RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10485593 \ CV EXPL 23-2727
Uitspraakdatum: 8 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Casablanca, Marokko
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Advocatenpraktijk Teke)
De zaak in het kort
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een geannuleerde vlucht. De gevorderde hoofdsom wordt toegewezen omdat de vervoerder zijn verweer daartegen heeft ingetrokken. Daarnaast heeft de passagier voldoende onderbouwd dat zij de vervoerder voorafgaand aan de procedure heeft aangemaand en dat de vervoerder de aanmaningen heeft ontvangen. Er is daarom geen aanleiding om de passagier te veroordelen in de proceskosten.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- het tussenvonnis van 18 juni 2025 waarin mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht met aanvullende producties van de passagier van 22 augustus 2025;
- de mondelinge behandeling van 15 september 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 25 juni 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Nador, Marokko, met vlucht AT1681 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 90,75 dan wel € 72,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,-.
De vervoerder heeft de hoofdsom erkend. Hij voert alleen verweer tegen de gevorderde vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Omdat de vervoerder in deze procedure geen verweer voert tegen de gevorderde compensatie en de daarover gevorderde wettelijke rente, zullen deze worden toegewezen.
In geschil zijn slechts de vorderingen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Met betrekking tot de proceskosten geldt dat de in het ongelijk gestelde partij in beginsel wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit kan anders zijn als vast komt te staan dat deze kosten nodeloos zijn aangewend of veroorzaakt.
De vervoerder voert aan dat de gevorderde proceskosten moeten worden afgewezen omdat hij rauwelijks door de passagier is gedagvaard. Bij de dagvaarding heeft de passagier aanmaningen in briefvorm overgelegd. De vervoerder heeft deze aanmaningen echter niet ontvangen. Als de aanmaningen per e-mail naar het standaard e-mailadres van de vervoerder zijn gestuurd, geldt dat de passagier deze ook via het webformulier op zijn website had moeten indienen. Dit betekent dat de passagier hem niet de mogelijkheid heeft geboden om het geschil buiten rechte op te lossen, aldus de vervoerder.
De passagier heeft bij repliek toegelicht dat de overgelegde aanmaningen bijlagen zijn van e-mails. Deze e-mails heeft haar gemachtigde naar het door de vervoerder genoemde e-mailadres verzonden. Ter onderbouwing heeft zij schermafbeeldingen van een e-mailprogramma overgelegd. Uit deze schermafbeeldingen blijkt wat de verzenddata en -tijden van de e-mails zijn en dat de aanmaningen daaraan als bijlage zijn toegevoegd. Zij heeft echter geen (automatisch) antwoord van de vervoerder gekregen.
De vervoerder heeft daar tegenin gebracht dat uit deze schermafbeeldingen niet blijkt welke e-mails of brieven er aan hem zijn verzonden en evenmin dat de aanmaningen daar als bijlage aan zijn gehecht. Hij heeft de genoemde e-mails ook niet in zijn systemen kunnen vinden. Uit de omstandigheid dat de passagier geen automatisch antwoord heeft gekregen, blijkt juist dat de vervoerder de e-mails niet heeft ontvangen.
Vooruitlopend op de mondelinge behandeling heeft de passagier log-bestanden van de mailserver overgelegd. Zij heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat dit ‘proof of delivery’-rapporten zijn van de door haar gemachtigde verzonden e-mails. Als een e-mail wordt verstuurd, stuurt de ontvangende server een zogenaamde ‘SMTP-code’ terug. Dat is de taal waarin e-mailprogramma’s met elkaar communiceren. Deze code kan bijvoorbeeld een ontvangstbevestiging of een foutmelding zijn. Er kan maar één code terugkomen op een e-mail. In het geval van dee-mails van de passagier is op elk bericht de code ‘250 2.1.5 Ok’ teruggekomen. Code 250 staat voor ‘Success! The email was delivered’. Hieruit blijkt dat de e-mails daadwerkelijk zijn ontvangen door de vervoerder. Anders zou de gemachtigde van de passagier immers een foutcode hebben teruggekregen. Bij een technische storing waarbij de server van de vervoerder in het geheel niet werkt, zou er geen enkele code zijn teruggestuurd, aldus de passagier.
Voor zover de vervoerder heeft aangevoerd dat (de gemachtigde van) de passagier de vorderingen (ook) via het formulier op zijn website had moeten indienen, oordeelt de kantonrechter dat het indienen van een buitengerechtelijk verzoek tot compensatie in beginsel vormvrij is. Dit betoog slaagt dus niet.
Met betrekking tot de discussie over het ontvangen van de e-mails stelt de kantonrechter voorop dat een verklaring, om haar werking te hebben, de geadresseerde moet hebben bereikt. Omdat de vervoerder gemotiveerd heeft betwist dat hij de e-mails heeft ontvangen, rustte op de passagier de last te bewijzen dat dit wel het geval was. Naar het oordeel van de kantonrechter is zij daarin geslaagd. Met de bestanden uit de mailserver en haar uitgebreide toelichting daarop heeft zij voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de e-mails bij de vervoerder zijn aangekomen. De omstandigheid dat er vervolgens geen (automatisch) antwoord op deze e-mails is gekomen, maakt dit niet anders.
De vervoerder heeft daarnaast aangevoerd dat er uit de bestanden uit de mailserver niet blijkt dat er bijlagen met de e-mails zijn meegestuurd. Volgens de passagier is dit echter wel het geval: onder het kopje ‘Message Attachments’ staan de namen van de meegestuurde bijlagen en de grootte daarvan. Omdat de vervoerder daar niet meer op heeft gereageerd, heeft de passagier naar het oordeel van de kantonrechter eveneens voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat de verzonden en ontvangen e-mails voorzien waren van bijlagen met daarin de aanmaningen, zodat de ontvangst daarvan voldoende vaststaat.
Ten slotte heeft de vervoerder op de mondelinge behandeling aangevoerd dat het e-mailadres waar de gemachtigde van de passagier de aanmaningen naar heeft gestuurd een ‘no-reply’-adres betreft. Daarom betekent dat de omstandigheid dat de e-mails zijn aangekomen niet dat zij ook zijn gelezen.
Dit betoog slaagt evenmin. Als onbetwist staat immers vast dat er geen reactie vanuit het e-mailadres op de e-mails van de gemachtigde van de passagier is gekomen, zodat aan de hand daarvan niet kan worden vastgesteld of het een ‘no-reply’-adres betreft. Ook uit het adres zelf blijkt niet zonder meer dat het om een ‘no-reply’-adres zou gaan. Daarom was het voor de (gemachtigde van) de passagier in ieder geval niet kenbaar dat het om een ‘no-reply’-adres zou gaan en mocht zij erop vertrouwen dat de berichten ook zouden (kunnen) worden gelezen. Al met al is dus geen sprake van rauwelijks dagvaarden.
Bovendien heeft de vervoerder in de schriftelijke procedure aanvankelijk inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vordering van de passagier, althans heeft hij de geldigheid van de volmacht betwist, welk verweer hij eerst bij conclusie van dupliek heeft laten varen. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat hij de passagier buiten rechte tegemoet zou zijn gekomen. De vervoerder heeft de gevorderde hoofdsom evenmin gedurende de procedure betaald na het intrekken van zijn verweer tegen de hoofdsom. Daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om de passagier te veroordelen in de proceskosten.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft voldoende onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Het primair gevorderde bedrag is hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. De kantonrechter zal de vordering daarom toewijzen tot het wettelijke tarief, namelijk € 72,60 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagier heeft daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Zij heeft niet gesteld dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum had.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 472,60, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 400,00 vanaf 25 juni 2022, en over € 72,60 vanaf 28 februari 2023, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 125,86;griffierecht € 86,00;salaris gemachtigde € 246,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 41,00 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter