RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11709409 \ CV FORM 25-3189
Uitspraakdatum: 22 oktober 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1. [verzoeker 1],wonende te [plaats 1] (België),
2. [verzoeker 2], 3. [verzoeker 3], beiden wonende te [plaats 2],4. [verzoeker 4], 5. [verzoeker 5],beiden wonende te [plaats 4],6. [verzoeker 6], wonende te [plaats 3],7. [verzoeker 7], wonende te [plaats 4],8. [verzoeker 8], wonende te [plaats 5],
verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: Aviclaim B.V.
tegen
de besloten vennootschapEasyJet Europe Airline GmbH,
gevestigd te Wenen (Oostenrijk)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas
1. Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
2. Feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 24 juli 2023 vervoeren van Venetië (Italië) naar Amsterdam, met vlucht EC4071 (hierna: de vlucht).
De vlucht is geannuleerd.
De passagiers zijn omgeboekt naar alternatieve vluchten, waarmee zij langdurig vertraagd in Amsterdam zijn aangekomen.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde annulering.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
3. Het verzoek en het verweer
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 2.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente;- € 337,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;- de proceskosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder betwist de verschuldigdheid en de hoogte van het verzochte. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
Ontvankelijkheid
De vervoerder heeft terecht opgemerkt dat de passagiers sub 4 en sub 5 hun eigen (vermeende) vorderingsrechten én het vorderingsrecht van hun minderjarige kind (Nicolette Drobotenko) aan Stichting Ahmea Rechtsbijstand (hierna: SAR) hebben overgedragen. Het voorgaande brengt mee dat de passagiers niet langer bevoegd zijn om de procedure op persoonlijke titel te voeren. Dat betekent dat de passagiers in zoverre niet-ontvankelijk zijn; SAR is geen partij in deze procedure.
De kantonrechter is van oordeel dat Aviclaim ten aanzien van alle andere passagiers voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij gemachtigd is om deze procedure namens hen te voeren. Daarbij merkt de kantonrechter op dat Aviclaim (ook) een kopie van het paspoort van de passagier sub 2 heeft overgelegd.
Buitengewone omstandigheden
De vervoerder heeft aangevoerd dat de vlucht in kwestie vanwege de doorwerking van buitengewone omstandigheden dusdanig was vertraagd, dat het niet langer mogelijk was om vlucht (vertraagd) uit te voeren zonder daarbij de nachtsluiting van de luchthaven Schiphol te schenden.
De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. De vervoerder heeft niet toegelicht hoe laat de nachtsluiting ingaat, noch heeft hij dat onderbouwd met stukken. Ook heeft hij geen toelichting gegeven op de duur van de vlucht en de verwachte aankomsttijd bij een opgelegde CTOT van 19:37 uur UTC. Naar het oordeel van de kantonrechter is dan ook onvoldoende gebleken dat de vlucht vanwege de gewijzigde slottijden alleen kon worden geannuleerd en niet alsnog, zij het met vertraging, kon worden uitgevoerd. Wellicht heeft de vervoerder keuzes gemaakt die vanuit het oogpunt van de onderneming het meest gunstig waren, maar dit ontslaat de vervoerder niet van de verplichting om gedupeerde passagiers te compenseren. Passagiers mogen niet de dupe worden van de bedrijfseconomische keuzes die de vervoerder maakt. De conclusie is dat het beroep van de vervoerder op buitengewone omstandigheden faalt. De vordering tot betaling van de hoofdsom zal worden toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00 (€ 250,00 x zes).
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Het verzochte bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het verzochte bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief dat past bij een toegewezen hoofdsom van € 1.500,00, te weten € 272,25 (inclusief btw), en voor het overige afwijzen.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat hij grotendeels ongelijk krijgt.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015, aan deze beschikking worden gehecht.
5. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart de passagiers sub 4 en 5 niet-ontvankelijk in het verzoek;
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.772,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.500,00 vanaf 24 juli 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 257,00 aan griffierecht en € 204,00 aan salaris gemachtigde;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open