RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/350487 / JU RK 24-457 en C/15/350827 / JU RK 24-497
Datum uitspraak: 8 mei 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling, machtiging tot uithuisplaatsing en vervanging van de gecertificeerde instelling
in de zaak van
de Jeugd- & Gezinsbeschermers te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen [de minderjarige 1] ,
[de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ( [land] ),
hierna te noemen [de minderjarige 2] ,
[de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. J.J. Stobbe, kantoorhoudende te Utrecht,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling
ten aanzien van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de uithuisplaatsing (C/15/350487 / JU RK 24-457):
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 20 maart 2024.
ten aanzien van het verzoek tot vervanging van de GI (C/15/350827 / JU RK 24-497):
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 27 maart 2024.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 mei 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de vader bijgestaan door zijn bewindvoerder [bewindvoerder] ;
de moeder bijgestaan door haar advocaat;
[vertegenwoordiger van de GI] namens de GI;
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , die voorafgaand aan de zitting apart zijn gehoord.
De ouders zijn ter zitting bijgestaan door een tolk in de Franse taal, [tolk] .
2. De feiten
Het ouderlijk gezag over [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de ouders. Het ouderlijk gezag over [de minderjarige 3] wordt uitgeoefend door de moeder.
[de minderjarige 2] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] wonen bij de moeder.
Bij beschikking van de kinderrechter van 14 mei 2020 zijn [de minderjarige 2] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] onder toezicht gesteld, welke ondertoezichtstelling steeds is verlengd en nu nog voortduurt tot 14 mei 2024.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] bij netwerkpleegzorg of een zorgaanbieder jeugdhulp voor de duur van een jaar.
De GI heeft daartoe het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige 2] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] worden nog steeds bedreigd in hun fysieke, sociaal emotionele en cognitieve ontwikkeling. Het lukt de moeder onvoldoende de zorg en regie rondom de kinderen te organiseren. De hulpverlening geeft aan niet verder te kunnen met de moeder, omdat de geleerde vaardigheden niet lijken te beklijven.
In het afgelopen jaar zijn meerdere zorgmeldingen binnengekomen omtrent [de minderjarige 3] met betrekking tot hygiëne, taalontwikkeling, sociaalemotionele- en motorische ontwikkeling. Het consultatiebureau is betrokken geraakt. Een logopedist en een orthopedagoog hebben een observatie gedaan op de groep van het kinderdagverblijf. Het advies van de orthopedagoog is een dagbehandeling van Kenter Jeugdhulp. [de minderjarige 3] is begin maart 2024 gestart bij de [observatiegroep] , observatiegroep van Kenter. Ook daar worden zorgen gemeld. [de minderjarige 3] krijgt geen brood mee, ze komt vaak met een volle luier en heeft vaak vieze kleren aan. Ook begint zij ineens vanuit het niets heel erg te huilen. Verder is [de minderjarige 3] aanwezig geweest bij een vechtpartij tussen de moeder en een buurtbewoner. De moeder ziet niet in dat dit een heftige ervaring is geweest voor [de minderjarige 3] .
[de minderjarige 1] komt regelmatig te laat op school. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] krijgen weinig emotionele aandacht en willen graag langer op school blijven omdat ze niet naar huis willen. Ze moeten hun zaken veelal zelf regelen en ervaren weinig betrokkenheid van de moeder. De kinderen vinden het moeilijk om openheid van zaken te geven; ze zijn loyaal naar de moeder en zijn bang dat ze straf krijgen van de moeder. De moeder heeft de kinderen ook onder druk gezet om niet met de kinderrechter te praten, aldus de GI.
Betrokken hulpverleners en de GI zien geen positieve band tussen de moeder en de kinderen. De moeder toont geen affectie naar de kinderen en geeft de kinderen straffen die niet passend zijn. De moeder geeft aan dat haar opvoeding niet Nederlands is en daarom niet voldoet aan de verwachtingen van de Nederlandse maatschappij. Betrokken partijen zien pedagogische onmacht bij de moeder. Dit kan deels worden verklaard vanwege haar verstandelijke beperking. De moeder toont geen bereidheid in het accepteren van noodzakelijke opvoedingsondersteuning en andere noodzakelijke begeleiding. Het gaat al vier jaar niet goed genoeg bij de moeder thuis en de GI ziet eerder een verslechtering dan een verbetering. De GI ziet geen mogelijkheden meer in de thuissituatie. Een netwerkplaatsing bij de oom en tante mz in [plaats] moet onderzocht worden. De kinderen voelen zich daar prettig en lijken daar te krijgen wat ze nodig hebben. Het is belangrijk dat de moeder een netwerkplaatsing bij de oom en tante kan ondersteunen. De gezinsmanager woont in [plaats] en is bereid om af en toe met de kinderen naar [plaats] te reizen zodat zij de vader kunnen zien, die bij Heliomare verblijft.
Naast de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing heeft de GI ook verzocht om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: WSS), gevestigd te Amsterdam.
De GI heeft dit verzoek als volgt toegelicht. Uit het psychologisch onderzoek van MEE & de Wering volgt dat de moeder moeilijk tot zeer moeilijk lerend is. De moeder heeft een SON-IQ van 59. De moeder wordt in het dagelijks leven structureel overvraagd. Het is in de begeleiding noodzakelijk dat rekening gehouden wordt met het moeilijk kunnen leren van de moeder. De WSS kan daarom beter bij de moeder aansluiten. De aangeboden NIKA-training/opvoedondersteuning beklijft niet en de hulp door Sensazorg is beëindigd omdat er onvoldoende doelen werden behaald.
De WSS heeft geen bereidverklaring overgelegd omdat zij vinden dat de GI eerst een machtiging tot uithuisplaatsing moet regelen. Daarom is al langere tijd sprake van een patstelling. Het gezin is daar niet mee geholpen.
4. De standpunten
De moeder voert geen verweer tegen de verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en benoeming van een andere GI. De moeder heeft altijd meegewerkt aan de hulpverlening en zal dit blijven doen. De moeder is bereid om naar [plaats] te verhuizen, dichtbij de oom en tante mz van de kinderen. Ze heeft al woonruimte gevonden in [plaats] en kan daar ondersteuning krijgen van haar zus. Als de moeder daar woont kan (zonodig) ook aan een netwerkplaatsing bij de oom en tante worden gedacht. De moeder verzoekt om het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing drie maanden aan te houden zodat ze een verhuizing naar [plaats] kan voorbereiden en uitvoeren. Er bestaat geen aanleiding om de kinderen acuut uit huis te plaatsen. Dat zou traumatisch zijn voor de kinderen.
De moeder is slachtoffer geweest van een geweldsincident met een buurtbewoner, dat kan haar niet worden tegengeworpen.
De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat de moeder hem met de kinderen bezoekt. De vader heeft al zijn energie nodig voor zijn revalidatietraject, maar de kinderen zijn heel belangrijk voor hem.
[de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] staan achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Ze hebben een fijn contact met hulpverlener [hulpverlener] . De kinderen geven aan dat de moeder het goed genoeg doet en dat ze veel zelfstandig kunnen. Zowel [de minderjarige 1] als [de minderjarige 2] blijven liever thuis wonen. [de minderjarige 2] vindt het spannend als hij niet weet waar hij zou moeten wonen. Bij zijn oom en tante mz in [plaats] zou de beste optie zijn. Voor [de minderjarige 1] geldt hetzelfde maar hij heeft zich daarover nog sterker uitgesproken dan zijn broer [de minderjarige 2] .
5. De beoordeling
rechtsmacht en toepasselijk recht
Door de omstandigheid dat de ouders en de kinderen de Ivoriaanse nationaliteit hebben, moet eerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Nu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 2] , [de minderjarige 1] en [de minderjarige 3] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:113 van het Burgerlijk Wetboek (BW) jo artikel 7 Brussel II ter rechtsmacht toe en kan de rechter op dit verzoek beslissen.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is in deze zaak. Op grond van artikel 15, eerste lid, van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing op het verzoek, nu de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.
ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat nog steeds is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
[de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] worden bedreigd in hun fysieke, sociaalemotionele en cognitieve ontwikkeling. De vader is vanwege zijn gezondheid niet in staat om voor de kinderen te zorgen en de moeder is onmachtig om [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] de zorg en structuur te bieden die zij nodig hebben. De moeder lijkt de zorgen niet in te zien, staat onvoldoende open voor hulpverlening en weet daarvan niet te profiteren. De situatie in de thuissituatie is het afgelopen jaar, ondanks ingezette hulpverlening, wederom niet verbeterd. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] profiteren wel van de ingezette hulpverlening door Pluspunt, Sensazorg en Kenter Jeugdhulp. Voor hen moet worden gewaarborgd dat deze hulp wordt voorgezet en eventueel uitgebreid. De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] verlengen voor de duur van een jaar (artikel 1:260, eerste lid, BW).
De kinderrechter houdt de beslissing op het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing aan voor de duur van vier maanden. De GI zal nader moeten onderzoeken en onderbouwen of en waarom een machtiging tot een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dient daarbij onderzocht te worden of een machtiging tot uithuisplaatsing -gelet op hun leeftijd en zelfstandigheid- voorkomen kan worden door de hulpverlening binnen het kader van ondertoezichtstelling verder uit te breiden. Ten aanzien van alle kinderen dient onderzocht te worden of een machtiging tot uithuisplaatsing voorkomen kan worden door een verhuizing van de moeder met de kinderen naar [plaats] . Indien de GI van oordeel is dat een machtiging tot uithuisplaatsing toch noodzakelijk is dient onderzocht te worden of de oom en tante mz bereid en bekwaam zijn om de kinderen in huis te nemen, of de moeder daarachter kan staan en op welke wijze het contact tussen de kinderen en de vader gefaciliteerd kan worden. Indien uit het onderzoek naar voren komt dat een netwerkplaatsing bij de oom en tante toch niet tot de mogelijkheden behoort en de GI het verzoek handhaaft, dient de GI met een ander concreet voorstel te komen.
Voorts dient de moeder in de komende vier maanden de kans te krijgen om de voorgenomen verhuizing naar [plaats] voor te bereiden en uit te voeren. De kinderrechter benadrukt dat het in het belang van de kinderen wordt geacht dat de moeder en de oom en tante in elkaars nabijheid wonen, zowel in het geval dat de kinderen bij de moeder kunnen blijven wonen als in het geval dat een machtiging tot uithuisplaatsing bij de oom en tante nodig zou zijn. In beide gevallen dient de omgang tussen de kinderen met de vader gefaciliteerd te worden en dient een overdracht naar de hulpverlening in [plaats] plaats te vinden.
vervanging van de GI
De kinderrechter houdt de beslissing op het verzoek tot vervanging van de GI eveneens voor vier maanden aan, nu deze beslissing samenhangt met de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing en of de moeder naar [plaats] verhuist. Indien de WSS zich niet bereid verklaart om te ondertoezichtstelling uit te voeren verwacht de kinderrechter dat de WSS hierover een schriftelijk standpunt inneemt.
6. De beslissing
De kinderrechter:
in de zaak C/15/350487 / JU RK 24-457
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] tot 14 mei 2025;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
houdt de beslissing over de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] aan tot 9 september 2024;
in de zaak C/15/350827 / JU RK 24-497
houdt de beslissing over de vervanging van de GI aan tot 9 september 2024;
in beide zaken
bepaalt dat de GI de kinderrechter uiterlijk op 9 september 2024 schriftelijk informeert over de dan geldende stand van zaken en gewenste procesgang, waarna de kinderrechter het verdere verloop van de procedure zal bepalen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024 door mr. E.C.M. van Mierlo, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.E.J. van Schie als griffier, en op schrift gesteld op 22 mei 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.