RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie en Jeugd
locatie Haarlem
gezag en omgang
zaak-/rekestnr.: C/15/351558 / FA RK 24-1965
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 9 oktober 2025
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. van Espen, kantoorhoudende te Hoorn,
tegen
[de moeder] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. H.I. Park, kantoorhoudende te Heerhugowaard,
--betreffende--
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van 17 juli 2024 en de daarin genoemde stukken;
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) van 19 november 2024, ontvangen op 21 november 2024;
- het f-formulier van de advocaat van de vader van 2 juni 2025;
- het bericht van de advocaat van de vader van dinsdag 17 juni 2025;
- het verweer, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de moeder van
14 augustus 2025, ontvangen op 18 augustus 2025;
- het f-formulier, met bijlage, van de advocaat van de vader van 26 augustus 2025;
- het f-formulier, met bijlage, van de advocaat van de vader van 8 september 2025.
De rechtbank heeft bij beschikking van 17 juli 2024 de volgende tijdelijke contactregeling vastgelegd:
De vader heeft één keer in de week – op zaterdag om 10:00 uur – een videobelmoment met [de minderjarige] . Uitgangspunt is dat dit contactmoment tien minuten zal duren, maar partijen zullen hierin – afhankelijk van de stemming van [de minderjarige] – flexibiliteit betrachten. Bij dit contactmoment mogen alleen de vader en [halfzus] aanwezig zijn;
De moeder zal de vader eens in de drie weken een e-mailbericht sturen met informatie over [de minderjarige] (bijv. over de stand van zaken bij de logopedietherapie) en daarbij een foto van [de minderjarige] verstrekken. De vader zal op dit bericht niet reageren. Ook zal de moeder – zodra er meer duidelijkheid bestaat over het bij Levvel te volgen traject – aan Levvel vragen of zij de vader in de berichtgeving in de cc kunnen meenemen;
De vader zal één keer per maand – samen met [halfzus] – een kaartje aan [de minderjarige] sturen;
Bij een afzonderlijke beschikking van 17 juli 2024 heeft de rechtbank de Raad verzocht om ten aanzien van de verzoeken van de vader een onderzoek te verrichten naar de vraag of het belang van [de minderjarige] zich tegen een zorg-/omgangsregeling verzet en zo dit niet het geval is, met welke regeling [de minderjarige] het beste af is. De Raad is eveneens verzocht te adviseren over de vraag of gezamenlijk gezag in het belang is van [de minderjarige] .
De voorgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van
11 september 2025 in aanwezigheid van partijen, de vader bijgestaan door mr. S. Tromp, waarnemend voor mr. M. van Espen en de moeder bijgestaan door mr. V.R.L. Berkhout, waarnemend voor mr. H.I. Park. Verder was op de zitting als informant aanwezig [vertegenwoordiger van de raad] namens de Raad.
2. Het (aangehouden) verzoek
De vader heeft verzocht hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
De vader heeft hiernaast verzocht te bepalen dat de volgende zorgregeling/omgangsregeling wordt vastgesteld:
- [de minderjarige] zal ieder weekend van vrijdag na het werk van de vader (17.30 uur) tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijven, waarbij de vader het halen en brengen op zich zal nemen;
- [de minderjarige] zal in de zomervakantie een week met de vader doorbrengen;
- de overige vakanties en feestdagen worden in overleg verdeeld.
De vader heeft het volgende aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd.
gezag
De vader is net zo goed ouder van [de minderjarige] als de moeder. Het uitgangspunt van de wetgever is dat ouders gezamenlijk het gezag over de kinderen uitoefenen. Hoewel de communicatie tussen de ouders, volgens de moeder, te wensen overlaat, is het wel van belang dat de ouders gezamenlijk beslissingen nemen ten aanzien van [de minderjarige] .
Op de zitting is door en namens de vader naar voren gebracht dat hoewel het nu bijna twee jaar geleden is dat de vader fysieke omgang heeft gehad met [de minderjarige] , het gezamenlijk gezag voor hem ook belangrijk is vanwege de informatieplicht die hieruit voortvloeit. De vader geeft daarbij aan dat hij de informatie over [de minderjarige] liever rechtstreeks van haar school en hulpverlening zou willen krijgen. Hij wordt momenteel niet betrokken bij de hulpverlening van Levvel die is ingezet voor [de minderjarige] , ondanks dat hij herhaaldelijk contact met Levvel heeft gezocht.
zorg-/ omgangsregeling
De vader ziet [de minderjarige] sinds 2023 enkel nog via videobelmomenten. Er is nog geen hulpverlening van de grond gekomen die gaat werken aan het opstarten van de omgang. De vader mist [de minderjarige] enorm. Ook [halfzus] , zijn dochter uit een eerdere relatie, mist [de minderjarige] heel erg. De moeder zorgt ervoor dat [de minderjarige] van [halfzus] en hem vervreemd raakt.
Op de zitting heeft de vader naar voren gebracht dat hij het van groot belang acht dat de omgang wordt uitgebreid en dat hij openstaat voor begeleid contactherstel. Verder heeft hij aangegeven bereid te zijn een cursus te volgen, zoals emotieregulatie therapie, ook al vindt hij dit niet nodig. Hij geeft aan alles te willen doen om het contact met zijn dochter te herstellen. De vader heeft tot slot naar voren gebracht dat hij graag zou willen dat een opbouwregeling wordt vastgelegd en dat hij zich kan vinden in een aanhouding van de zaak. Bij voorkeur voor een periode van vier maanden, zodat enige druk blijft op het opbouwen van het contact tussen hem en [de minderjarige] .
3. Verweer en zelfstandig verzoek
gezag
De moeder voert hiertegen verweer en vindt dat het verzoek van de vader om hem mede te belasten met het gezag over [de minderjarige] moet worden afgewezen. Daartoe betoogt de moeder dat gezamenlijk gezag niet in het belang van [de minderjarige] is en dat een onaanvaardbaar risico bestaat dat [de minderjarige] dan klem en verloren raakt tussen de ouders. Het is ook niet de verwachting dat hier binnen afzienbare tijd verbetering in komt. Er is tussen de ouders geen werkbare communicatie mogelijk en zij zijn niet in staat samen beslissingen over [de minderjarige] te nemen. De vader wordt snel boos en vertoont dan agressief gedrag richting de moeder. Zij ervaart hierdoor stress en veel spanning. Wanneer de moeder afhankelijk is van de vader in het nemen van beslissingen over [de minderjarige] , zullen volgens de moeder de conflicten hoger oplopen en zij vindt dit niet in het belang van [de minderjarige] .
omgang
De moeder is daarnaast van mening dat omgang met de vader momenteel niet in het belang van [de minderjarige] is. De moeder maakt zich zorgen over de veiligheid bij de vader. Ook weet de moeder niet of voldoende draagvlak bij [de minderjarige] is om de huidige regeling uit te breiden. De moeder acht het daarnaast niet in het belang van [de minderjarige] dat zij in de vakantie een hele week bij de vader verblijft. [de minderjarige] heeft nog nooit een dag alleen met de vader doorgebracht. De moeder vindt het te vroeg om een definitieve beslissing te nemen over de vakanties.
zelfstandig verzoek
De moeder heeft hiernaast bij zelfstandig verzoek verzocht, primair te bepalen dat iedere zaterdag een videobelcontact met een duur van tien minuten, zal plaatsvinden tussen de vader en [de minderjarige] . Subsidiair verzoekt de moeder, indien en voor zover de rechtbank meent dat omgang dient plaats te vinden, te bepalen dat onder professionele begeleiding eerst gewerkt wordt aan contactherstel tussen [de minderjarige] en de vader, waarbij de duur en frequentie van de omgang wordt bepaald door een professionele instantie in overleg met partijen.
Op de zitting is door en namens de moeder aangegeven dat de EMDR-therapie van [de minderjarige] is afgerond, maar dat dat de verwerking pas begint als de therapie eindigt. Rust is voor [de minderjarige] daarom nog heel belangrijk. Er worden klein stapjes vooruit gezet en er is voldoende hulpverlening voor [de minderjarige] betrokken, maar er moeten niet te snel nieuwe stappen worden gezet. De moeder staat open voor omgang tussen de vader en [de minderjarige] , maar alleen wanneer dit op een veilige manier kan en onder begeleiding van een instantie. De moeder acht het van belang dat de vader ook de nodige stappen zet om aan zichzelf te werken. Er is volgens de moeder nog niet genoeg inzicht bij de vader en er is nog geen passende begeleiding, waardoor het niet in het belang van [de minderjarige] is dat de omgang direct wordt opgestart. De moeder heeft verder aangegeven dat ze de vader goed informeert over het welzijn van [de minderjarige] , maar dat ze Levvel toestemming zal geven om de informatie over [de minderjarige] direct met de vader te delen. Tot slot heeft de moeder aangegeven dat wanneer de rechtbank besluit een opbouwregeling vast te leggen, een aanhouding van de zaak niet langer nodig is.
4. De visie van de Raad
De Raad heeft in het raadsrapport van 19 november 2024 geadviseerd om het verzoek van de vader om hem mede te belasten met het gezag af te wijzen. De Raad adviseert daarnaast om de beslissing over een vast te stellen zorg-/omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] aan te houden voor een periode van zes maanden, in afwachting van de in te zetten hulpverlening, te weten EMDR Storytelling vanuit Levvel.
Op de zitting heeft de Raad aangegeven nog steeds achter het advies te staan om het verzoek van de vader betreffende het gezamenlijk gezag af te wijzen. Voor de uitoefening van het gezamenlijk gezag is het van belang dat de ouders een ouderschapstraject volgen en dat is op dit moment te veel gevraagd. De Raad begrijpt wel dat de vader graag direct informatie zou willen krijgen over [de minderjarige] en stelt voor dat de moeder Levvel toestemming geeft om de informatie over [de minderjarige] direct met de vader te delen. De Raad heeft op de zitting verder geadviseerd om een opbouwende omgangsregeling vast te leggen, zodat ook de betrokken hulpverlening weet wat de bedoeling is. Hoewel daarbij rekening worden gehouden met het tempo van [de minderjarige] , is het van belang dat deze omgangsregeling niet te lang wordt uitgesteld. Het uiteindelijke doel is immers onbegeleide omgang tussen [de minderjarige] en de vader. De Raad stelt voor te beginnen met begeleide omgang, waarbij de vader en [de minderjarige] elkaar tweemaal per week een uur zien en dit daarna geleidelijk uit te breiden. De uitvoering kan via Levvel worden georganiseerd en de omgang kan eventueel door een instantie zoals NiCare worden begeleid. Tot slot adviseert de Raad de beslissing op dit verzoek aan te houden om de voortgang van het contactherstel te kunnen volgen.
5. De (verdere) beoordeling
gezag
Op grond van artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten. Uit het tweede lid van dit artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Gezamenlijk gezag vereist dat de ouders in staat zijn tot enige vorm van communicatie met elkaar en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarige in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen.
Gelet op de overgelegde stukken en de behandeling op de zitting is de rechtbank van oordeel dat gezamenlijk gezag op dit moment nog niet aan de orde is. De vader heeft [de minderjarige] al bijna twee jaar niet fysiek gezien en is (daardoor) onvoldoende op de hoogte over wat voor meisje zij is, hoe zij zich ontwikkelt en wat haar behoeften zijn. Het is van belang dat eerst de omgang tussen de vader en [de minderjarige] wordt opgestart, zodat de vader [de minderjarige] beter kan leren kennen en ontdekken hoe het beste bij haar aan te sluiten. De vader is een lange periode niet in het leven van [de minderjarige] geweest en daardoor ook niet betrokken geweest bij haar opvoeding en verzorging. Daarnaast hebben de ouders al lange tijd geen contact met elkaar, waarbij beiden aangeven onvoldoende vertrouwen in elkaar te hebben. De rechtbank verwacht niet dat daar op korte termijn een dusdanige verbetering in zal komen, dat zij gezamenlijk beslissingen zullen kunnen nemen over belangrijke zaken ten aanzien van [de minderjarige] . Het is positief dat de vader zegt alle hulp die nodig is aan te willen pakken. Het is aan de vader om te laten zien, dat hij dat ook echt gaat doen. De moeder zal, in het belang van [de minderjarige] , met hulpverlening moeten onderzoeken hoe zij nader tot de vader kan komen, zodat onderzocht kan worden hoe zij het beste met de vader kan samenwerken in hun rol als ouders van [de minderjarige] . In de huidige omstandigheden is het echter niet in het belang van [de minderjarige] om de vader mede met het gezag te belasten. Het verzoek van de vader wordt dan ook afgewezen. De rechtbank gaat er overigens van uit dat de moeder conform de beschikking van 17 juli 2024, en zoals ook door de moeder op de zitting is toegezegd, de vader middels een driewekelijkse email zal blijven informeren over [de minderjarige] , ook over de voortgang bij Levvel, en daarbij een foto van [de minderjarige] zal verstrekken. De vader zal nog steeds niet op dit bericht reageren.
omgangsregeling
Op grond van artikel 1:377a van het BW kan de rechtbank een omgangsregeling vaststellen tussen de vader en [de minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat het contact tussen haar en de vader wordt opgebouwd en uitgebreid. De rechtbank heeft begrip voor de voorzichtigheid van de moeder, juist omdat [de minderjarige] een ontwikkelingsachterstand heeft en de belastbaarheid van [de minderjarige] daarom zorgvuldig in de gaten moet worden gehouden. De rechtbank acht, net als de Raad, echter wel van belang om – uiteraard zolang het veilig en in het belang van [de minderjarige] is – om te starten met begeleide omgang tussen de vader en [de minderjarige] . Gelet op wat op de zitting is besproken en het advies van de Raad op de zitting, acht de rechtbank het mogelijk dat het eerste begeleide contact tussen [de minderjarige] en de vader binnen twee maanden kan plaatsvinden; tegen die tijd zal [de minderjarige] wat meer gewend zijn aan school en is de EMDR-therapie al enige tijd afgerond. Zoals ter zitting is afgesproken, zal de moeder – voor zover zij dit nog niet heeft gedaan – zich per omgaande tot Levvel wenden voor het opstarten en begeleiden van de omgang tussen de vader en [de minderjarige] . De rechtbank zal een opbouwregeling vaststellen waarbij [de minderjarige] en de vader in beginsel twee keer per week een uur begeleide omgang hebben en waarbij het uiteindelijke doel is om op te bouwen naar uitgebreidere en onbegeleide omgang. Het is aan Levvel om te beoordelen, exact wanneer de omgang kan starten, in welk tempo de omgang kan worden uitgebreid en hier de regie in te voeren. De rechtbank acht het noodzakelijk om een vinger aan de pols te houden over het verloop van de omgangsregeling en houdt daarom de definitieve beslissing over de omgangsregeling aan voor een periode van zes maanden. De rechtbank verzoekt Levvel in deze periode de begeleide omgang te monitoren, te evalueren en hier verslag van te doen.
Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank de beslissing over de definitieve omgangsregeling aan voor een periode van zes maanden en stelt een voorlopige omgangsregeling vast waarbij [de minderjarige] en de vader tweemaal per week een uur begeleide omgang hebben, onder regie van Levvel.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de vader om het mede met het gezag over [de minderjarige] te belasten af;
stelt tussen de minderjarige [de minderjarige] en de vader, totdat nader wordt beslist, de volgende tijdelijke omgangsregeling vast:
- Er vindt de komende periode tweemaal in de week gedurende een uur begeleide omgang plaats, waarbij de omgang onder regievoering van Levvel verder dient te worden opgebouwd;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing over de definitieve omgangsregeling aan tot 11 maart 2026 PRO FORMA.
Verzoekt de advocaten de rechtbank schriftelijk te berichten over het verloop van de tijdelijke omgangsregeling en de daaraan te verbinden gevolgen.
Bepaalt dat het schriftelijk bericht uiterlijk 11 maart 2026 door de rechtbank ontvangen dient te zijn.
Wijst er op dat de rechtbank daarna zal beslissen over de verdere voortgang van de procedure;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M. van Koningsbruggen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.