ECLI:NL:RBNHO:2024:14328

ECLI:NL:RBNHO:2024:14328

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 11-12-2024
Datum publicatie 09-06-2026
Zaaknummer K/4101/10881199
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

In deze zaak gaat het om de vraag of de uitbouw onrechtmatige hinder oplevert. De kanonrechter komt tot het oordeel dat dit het geval is. Gedaagden worden daarom veroordeeld om de uitbouw te verlagen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 10881199 \ CV EXPL 24-130 TvW

Vonnis van 11 december 2024

op het verzoek ex artikel 96 Rv van:

[verzoeker] ,

te [plaats] ,

verzoekster,

hierna te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: mr. P.W.J.C. van Peer,

tegen

1. [verweerder 1] ,

te [plaats] ,2. [verweerder 2],

te [plaats] ,

verweerders,

hierna samen te noemen: [verweerder 1] en [verweerder 2] ,

gemachtigde: mr. J. Weeseman.

1. De zaak in het kort

In deze zaak gaat het om de vraag of de uitbouw onrechtmatige hinder oplevert. De kanonrechter komt tot het oordeel dat dit het geval is. [verweerder 1] en [verweerder 2] worden daarom veroordeeld om de uitbouw te verlagen.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 januari 2024 met producties,

- de conclusie van antwoord met producties,

- de akte uitlating eisende partij,

- de akte uitlating gedaagde partijen,

- het tussenvonnis van 22 mei 2024, waarin de kantonrechter op het door beide partijen gedane verzoek ex artikel 96 Rv zich bevoegd heeft verklaard. Partijen hebben zich het recht van hoger beroep voorbehouden,

- de mondelinge behandeling ter plaatse van 14 oktober 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

3. De feiten

Partijen zijn buren van elkaar. [verzoeker] is eigenaar van de woning aan [adres 1] te [plaats] . Op 4 mei 2021 zijn [verweerder 1] en [verweerder 2] eigenaar geworden van de woning aan [adres 2] te [plaats] .

De achtererven van de woningen grenzen aan elkaar. Een gele kalkstenen muur aan de kant van [verzoeker] functioneerde als scheiding tussen de achtertuin van [verzoeker] en het perceel van [verweerder 1] en [verweerder 2] . Deze gele muur was geplaatst tegen de achterzijde van de woning van [verzoeker] en was op het hoogste punt 323 centimeter bij de woning en liep schuin af tot een hoogte van 240 centimeter aan het einde van de achtertuin. Deze gele muur stond er sinds de jaren ’70 (hierna: de gele muur). De achtertuin van [verzoeker] is bestraat en ommuurd.

Aan de kant van de woning van [verweerder 1] en [verweerder 2] is op enig moment (door de vorige eigenaar) tegen de gele muur een aanbouw met een golfplaten dak gebouwd, gelijk aan de hoogte van de gele muur.

Tussen partijen is op 10 mei 2021 voor het eerste contact geweest over de plannen van [verweerder 1] en [verweerder 2] om de aanbouw te vervangen door een nieuwe uitbouw. De vergunning daarvoor is op 5 november 2021 is verleend.

Om de uitbouw te realiseren is met toestemming van [verzoeker] de gele muur afgebroken.

De uitbouw heeft aan de kant van [verzoeker] een blinde muur, bestaande uit getimmerde cementplaten in een houten skelet, met een hoogte van 354 cm over de gehele lengte van de achtertuin van [verzoeker] . Deze staat op de plek waar eerst de gele muur stond.

De gemeente heeft op 16 februari 2022 bij de uitbouw een hoogte overschrijding van 13 cm geconstateerd. Voor de hoogteoverschrijding is op 23 mei 2022 de vergunning verleend. Het bezwaar van [verzoeker] daartegen is op 16 augustus 2022 door de gemeente afgewezen.

Bij e-mail van 6 mei 2022 heeft [verzoeker] aan [verweerder 1] en [verweerder 2] bericht dat een kadastrale meting heeft plaatsgevonden waarbij is geconstateerd dat de uitbouw over de erfgrens op het achtererf van [verzoeker] staat. Er is sprake van een overbouw van 8 tot 14 cm op het perceel van [verzoeker] .

4. Het geschil

[verzoeker] vordert

- [verweerder 1] en [verweerder 2] , hoofdelijk, te gebieden om de onrechtmatige hinder, inhoudende de substantiële vermindering van zonlicht op het perceel van [verzoeker] te staken en gestaakt te houden, zodanig dat [verweerder 1] en [verweerder 2] , hoofdelijk, wordt bevolen om de uitbouw te verlagen, waardoor [verzoeker] weer zonlicht op haar perceel zal ontvangen, op straffe van een dwangsom;

- [verweerder 1] en [verweerder 2] , hoofdelijk, te gebieden om de door hen verwijderde muur te herstellen, zodanig dat [verweerder 1] en [verweerder 2] een nieuwe, gemetselde stenen muur, voorzien van stucwerk, ter plaatse terugplaatsen, op straffe van een dwangsom;

-hoofdelijke veroordeling van [verweerder 1] en [verweerder 2] tot betaling van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 700,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en ook de proceskosten.

[verzoeker] stelt daartoe, kort samengevat, dat als gevolg van de hoge door [verweerder 1] en [verweerder 2] gerealiseerde uitbouw de lichtinval op het perceel van [verzoeker] substantieel verminderd is. Er is sprake van onrechtmatige hinder. Ten aanzien van de overbouw is sprake van een inbreuk op de eigendomsrechten van [verzoeker] . Ook hiermee hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] tegenover [verzoeker] onrechtmatig gehandeld.

[verweerder 1] en [verweerder 2] voeren verweer. Zij vinden dat de vordering van [verzoeker] moet worden afgewezen en willen dat [verzoeker] in de proceskosten wordt veroordeeld.

[verweerder 1] en [verweerder 2] stellen, kort samengevat, dat de uitbouw is gerealiseerd op de locatie waar ook de oude gele muur stond. De oude muur was eigendom van [verweerder 1] en [verweerder 2] , aangezien die daar al sinds de jaren ’70 stond. De feitelijke erfgrens is dan ook de juridische erfgrens en van overbouw is geen sprake. [verweerder 1] en [verweerder 2] stellen verder dat de hinder die [verzoeker] ondervindt niet onaanvaardbaar is. De woningen van partijen staan in stedelijk gebied. Door de hogere bebouwing is al snel sprake van schaduwval. Tot slot stellen [verweerder 1] en [verweerder 2] dat zij bereid zijn de nieuwe muur van stucwerk te voorzien.

5. De beoordeling

In deze zaak gaat het om de vraag of [verweerder 1] en [verweerder 2] kunnen worden veroordeeld tot, kort gezegd, verlaging van de uitbouw en herstel van de gele muur door terugplaatsing van een nieuwe gemetselde muur, voorzien van stucwerk. Aan deze vordering heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat sprake is van onrechtmatige hinder door de uitbouw van [verweerder 1] en [verweerder 2] . De kantonrechter overweegt hierover als volgt.

Onrechtmatige hinder

Als onvoldoende betwist kan worden vastgesteld dat [verzoeker] hinder ondervindt van de uitbouw, bestaande uit verlies van lichtinval op haar perceel, met name in de achtertuin. De kantonrechter heeft dit bij de mondelinge behandeling ter plaatse ook kunnen waarnemen. Niet iedere hinder is echter onrechtmatig. Beoordeeld moet worden of de veroorzaakte hinder zodanig ernstig is dat deze in de gegeven situatie als maatschappelijk onbetamelijk en daarmee als onrechtmatig moet worden aangemerkt in de zin van de artikelen 5:37 en 6:162 van het Burgerlijk Wetboek.

Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de ernst en de duur daarvan en de daardoor veroorzaakte schade, in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Een vaste norm voor de toetsing van onrechtmatige hinder door het wegnemen van zonlicht ontbreekt; een onbeperkt recht op zonlicht ontbreekt evenzeer.

De kantonrechter is van oordeel dat door de aard, duur en ernst van de hinder en de daardoor toegebrachte schade de uitbouw onrechtmatig is. Daarvoor is het volgende redengevend.

Allereerst beneemt de zijmuur van de uitbouw door de hoogte daarvan (ruim drieënhalve meter) over de gehele lengte van de achtertuin voor [verzoeker] in wezen al het uitzicht naar de kant van de uitbouw. De hoogte van ruim drieënhalve meter houdt een forse overschrijding in van de twee meter hoogte die volgens artikel 5:49 BW normaal gesproken geldt voor een scheidsmuur tussen aangrenzende erven. Er resteert vrijwel geen vrij uitzicht als je in de achtertuin staat. Dit betekent dat ook de lichtinval aan de kant van [verzoeker] aanzienlijk is belemmerd. Door de beperkte grootte van de betegelde achtertuin van [verzoeker] en de overige ommuring ontstaat een koker effect. Dit alles wordt versterkt door het feit dat de uitbouw hoger en anders vorm gegeven is dan de oorspronkelijke situatie waarbij de gele muur schuin afliep. Het gaat om een verschil in hoogte van ruim 20 centimeter (volgens [verzoeker] 32 centimeter) bij de woning en ruim een meter (114 centimeter) aan het einde van de uitbouw (door het niet schuin aflopen). Hierdoor treedt minder licht binnen dan voorheen en wordt het uitzicht op de lucht, zowel vanaf de woning als de achtertuin aanzienlijk meer belemmerd. De aanwezigheid van een hoge blinde muur in een strakke horizontale lijn over de gehele lengte van de achtertuin leidt tot een wezenlijk andere beleving van licht en uitzicht. Immers, er is thans geen sprake meer van een aflopende lijn, die qua hoogte aansloot op de achtermuur van de achtertuin, maar een naar boven uitstekende rechthoek waar de uitbouw eindigt. Een en ander levert een aanzienlijke stoornis op in het genot van het eigendom van [verzoeker] .

Partijen wonen in de historische binnenstad van [plaats] waar sprake is van woningen die dicht op elkaar zijn gebouwd. Door deze dichte bebouwing is het niet ongebruikelijk dat zonlicht en uitzicht op en van het erf wordt weggenomen, zoals [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben aangevoerd. De belemmering van lichtinval en uitzicht is bij dit soort woonsituaties een gegeven, maar geen argument om aan te nemen dat de uitbouw met zijn omvang maar moet worden geduld. Immers, de lichtinval en uitzicht zijn in dit geval juist zwaarwegend. Van geval tot geval zal beoordeeld moeten worden wat als belemmering aanvaardbaar moet worden geacht. In dit geval kan op basis van de stukken en het verhandelde bij de mondelinge behandeling ter plaatse worden vastgesteld dat nog maar een klein deel van de achtertuin en slechts in een korte periode van het jaar zoninval heeft. Dit wordt bevestigd door de groene aanslag op de tegels, waarop [verzoeker] heeft gewezen. Aldus is sprake van een substantiële en voortdurende vermindering van lichtinval op het erf van [verzoeker] . Aangenomen kan namelijk worden dat de uitbouw niet slechts voor een korte periode is opgericht.

De uitbouw van [verweerder 1] en [verweerder 2] is een vernieuwing met een uitbreiding van de al bestaande uitbouw van de woning. Gelet op de krapte op de huidige woningmarkt hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] belang bij deze uitbreiding van de woning. [verzoeker] heeft dat belang erkend door in te stemmen met de afbraak van de gele muur ten behoeve van de uitbouw. Bij deze instemming had [verzoeker] echter voor ogen dat bij de uitbouw een nieuwe muur zou worden opgericht, zoals in oude situatie, voorzien van stucwerk, zo heeft [verzoeker] toegelicht. Dit hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] echter niet gedaan, omdat zij zonder overleg met [verzoeker] een hogere uitbouw met horizontale lijn hebben geplaatst. Ter zitting hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] op vragen van de kantonrechter erkend dat zij bij het overleg met [verzoeker] over de nieuwe uitbouw de precieze omvang niet hebben vermeld (omdat [verzoeker] dit wel in de krant kon lezen). Voor zover [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben willen stellen dat [verzoeker] niet op haar instemming kan terug komen faalt dat verweer daarom.

De vordering van [verzoeker] houdt niet in dat de uitbouw moet worden verwijderd, maar een herstel van de oude situatie. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat die vordering kan worden toegewezen in die zin dat de uitbouw, zoals die er nu staat aan de kant van [verzoeker] in hoogte wordt verlaagd volgens de maten van de verwijderde gele muur. Hiermee wordt voldoende rekening gehouden met het gewicht van de belangen die door de uitbouw worden gediend. Voor wat betreft de kosten die met deze verlaging zijn gemoeid hebben [verweerder 1] en [verweerder 2] niets gesteld. In het kader van de belangenafweging heeft de kantonrechter op dit punt geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. Het aanbod van [verweerder 1] en [verweerder 2] om de wand van de uitbouw te stuken en van beplanting te voorzien is onvoldoende om de onrechtmatige hinder te ondervangen.

De vordering van [verzoeker] onder a) en b) zal daarom worden toegewezen als na te melden, met dien verstande dat de termijn voor verbeurte van een dwangsom zal worden verlengd tot zes maanden. Daarvoor is aanleiding omdat voor de het realiseren van verlaging van de uitbouw begrijpelijkerwijs een langere termijn is gemoeid dan 4 weken. De dwangsom zal worden beperkt tot een bedrag van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-.

Omdat de vordering reeds wordt toegewezen op grond van onrechtmatige hinder wordt aan bespreking van de gestelde inbreuk op het eigendomsrecht van [verzoeker] door de overbouw niet toegekomen.

Nevenvorderingen

De gevorderde vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten ad € 700,- wordt toegewezen, aangezien voldoende is gesteld en gebleken dat [verzoeker] kosten heeft gemaakt om haar vordering buiten de rechter om te realiseren. Het bedrag valt binnen het tarief dat volgens de aanbevelingen uit het Rapport BGK-integraal geldt ten aanzien van de hoogte van voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke kosten bij vorderingen van onbepaalde waarde. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten is niet toewijsbaar, nu gesteld noch gebleken is dat deze kosten daadwerkelijk zijn betaald.

[verweerder 1] en [verzoeker] zullen met de proceskosten worden belast, omdat zij in het ongelijk worden gesteld. De proceskosten worden aan de kant van [verzoeker] begroot op:

Griffierecht € 87,-

Explootkosten € 139,56

Salaris gemachtigde € 812,-

Nakosten € 135,- (plus de kosten van betekening, vermeld in beslissing)

---------------------------------

Totaal € 1.173,56, voor zover van toepassing inclusief b.t.w.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

[verweerder 1] en [verweerder 2] hebben bezwaar gemaakt tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring van het vonnis. Alhoewel de kantonrechter inziet dat verlaging van de uitbouw een impactvolle maatregel is die kosten meebrengt, is ook evident dat [verzoeker] er belang heeft dat direct wordt voldaan aan de veroordeling daartoe. Dit belang weegt naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder. Dit betekent dat de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [verweerder 1] en [verweerder 2] , hoofdelijk, om binnen zes maanden na betekening van het vonnis de onrechtmatige hinder, inhoudende de substantiële vermindering van zonlicht op het perceel van [verzoeker] te staken en gestaakt te houden, zodanig dat [verweerder 1] en [verweerder 2] , hoofdelijk, wordt bevolen om de uitbouw te verlagen (tot een hoogte van 323 centimeter bij de woning van [verzoeker] ) en schuin te laten aflopen (tot een hoogte van 240 centimeter aan het einde van de achtertuin van [verzoeker] ), op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-;

veroordeelt [verweerder 1] en [verweerder 2] , hoofdelijk, om binnen zes maanden na betekening van het vonnis de door hen verwijderde muur te herstellen, zodanig dat de zijmuur van de uitbouw aan de kant van het perceel van [verzoeker] wordt verlaagd, zoals hiervoor onder 6.1 omschreven, voorzien van stucwerk, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 10.000,-;

veroordeelt [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk tot betaling van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 700,00;

veroordeelt [verweerder 1] en [verweerder 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.173,56, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe;

veroordeelt [verweerder 1] en Staas hoofdelijk tot betaling van de kosten van betekening als zij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 11 december 2024.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand