ECLI:NL:RBNHO:2024:14336

ECLI:NL:RBNHO:2024:14336

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 17-12-2024
Datum publicatie 23-09-2026
Zaaknummer 15/993000-18 (ontneming)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Hoogte wederrechtelijk voordeel vastgesteld op € 562.611,23 met verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 500.000,00.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/993000-18 (ontneming) (P)

Uitspraakdatum : 17 december 2024

vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 1 december 2022 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:

[naam veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

Hierna te noemen: ‘de veroordeelde’.

1. De vordering

De officier van justitie heeft bij vordering van 1 december 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, Sr zal vaststellen op € 580.550,53 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De vordering is gebaseerd op het veroordelend vonnis van deze rechtbank van 3 december 2020 (parketnummer 15/993000-18), waarin bewezen is verklaard dat de veroordeelde in de periode van 1 maart 2009 tot en met 1 december 2014 zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. Het is volgens de officier van justitie aannemelijk dat dit op enigerlei wijze ertoe heeft geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.

2. Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 28 maart 2023. Dit betrof een zogeheten regiezitting.

Ter terechtzitting van 28 maart 2023 zijn gehoord de raadsman van de veroordeelde, mr. M.M. Kuyp, advocaat te Laren en de officier van justitie. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden voor onbepaalde tijd en de stukken in handen gesteld van de rechter-commissaris teneinde een aantal getuigen te horen. Tevens zijn termijnen afgesproken in verband met de schriftelijke voorbereiding van de ontnemingszaak.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde gewisselde conclusies

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 5 november 2024. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, advocaat mr. W.S. de Zanger, waarnemend voor mr. M.M. Kuyp, en de officier van justitie, mr. L.M.J. Backx.

Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 17 december 2024 of zoveel eerder als mogelijk.

3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de aanvankelijk op € 580.550,53 gestelde ontnemingsvordering dient te worden verminderd met de volgende bedragen:

De officier van justitie heeft gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 557.611,23 en dat de betalingsverplichting voor datzelfde bedrag wordt opgelegd. De duur van de gijzeling dient te worden gesteld op 1 dag voor iedere € 50,- met een maximum van 3 jaar.

In reactie op de door de verdediging gevoerde verweren, heeft de officier van justitie aangevoerd dat het Openbaar Ministerie wel ontvankelijk is, omdat de ontnemingsvordering conform artikel 511b, eerste lid, Sv tijdig bij de rechtbank aanhangig is gemaakt. De hypotheekkosten voor het pand in Enkhuizen komen niet voor aftrek in aanmerking, omdat geen sprake is van noodzakelijke kosten die extra zijn gemaakt ten behoeve van het strafbare feit.

4. Het standpunt van de veroordeelde en zijn raadsman

OM niet-ontvankelijk

De ontnemingsvordering is niet, zoals de wet in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering (Sv) voorschrijft, 'zo spoedig mogelijk' na de uitspraak in eerste aanleg bij de rechtbank aanhangig gemaakt. Het vonnis in de strafzaak is gewezen op 3 december 2020. De ontnemingsvordering is bijna twee jaar later, op 1 december 2022, opgesteld. Op 13 december 2022 (dus na afloop van de tweejaarstermijn) is de akte van uitreiking opgemaakt, waarin is ingevuld dat de brief niet aan cliënt maar aan zijn vrouw is uitgereikt, zodat cliënt ook toen nog in onzekerheid verkeerde over de vraag of er een ontnemingsvordering tegen hem zou worden ingediend.

Primair dient dit te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair tot een matiging van de betalingsverplichting.

Hypotheekkosten

De kosten van hypotheek die betrekking hadden op het pand aan [locatie pand], te weten € 49.103,57, dienen als kosten te worden afgetrokken van het ontnemingsbedrag. Het pand is immers gebruikt voor de werkzaamheden in het kader van de bewezenverklaarde oplichting via BEANK en staat daarom in direct verband met het strafbare feit.

Redelijke termijn overschrijding

Ter terechtzitting heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn aangevangen is op primair: 25 juli 2014 (datum eerste verdachtenverhoor, terwijl hij omstreeks die tijd ook zal hebben vernomen dat bij zijn broer doorzoeking ter inbeslagneming had plaatsgevonden), subsidiair: 23 juni 2016 (datum tweede verdachtenverhoor) en meer subsidiair 19 november 2020 (aankondiging aanhangig maken ontnemingsvordering). Met een te verwachten vonnis op 17 december 2024 is daarmee de redelijke termijn dus met acht jaar, vier maanden en 25 dagen, respectievelijk zes jaar, vijf maanden en 24 dagen, of twee jaar en 28 dagen overschreden. De raadsman verzoekt aansluiting te zoeken bij bepaalde uitspraken in de rechtspraak, waarbij - gelet op de uitzonderlijke termijnoverschrijding - een matiging van 50% van de betalingsverplichting werd toegepast. Subsidiair wordt verzocht een matiging met 20% of 10% toe te passen.

5. Oordeel van de rechtbank

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Blijkens het bepaalde in artikel 511b, eerste lid, Sv, dient de ontnemingsvordering zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg in de hoofdzaak bij de rechtbank aanhangig te worden gemaakt.

Voor het moment van ‘aanhangig maken’ is bepalend de datum waarop de ontnemingsvordering is gedateerd (Vgl. Hoge Raad 26 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5591).

In het onderhavige geval is in de hoofdzaak uitspraak gedaan op 3 december 2020. De ontnemingsvordering is gedateerd op 1 december 2022. Er is derhalve nog geen twee jaar verstreken tussen de uitspraak in de hoofdzaak en het aanhangig maken van de ontnemingsvordering. De rechtbank is daarom met de officier van justitie en anders dan de verdediging van oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vordering tot ontneming.

De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Grondslag van de vordering

De onderhavige vordering heeft betrekking op het geval van veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waarbij aannemelijk is dat deze feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gekregen.

Bij vonnis van deze rechtbank van 3 december 2020 is veroordeelde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarbij is bewezenverklaard dat:

hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 1 december 2014 te Bovenkarspel en/of elders in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels, personen heeft bewogen tot de (girale) afgifte van een of meer geldbedragen, te weten van [slachtoffer A] (G-001-01) 375,- EURO (DOC-115)en [slachtoffer B] (G-002-01) 675,- EURO (DOC-118)en [slachtoffer C] (G-008) 1.725,- EURO (DOC-134)en [slachtoffer D] (G-010-01) 5.775,- EURO (DOC-137), immers hebben hij en een mededader telkens, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (bedoelde personen) via (onder andere) de website van BEANK en/of de website van ACC-APP en/of nieuwsbrieven van BEANK en/of ACC-APP en/of tussenperso(o)n(en), benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan (het project) BEANK en/of ACC-APP en daarbij voorgewend dat er, na betaling van (een bijdrage van) 75,- EURO per polis, voor deelnemers in BEANK en/of ACC-APP, één of meer polissen zouden worden gereserveerd en/of aangekocht (die 32.500,- EURO per polis zouden opleveren), en/of de opbrengst per polis 32.500,- EURO zou zijn, en/of de partner(s) van BEANK en/of ACC-APP een (internationale) bank en/of verzekeringsmaatschappij zou(den) zijn, en/of het project BEANK en/of ACC-APP (vanaf 5 polissen) geen risico zou kennen, en/of deelnemers in BEANK en/of ACC-APP bij 5 of meer polissen de garantie kregen dat zij het betaalde geld terugkregen wanneer het concept niet zou slagen en/of het programma niet zou worden uitgevoerd, waardoor bovengenoemde personen (telkens) werden bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemde geldbedragen.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feit. Nu het bewezen verklaarde feit als medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd is gekwalificeerd duidt de rechtbank dit hierna aan als ‘strafbare feiten’.

De ontnemingsrapportage

Op 4 juli 2022 heeft de verbalisant [verbalisant X], opsporingsambtenaar bij Belastingdienst/FIOD, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als ‘de ontnemingsrapportage’.

Bij de ontnemingsrapportage zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak. Onder verwijzing naar de inhoud van deze tot bewijs strekkende bijlagen zijn in de ontnemingsrapportage gevolgtrekkingen gemaakt die zijn uitgedrukt in posten die aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag zijn gelegd.

6. Beoordeling van de ontnemingsvordering

Naar aanleiding van de ontnemingsvordering, de schriftelijke conclusiewisseling en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit de baten van de bewezen verklaarde feiten. Dit voordeel moet hem worden ontnomen.

De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in de ontnemingsrapportage zijn opgenomen en ontleent aan de inhoud daarvan, met inachtneming van het navolgende, tevens de schatting van bedoeld voordeel.

De ontnemingsrapportage

In de ontnemingsrapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de onderzoeksperiode van 1 maart 2009 tot en met 1 december 2014 berekend. Die berekening is, zoals weergegeven op pagina 10 van het ontnemingsrapport, als volgt:

Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel

Inkomsten

Inkomsten vanuit BEANK (hoofdstuk 5.2.1)

€ 749.565.14

Totaal inkomsten

€ 749.565,14

Uitgaven

Deel [medeverdachte] (hoofdstuk 5.2.2)

€ 160.000,00-/-

Zichtbare kosten (hoofdstuk 5.2.2)

€ 9.014,61 -/-

Totaal uitgaven

€ 169.014,61 -/-

Totaal wederrechtelijk voordeel

€ 580.550,53

Beoordeling van de berekening en bespreking van verweren

De rechtbank stelt voorop dat zij bij haar oordeel over de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebonden aan het in de onderliggende strafzaak uitgesproken oordeel. De ontnemingsrechter komt uiteraard wel een zelfstandig oordeel toe over verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel kan worden geschat.

De rechtbank gaat uit van het hierboven weergegeven bedrag aan inkomsten uit de bewezenverklaarde strafbare feiten, te weten € 749.565,14.

De rechtbank volgt de officier van justitie en de verdediging voor wat betreft de in mindering te brengen kosten, te weten in totaal € 186,953,91.

De berekening van het ontnemingsbedrag komt daarmee op het volgende neer:

Inkomsten BEANK € 749.565,14

Deel [medeverdachte] € -160.000,00

Kosten (h.5.2.3 ontnemingsrapport) € -9.014,61

Kosten (n.a.v. aanvullend pv 6-9-2023) € -10.285,83

Kosten (n.a.v. CvA 9-1-2024) € -7.653,47

Totaal wederechtelijk voordeel € 562.611,23

Hypotheekkosten

Dat het pand dienst deed als locatie van waaruit de oplichtingspraktijk met BEANK plaats vond, is door de verdediging eerst ter terechtzitting van 5 november 2024 naar voren gebracht. Stukken ter onderbouwing van die stelling zijn echter niet overgelegd. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de hypotheekkosten voor het gehele opgevoerde bedrag noodzakelijk waren en zijn gemaakt ten behoeve van de strafbare feiten.

Wel acht de rechtbank het aannemelijk dat het pand in algemene zin gebruikt is voor bepaalde bedrijfsmatige activiteiten, waaronder ook werkzaamheden ten behoeve van de strafbare feiten. Het is niet ondenkbaar te achten dat het ‘hebben’ van een vaste locatie in de zin van dit pand (ter versterking van een bepaald imago) in bepaalde mate heeft bijgedragen aan een (misplaatst) vertrouwen bij de mensen die geld hebben belegd in een naar later bleek niet bestaand product. Daarom komt deze kostenpost als niet geheel onaannemelijk gedeeltelijk voor aftrek in aanmerking. Voor welk deel dat is heeft de rechtbank geen aanknopingspunt of verdeelsleutel, maar zal na de bespreking van de redelijke termijnoverschrijding daar verder op in gaan in het kader van de schattingsbevoegdheid die de rechtbank kan hanteren.

7.Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Redelijke termijnoverschrijding

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn start op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.

Als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is het moment, bedoeld in artikel 311, lid 1 Sv, waarop de officier van justitie in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten 19 november 2020. De eerdere door de verdediging genoemde data komen daarvoor niet in aanmerking, omdat het verdachtenverhoor in de jurisprudentie niet wordt aangemerkt als moment waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat er tegen hem een strafrechtelijke vervolging zal worden ingesteld. Dat hij tijdens of na dat verhoor zou hebben vernomen dat bij zijn broer doorzoekingen ter inbeslagneming hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Die termijn liep dus af op 19 november 2022.

De rechtbank doet uitspraak op 17 december 2024. De redelijke termijn is daarmee - op 2 dagen na - met 25 maanden overschreden (ruim twee jaren). Deze overschrijding valt niet aan de veroordeelde toe te rekenen. Compensatie voor deze overschrijding kan in de vorm van een te verminderen bedrag of percentage. De rechtbank zal vanwege de aannemelijkheid van een deel van de hypotheekkosten en deze overschrijding van de redelijke termijn het tot nog toe berekende ontnemingsbedrag van € 562.611,23 verminderen en vaststellen tot afgerond een bedrag van € 500.000,00.

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd en stelt dit bedrag vast op

€ 562.611,23.

De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.

Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.

8. Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 562.611,23 (vijfhonderdtweeenzestigduizend zeshonderdelf euro en drieëntwintig eurocent).

Legt aan [naam veroordeelde] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van 500.000,00 euro (vijfhonderd duizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.

Wijst de vordering voor het overige af.

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van

Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 3 jaren.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.S. Schoorl, voorzitter,

mr. D.H. Bakker en mr. H. Bakker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier, mr. L.P. van Os,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2024.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.S. Schoorl
  • mr. D.H. Bakker
  • mr. H. Bakker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand