RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/996753-14 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 17 december 2024
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 1 december 2022 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[naam verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
Hierna te noemen: ‘de veroordeelde’.
1. De vordering
De officier van justitie heeft bij vordering van 1 december 2022 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5, Sr zal vaststellen op € 375.160,97 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De vordering is gebaseerd op het veroordelend vonnis van deze rechtbank van 3 december 2020 (parketnummer 15/996753-14), waarin is bewezen verklaard dat de veroordeelde in de periode 1 maart 2009 tot en met 1 december 2014 zich heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. Daarnaast is bewezen verklaard dat de veroordeelde in de periode van 1 juni 2012 tot en met 22 juli 2014 zich heeft schuldig gemaakt aan oplichting, meermalen gepleegd. Het is volgens de officier van justitie aannemelijk dat deze strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.
2. Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 28 maart 2023. Dit betrof een zogeheten regiezitting.
Ter terechtzitting van 28 maart 2023 is de behandeling van de zaak onderbroken tot 11 april 2023. Op 11 april 2023 werd - gelet op de beslissing ten aanzien van de onderzoekswensen in de zaak van A.E. van Laere met parketnummer 15/993000-18, die gelijktijdig is behandeld, en de verwevenheid van onderhavige zaak met de zaak van A.E. van Laere – het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst.
Om de ontnemingsprocedures tegen A.E. van Laere en de veroordeelde gelijk te laten lopenzijn na afloop van het getuigenverhoor van de veroordeelde door de officier van justitie mr.L.M.J. Backx en de raadsvrouw mr. L.M. Ravestijn in het bijzijn van de rechter-commissarisafspraken gemaakt over de schriftelijke rondes in de ontnemingsprocedure tegende veroordeelde.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en de in het kader van de schriftelijke voorbereiding tussen de officier van justitie en de raadsvrouw van veroordeelde gewisselde conclusies
De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 5 november 2024. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadsvrouw mr. L.M. Ravestijn, en de officier van justitie, mr. L.M.J. Backx.
Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 17 december 2024 of zoveel eerder als mogelijk.
3. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft betoogd dat de aanvankelijk op € 375.160,97 gestelde ontnemingsvordering dient te worden verminderd met de volgende bedragen:
De officier van justitie heeft gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 368.480,97 en dat de betalingsverplichting voor datzelfde bedrag wordt opgelegd. De duur van de gijzeling dient te worden bepaald op 1 dag voor iedere € 50,- met een maximum van 3 jaar.
4. Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsvrouw
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de veroordeelde geen wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit project BEANK. Zijn broer beheerde de geldelijke opbrengsten daaruit en de veroordeelde heeft een geldbedrag van € 160.000,- van zijn broer ter lening ontvangen. Dat bedrag moet hij aan zijn broer terugbetalen.
Verder heeft te gelden dat de veroordeelde dit geleende bedrag gebruikt om verdere strafbare handelingen (project EURQM) te verrichten, zodat dit bedrag een kostenpost vormt dat verband houdt met het strafbare feit en afgetrokken dient te worden van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit project EURQM.
Subsidiair wordt verzocht het ontnemingsbedrag te matigen tot nihil conform art 36e, lid 5, Sr, omdat op voorhand vast staat dat de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde niet toereikend zal zijn om het te betalen bedrag te kunnen voldoen. Tot slot dient bij de matigingsbevoegdheid de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de berechting in ontnemingsprocedures moet plaatsvinden in acht te worden genomen.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Grondslag van de vordering
De onderhavige vordering heeft betrekking op het geval van veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd waarbij aannemelijk is dat deze feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft gekregen.
Bij vonnis van deze rechtbank van 3 december 2020 is veroordeelde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarbij is bewezenverklaard dat:
Feit 1 primair hij in de periode van 1 maart 2009 tot en met 1 december 2014 te Bovenkarspel en/of elders in Nederland en/of Duitsland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels, personen heeft bewogen tot de (girale) afgifte van een of meer geldbedragen, te weten van [slachtoffer A] (G-001-01) 375,- EURO (DOC-115) en [slachtoffer B] (G-002-01) 675,- EURO (DOC-118) en [slachtoffer C] (G-008) 1.725,- EURO (DOC-134) en [slachtoffer D] (G-010-01) 5.775,- EURO (DOC-137), immers hebben hij en een mededader telkens, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid bedoelde personen via (onder andere) de website van BEANK en/of de website van ACC-APP en/of nieuwsbrieven van BEANK en/of ACC-APP en/of tussenperso(o)n(en), benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan (het project) BEANK en/of ACC-APP en daarbij voorgewend dat er, na betaling van (een bijdrage van) 75,- EURO per polis, voor deelnemers in BEANK en/of ACC-APP, één of meer polissen zouden worden gereserveerd en/of aangekocht (die 32.500,- EURO per polis zouden opleveren), en/of de opbrengst per polis 32.500,- EURO zou zijn, en/of de partner(s) van BEANK en/of ACC-APP een (internationale) bank en/of verzekeringsmaatschappij zou(den) zijn, en/of het project BEANK en/of ACC-APP (vanaf 5 polissen) geen risico zou kennen, en/of deelnemers in BEANK en/of ACC-APP bij 5 of meer polissen de garantie kregen dat zij het betaalde geld terugkregen wanneer het concept niet zou slagen en/of het programma niet zou worden uitgevoerd, waardoor bovengenoemde personen (telkens) werden bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemde geldbedragen;
Feit 2 primair hij in de periode van 1 juni 2012 tot en met 22 juli 2014 te Bovenkarspel en/of elders in Nederland, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels, personen, één of meermalen heeft bewogen tot de (girale) afgifte van een of meer geldbedragen, te weten van [slachtoffer A] (G-001-01 en 02) 56 ,- EURO (DOC-111 en 113), en [slachtoffer E] (G-004-01) 840,- EURO (DOC-124 en 126), en [slachtoffer F] (G-005) 224 ,- EURO, en [slachtoffer G] (G-006) 784,- EURO (DOC-029), immers heeft hij telkens, met voornoemd oogmerk - zakelijk weergegeven- opzettelijk bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid bedoelde personen via (onder andere) de website van EURQM en/of de/een nieuwsbrie(f)(ven) van EURQM en/of via facebook en/of tussenperso(o)n(en), benaderd en/of geïnteresseerd in de deelname aan (het project) EURQM en daarbij voorgewend dat deelnemers in EURQM en/of leden van EURQM met 56,- EURO in korte tijd 12.000, EURO zouden kunnen maken, en/of er, na betaling van (een bijdrage van) 56,- EURO per polis, voor deelnemers in EURQM en/of leden van EURQM, één of meer polissen zouden worden gereserveerd en/of aangekocht (die 12.000,- EURO per polis zouden opleveren), en/of de opbrengst per polis (binnen 4 maanden tijd) 12.000,- EURO zou zijn, en/of de partner(s) van EURQM een (internationale) bank en/of verzekeringsmaatschappij zou(den) zijn, en/of het project EURQM geen risico zou kennen, en/of (het vorige project) BEANK een succes was, waardoor bovengenoemde personen (telkens) werden bewogen tot de (girale) afgifte van bovengenoemde geldbedragen.
Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten.
De ontnemingsrapportage
Op 13 juli 2022 heeft de verbalisant [verbalisant X] , opsporingsambtenaar bij de Belastingdienst/FIOD, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als ‘de ontnemingsrapportage’.
Bij de ontnemingsrapportage zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen de veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak. Onder verwijzing naar de inhoud van deze tot bewijs strekkende bijlagen zijn in de ontnemingsrapportage gevolgtrekkingen gemaakt die zijn uitgedrukt in posten die aan de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag zijn gelegd.
6. Beoordeling van de ontnemingsvordering
Naar aanleiding van de ontnemingsvordering, de schriftelijke conclusiewisseling en het onderzoek ter terechtzitting is voldoende aannemelijk dat de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen uit de baten van de bewezen verklaarde feiten. Dit voordeel moet hem worden ontnomen.
De rechtbank grondt dit oordeel op de feiten en omstandigheden die in de ontnemingsrapportage zijn opgenomen en ontleent aan de inhoud daarvan, met inachtneming van het navolgende, tevens de schatting van bedoeld voordeel.
De ontnemingsrapportage
In de ontnemingsrapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel over de onderzoeksperiode van 1 maart 2009 tot en met 1 december 2014 berekend. Die berekening is, zoals weergegeven op pagina 12 van de ontnemingsrapportage, als volgt:
Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
Inkomsten
Inkomsten vanuit BEANK (hoofdstuk 4.3.2)
€ 160.000,00
Inkomsten project EURQM (hoofdstuk 4.3.3)
€ 229.061,75
Gerealiseerde inkomsten uit investeringen (hoofdstuk 4.3.3)
€ 1.657,00 +/+
Totaal inkomsten
€ 390.718,75
Uitgaven
Geanalyseerde uitgaven t.b.v. project EURQM (hoofdstuk 4.3.3)
€ 15.557,78
Totaal uitgaven
€ 15.557,78
Totaal wederrechtelijk voordeel € 375.160,97
Beoordeling van de berekening en bespreking van verweren
De rechtbank stelt voorop dat zij bij haar oordeel over de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gebonden aan het in de onderliggende strafzaak uitgesproken oordeel. De ontnemingsrechter komt uiteraard wel een zelfstandig oordeel toe over verweren die betrekking hebben op de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel kan worden geschat.
De rechtbank gaat uit van het hierboven weergegeven bedrag aan inkomsten uit het onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit (project EURQM), te weten € 229.061,75. De verdediging heeft hiertegen geen verweer gevoerd.
Inkomsten project BEANK ad € 160.000,00: lening?
De officier van justitie en de verdediging verschillen nog van mening over de aard van het bedrag van € 160.000,00 dat verband houdt met het project BEANK.
Zoals hiervoor aangegeven is de rechtbank bij haar oordeel over de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gebonden aan het in de onderliggende strafzaak uitgesproken oordeel. Ten laste van de veroordeelde is onder 1 bewezenverklaard dat hij in verband met het project BEANK meermalen en in vereniging oplichting heeft gepleegd.
De rechtbank is van oordeel dat in de ontnemingsrapportage mede op grond van de verklaringen van de veroordeelde zelf aannemelijk is gemaakt dat de veroordeelde uit het project BEANK een bedrag van € 160.000,- heeft ontvangen. Dat bedrag moet dan ook worden beschouwd als wederechtelijk verkregen voordeel.
Dat dit bedrag door de veroordeelde en zijn broer bij het overmaken is betiteld als ‘lening’, doet daar niets aan af.
Uit de verklaringen van de veroordeelde blijkt verder dat dit bedrag is uitgegeven aan allerhande dagelijkse uitgaven en dat hij er ruim van heeft geleefd. De rechtbank verwerpt dan ook de suggestie dat dit bedrag door de veroordeelde is aangewend als investering in het project EURQM en als zodanig als kosten in mindering dienen te worden gebracht.
Aflossing lening
De rechtbank stelt vast dat in de onderzoeksperiode twee bedragen, te weten € 15.000,- door de veroordeelde en € 9000,-, aan de broer van de veroordeelde en zijn vrouw zijn overgemaakt. De officier van justitie heeft ter terechtzitting een overzicht overgelegd van alle door de veroordeelde gedane overboekingen naar zijn broer, welk totaalbedrag neerkomt op € 20.300,-.
De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat het door de veroordeelde aan zijn broer betaalde bedrag van € 20.300,- in verband staat met van zijn broer ontvangen € 160.000,- uit het project BEANK. De rechtbank zal het wederrechtelijk voordeel daarom met dat bedrag verminderen.
Inkomsten
Inkomsten BEANK
€ 160.000,-
Inkomsten EURQM
€ 229.061,75
Inkomsten uit investeringen
€ 1.657,00
Totaal inkomsten
€ 390.718,75
Uitgaven
Uitgaven t.b.v. EURQM
€ 15.557,78
betalingen aan broer
€ 20.300,00
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde X]
€ 840,00
[benadeelde Y]
€ 840,00
Totaal vorderingen
€ 1.680,00
Totaal wvv
€ 353.180,97
Draagkracht
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om een aan hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
7. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Redelijke termijnoverschrijding
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn start op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
De aanvangsdatum voor de redelijke termijn stelt de rechtbank vast op 19 november 2020. Dat is het moment waarop de officier van justitie in de hoofdzaak in eerste aanleg zijn voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken als bedoeld in artikel 311, lid 1 Sv.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Die termijn liep dus af op 19 november 2022.
De rechtbank doet uitspraak op 17 december 2024. De redelijke termijn is daarmee - op 2 dagen na - met 25 maanden overschreden. Deze overschrijding valt niet aan de veroordeelde toe te rekenen. De rechtbank zal daarom het ontnemingsbedrag verminderen. Het door veroordeelde te betalen bedrag wordt vastgesteld op afgerond € 300.000,00.
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd en stelt dit bedrag vast op
€ 353.180,97.
8. Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
9. Beslissing
De rechtbank:
Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 353.180,97 (driehonderddrieënvijftigduizendhonderdtachtig euro en zevenennegentig eurocent).
Legt aan [naam verdachte] op de verplichting tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 300.000 euro (driehonderdduizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wijst de vordering voor het overige af.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 3 jaren.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.S. Schoorl, voorzitter,
mr. D.H. Bakker en mr. H. Bakker, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. L.P. van Os,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 december 2024.