507: 49,50%
Gelet op bovenstaande percentages en uit proceseconomische redenen, ter voorkoming van het inschakelen van een onafhankelijke deskundige, stelt de kantonrechter het gemiddeld betaald percentage aan inkomstenbelasting op 40,45%.
Het voorgaande betekent dat het netto bedrag aan salaris dat [eiser] van [gedaagde] heeft
ontvangen van 1 januari 2011 tot 1 mei 2020 als compensatie van de werkgeversbijdrage aan het pensioen wordt geschat op een bedrag van € 25.211,09 netto (€ 42.336,00 bruto x 40,45%).
Hypothetische situatie: wat had er in de pensioenpot gezeten als [eiser] aan de pensioenregeling zou hebben deelgenomen per 1 januari 2011?
Voorgaande situatie moet vergeleken worden met de hypothetische situatie dat
[eiser] in de pensioenregeling zou zijn ingestapt per 1 januari 2011. Daarvoor moet (schattenderwijs) bepaald worden hoeveel geld er op 1 mei 2020 in de pensioenpot zou hebben gezeten als [gedaagde] daaraan vanaf 1 januari 2011 de werkgeversbijdrage had betaald. De kantonrechter heeft dit bedrag berekend op een bedrag van in totaal € 55.633,00 netto. Hoe de kantonrechter aan dit bedrag komt wordt hierna toegelicht.
[gedaagde] zou ten aanzien van [eiser] van 1 januari 2011 tot 1 mei 2020 een bedrag van in
totaal € 46.058,25 netto aan werkgeversbijdrage hebben betaald aan de pensioenpot:
1 januari tot 1 juli 2011 :
€ 5.200 bruto (ontvangen salaris) - € 350 (compensatie werkgeversbijdrage) = € 4.850 bruto x 7,85% (werkgeverbijdrage in pensioenpot) = € 380,73. x 6 maanden = € 2.284,35 netto;
1 juli 2011 tot 1 januari 2012 :
€ 5.950 bruto (ontvangen salaris) - € 350 (compensatie werkgeversbijdrage) = € 5.600 bruto x 7,85% (werkgeversbijdrage in de pensioenpot) = € 439,60. x 6 maanden= € 2.637,60 netto;
1 januari 2012 tot 1 juli 2014:
€ 6.000 bruto (ontvangen salaris) – € 350 (compensatie werkgeversbijdrage) = € 5.650 bruto x 7,85% (werkgeversbijdrage in de pensioenpot)= € 443,53. x 30 maanden= € 13.305,90 netto;
1 juli 2014 tot 1 januari 2015 :
€ 6.750 bruto (ontvangen salaris) – € 350 (compensatie werkgeversbijdrage) = € 6.400 bruto x 7,85% (werkgeversbijdrage in de pensioenpot)= € 502,40. x 6 maanden = € 3.014,40 netto
1 januari 2015 tot 1 januari 2019:
€ 6.750 bruto (ontvangen salaris) – € 350 (compensatie werkgeversbijdrage) = € 6.400 bruto x 6% (werkgeversbijdrage in de pensioenpot)= € 384 x 48 maanden= € 18.432,00 netto;
1 januari 2019 tot 1 mei 2020:
€ 7.000 bruto (ontvangen salaris) – € 350 (compensatie werkgeversbijdrage) = € 6.650 bruto x 6% (werkgeversbijdrage in de pensioenpot)= € 399 x 16 maanden =
€ 6.384 netto.
Totaal: € 46.058,25 netto in de pensioenpot op 1 mei 2020
Over het hypothetische bedrag in de pensioenpot zou jaarlijks een (fluctuerend)
percentage aan rendement zijn ontvangen. Uitgaande van de voor [eiser] meest gunstige situatie, gelet op het door haar overgelegde deskundigenrapport, was de hoogte daarvan 3,17% per jaar. Als [gedaagde] voornoemde werkgeversbijdragen aan de pensioenpot zou hebben betaald en daarover jaarlijks 3,17% aan rendement zou zijn ontvangen, ziet de berekening er als volgt uit:
2011: € 2.284,35 + € 2.637,60 = € 4.921,95 x 3,17%= € 156,03 + € 4,921.95= € 5.077,98 in de pensioenpot op 1 januari 2012;
2012: € 13.305,90/30 maanden x 12 maanden = € 5.322,36 (2012) + € 5.077,98 (2011) = € 10.400,34 x 3,17% = € 329,69 + € 10.400,34 = € 10.730.03 in de pensioenpot op 1 januari 2013;
2013: € 13.305,90/30 maanden x 12 maanden = € 5.322,36 (2013) + € 10.730,03 (2012) = € 16.052,39 x 3,17%= € 508,86 + € 16.052,39= € 16.561,25 in de pensioenpot op 1 januari 2014;
2014: € 5.322,36/2 maanden= € 2.661,18 + € 3.014,40= € 5.675,58 (2014) + € 16.561,25= € 22.236,83 x 3,17% = € 704,91 + € 22.236,83= € 22.941,74 in de pot op 1 januari 2015;
2015: € 18.432 / 4 maanden = € 4.608 (2015) + € 22.941,74= € 27.549,74. x 3,17%= € 873,33 + € 27.549,74= € 28.423,07 in de pot op 1 januari 2016;
2016: € 4.608 (2016) + € 28.423,07= € 33.031,07 x 3,17%= € 1.047,08 + € 33.031,07= € 34.078,15 in de pot op 1 januari 2017;
2017: € 4.608 (2017) + € 34.078,15= € 38.686,15 x 3,17%= € 1226,35 +
€ 38.686.15= € 39.912,50 in de pot op 1 januari 2018;
2018: € 4.608 (2018) + € 39.912,50= € 44.520,50 x 3,17%= € 1.411,30 +
€ 44.520,50= € 45.931,80 in de pot op 1 januari 2019;
2019: € 6.384/16 maanden x 12 maanden= € 4.788 (2019) + € 45.931,80=
€ 50.719,80 x 3,17% = € 1.608,82 + € 50.719,80= € 52.327,62 in de pot op 1 januari 2020;
1 januari 2020-1 mei 2020: € 399 x 4 maanden= € 1.596 (2020) + € 52.327,62 = € 53.923,62 x 3,17 % = € 1.709,38 + € 53.923,62= € 55.633 netto in de pot op 1 mei 2020.
Als het bedrag van € 55.633,00 aan [eiser] zou zijn uitbetaald op 1 mei 2023, zou zij
daarover een percentage van 37,35% (€ 20.778,93) aan inkomstenbelasting hebben moeten betalen, zodat zij een bedrag van € 34.854,07 netto zou hebben ontvangen.
Conclusie: vergelijking werkelijke situatie met hypothetische situatie
Uit het voorgaande blijkt dat [eiser] in de hypothetische situatie een geschat bedrag
van € 9.642,98 netto (€ 34.854,07 - € 25.211,09) meer zou hebben ontvangen dan in de werkelijke situatie. Rekening houdend met de hiervoor vastgestelde kans van 50% houdt dat in dat [eiser] voor een geschat bedrag van € 4.821,49 schade heeft geleden door de tekortkoming van [gedaagde].
Gelet op het voorgaande acht de kantonrechter het redelijk om aan [eiser] een afgerond
bedrag van € 5.000,00 aan schadevergoeding toe te wijzen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak, omdat het hier gaat om een constitutieve beslissing en de kantonrechter een betalingstermijn van veertien dagen redelijk acht, zodat in die zin zal worden beslist.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van buitengerechtelijke
incassokosten. Gelet op de aard van de toegewezen vordering is echter (nog) geen sprake van verzuim aan de kant van [gedaagde]. Daarom is niet voldaan aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW en zullen de buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
[gedaagde] maakt bezwaar tegen de door [eiser] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad
van het vonnis. [gedaagde] heeft aangegeven in hoger beroep te willen en zullen gaan als de uitkomst van deze procedure in haar nadeel uitvalt. Volgens [gedaagde] is sprake van een aanzienlijk restitutierisico, omdat er conservatoir beslag is gelegd op de woning van [eiser]. Daarbij is de gestelde schade nog niet opeisbaar, omdat [eiser] de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Er bestaat volgens [gedaagde] daarom geen belang bij een uitvoerbaar bij voorraadverklaring. [eiser] betwist dat en stelt dat haar belang bij uitvoerbaar bij voorraadverklaring zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij afwijzing daarvan.
De kantonrechter overweegt hierover als volgt. Bij de beoordeling van een vordering
op grond van artikel 233 Rv (uitvoerbaarheid bij voorraad) dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij de belangenafweging moet de kans van slagen van een eventueel aan te wenden rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing blijven en wordt degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Een daartegenover gesteld restitutierisico moet geconcretiseerd worden. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, staan op zichzelf niet aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad in de weg, maar moeten worden meegewogen in de belangenafweging.
De kantonrechter is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel
van [eiser] dient uit te vallen. Nog daargelaten dat slechts een zeer gering gedeelte van de vordering wordt toegewezen, heeft [eiser] ook verklaard dat er geen beslag meer op haar huis ligt. Van het door [gedaagde] aangevoerde restitutierisico is daarom geen sprake (meer). Daarbij komt dat, zoals [eiser] terecht stelt, sprake is van een schadevergoedingsvordering, die direct opeisbaar is. De kantonrechter zal het vonnis daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Proceskosten
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de volledige proceskosten.
Een veroordeling tot vergoeding van de werkelijk gemaakte advocaatkosten (in afwijking van het toepasselijke liquidatietarief) kan worden toegewezen als sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld doordat zij in strijd met de norm van goed werkgeverschap haar informatieplicht heeft geschonden, zoals is geoordeeld in het vonnis van 11 januari 2023. Daarbij maakt [gedaagde] volgens [eiser] misbruik van procesrecht, doordat zij in een e-mailbericht van 18 januari 2023 aan [eiser] een schikkingsvoorstel heeft gedaan, waarbij is afgesloten met ‘Als we er zo niet uitkomen, procederen we vrolijk door’. [gedaagde] betwist dat en voert onder meer aan dat met het woord ‘vrolijk’ geen letterlijke, maar figuurlijke betekenis is bedoeld.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om [gedaagde] in de volledige proceskosten te
veroordelen. Met de door [eiser] gestelde gedragingen van [gedaagde] is geen sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van
oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag van de gehele betaling;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter