RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/368958 / JU RK 25-1198
Datum uitspraak: 19 september 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
hierna te noemen: de Raad,
gevestigd te Haarlem,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
advocaat van beide ouders: mr. P.A.J. Putten, kantoorhoudende te Almere,
de gecertificeerde instelling Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI.,
gevestigd te Alkmaar.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van 28 augustus 2025, ontvangen op dezelfde datum;
het raadsrapport van 4 september 2025, ontvangen op 9 september 2025;
het gewijzigde verzoek met bijlage van 11 september 2025, ontvangen op 12 september 2025.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 september 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2. De feiten
De ouders zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] op [datum] erkend.
[de minderjarige] verblijft sinds 2 juli 2025 een crisispleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 juli 2025 [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 2 oktober 2025. Tevens heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de gezaghebbende moeder op een neutrale plek (in ieder geval niet in de gemeenschappelijke woning met de vader) dan wel op een crisisplaatsing binnen een pleeggezin, welke machtiging vervolgens bij beschikking van 10 juli 2025 is verlengd tot 2 oktober 2025.
3. Het verzoek
De Raad heeft de kinderrechter bij gewijzigd verzoek van 11 september 2025 verzocht [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en een machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een moeder-kindhuis, voor de duur van zes maanden. De Raad heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt onderbouwd. Er is sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] . De drie maanden oude [de minderjarige] is volledig afhankelijk van de volwassenen om hem heen. Er bestaan grote zorgen over de veiligheid en stabiliteit in de thuissituatie bij de ouders. Er zijn regelmatig (hoogoplopende) spanningen en conflicten tussen de ouders en de moeder lijkt niet genoeg weerstand te kunnen bieden aan de vader. De directe aanleiding voor de spoeduithuisplaatsing van [de minderjarige] was dat na zijn geboorte cocaïne in zijn urine is aangetroffen. De ouders kunnen dit niet verklaren en stellen dat er een fout is gemaakt. De beide ouders zijn bekend met middelengebruik De vader gebruikt dagelijks amfetamine, volgens eigen zeggen als een vorm van zelfmedicatie voor zijn ADHD. De moeder gebruikte THC. Tot slot hebben de ouders een langdurig conflict met de woningbouw waardoor het risico bestaat dat het huurcontract wordt opgezegd. Met name de moeder maakt zich hier zorgen over en ervaart hier stress van. De Raad maakt zich grote zorgen over het zelfinzicht van de ouders over hun aandeel in de zorgen over [de minderjarige] . De Raad is van mening dat stevige regievoering in het gedwongen kader noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen, zijn positie en belangen te beschermen, zoveel mogelijk te voorkomen dat hij aan onveiligheid wordt blootgesteld en om samen met de ouders tot een werkbare invulling van hun ouderschap te komen.
De Raad vindt het onder de huidige omstandigheden het meest in het belang van [de minderjarige] dat hij samen met de moeder naar een moeder-kindhuis gaat. Door de GI is een geschikte plek gevonden bij Komunazorg. Omdat er nu signalen worden gezien van eenkennigheid van [de minderjarige] naar de pleegmoeder is door de GI gekozen voor een warme overdracht, waarbij [de minderjarige] een week lang iedere dag omgang heeft met beide ouders waarna hij op vrijdag 19 september 2025 volledig overgaat naar het moeder-kindhuis. De Raad vindt een termijn van zes maanden nodig om zicht te krijgen op in hoeverre de ouders, of een van hen, in staat zijn om [de minderjarige] een veilige, stabiele en duurzame plek thuis te bieden. Ook zal door de GI een terug naar huis onderzoek (TNHO) worden ingezet.
Ter zitting heeft de Raad hieraan toegevoegd dat zij hoopt dat de plaatsing rust brengt bij de ouders, zodat conflicten in de relatie en hun middelengebruik zullen afnemen. De ervaring van de Raad is dat een extra toetsmoment ook druk en hoge verwachtingen met zich meebrengt, wat een tegenovergestelde werking kan hebben. De Raad vraagt zich af of in plaatst van een TNHO niet gekeken kan worden naar een gefaseerde terugplaatsing van [de minderjarige] .
4. De standpunten
De ouders hebben verteld dat het goed gaat met [de minderjarige] . De ouders hebben de afgelopen periode twee keer per week een half uur omgang met [de minderjarige] gehad. Het is jammer dat [de minderjarige] al een beetje vervreemd raakt van de ouders. De moeder is afgelopen maandag naar het moeder-kindhuis gegaan om de kamer klaar te maken en heeft de afgelopen dagen contactmomenten gehad met [de minderjarige] zodat hij kon wennen. Voor de moeder voelt de plaatsing fijn maar ook dubbel, omdat het zonder de vader is. De vader mag iedere dag langskomen van ’s ochtends tot ’s avonds, in afstemming met de begeleiding. De ouders herkennen de zorgen over de partnerrelatie niet. Zij hebben wel eens een woordenwisseling, zeker de afgelopen tijd, maar zij staan samen sterk. Ook herkennen zij de zorgen over het middelengebruik van de ouders niet. Zij zijn bijna altijd eerlijk tegen de instanties geweest.
De advocaat van de ouders heeft primair verzocht om afwijzing van de verzoeken, en subsidiair om de verzoeken toe te wijzen voor drie maanden met aanhouding van het overige. De ouders begrijpen dat er zicht moet komen op bepaalde zaken en willen meewerken aan de hulpverlening. Zij verwachten niet dat [de minderjarige] over drie maanden al naar huis kan, maar op deze manier kan wel een extra toetsmoment plaatsvinden. Het terug naar huis onderzoek (TNHO) is nog niet aangevraagd en het is onduidelijk hoe lang dit traject zal duren. De advocaat weet dat De Ambulante Coach ook TNHO uitvoert, en dat deze organisatie geen wachtlijst heeft. Ten aanzien van het middelengebruik van de ouders, is de advocaat samen met de vader bezig zijn amfetaminegebruik te legaliseren door via de huisarts medicatie voor zijn ADHD te organiseren. De ouders zijn boos over de beschuldiging dat de moeder cocaïne zou hebben gebruikt tijdens de zwangerschap. De advocaat kan laten uitzoeken of de urine daadwerkelijk van [de minderjarige] is, maar dit zal veel geld kosten. Dit zal met de GI besproken moeten worden.
De GI heeft naar voren gebracht dat er sprake is van een goede samenwerking met de ouders. De gesprekken met de vader moeten nog plaatsvinden. De GI wil graag zijn traumagerelateerde klachten en zijn amfetaminegebruik bespreken. De ouders zijn nog niet aangemeld voor een TNHO. De GI heeft hiervoor een pilot van Parlan op het oog, maar zal ook de mogelijkheid onderzoeken om De Ambulante Coach in te zetten.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [de minderjarige] is nog maar heel klein en is helemaal afhankelijk. Er bestaan grote zorgen over de veiligheid van [de minderjarige] in de opvoedomgeving bij de ouders, vanwege de partnerrelatie en het middelengebruik van de ouders. Relatief recent, in juli 2025 en dus na de geboorte van [de minderjarige] is er nog een anonieme melding bij Veilig Thuis binnengekomen over (langdurig) verbaal geweld tussen de ouders. Ook lijkt de relatie van de ouders niet in evenwicht, waarbij de moeder veel verantwoordelijkheden op zich neemt en de vader weinig steunend is. De moeder lijkt deze zorgen deels te erkennen maar de vader niet. Daarnaast zijn beide ouders bekend met middelengebruik, waar zij niet altijd eerlijk over zijn geweest richting de hulpverlening. De vader gebruikt dagelijks, ongereguleerd, amfetamine. De moeder heeft nog vlak voor de geboorte van [de minderjarige] geblowd, waar zij eerder aangaf enkel aan het begin van de zwangerschap te hebben geblowd. Tot slot zijn de ouders in conflict met de woningbouwvereniging en dreigen zij hun woning te verliezen, wat veel onrust met zich meebrengt.
De ouders hebben zich eerder niet altijd aan de (veiligheids)afspraken gehouden. Toen de afspraak was gemaakt dat de moeder met [de minderjarige] bij een tante vaderszijde zou verblijven zijn de ouders met [de minderjarige] toch naar hun eigen woning gegaan. Het is noodzakelijk dat er een jeugdbeschermer betrokken blijft bij het gezin die zicht houdt op de veiligheid en de ontwikkeling van [de minderjarige] en de in te zetten hulpverlening voor de ouders. Daarbij is het van belang dat het amfetaminegebruik van de vader gelegaliseerd wordt doordat hij daar medische begeleiding bij krijgt.
Gezien de grote zorgen kan [de minderjarige] op dit moment niet bij de ouders wonen. Een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is daarom noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter vindt het goed te kunnen constateren dat er een plek is voor de moeder met [de minderjarige] in een moeder-kindhuis. Het was al eerder de bedoeling dat de moeder op een neutrale plek zoveel mogelijk zelf voor [de minderjarige] kon zorgen en de hechting op gang kon komen. De kinderrechter betreurt het dat die plaatsing niet door kon gaan en dat het zo lang heeft geduurd voordat een andere plek beschikbaar kwam. Nu hebben de ouders de kamer in het moeder-kindhuis kunnen klaarmaken voor de komst van [de minderjarige] . De moeder kan binnenkort de zorg dragen over [de minderjarige] en de vader mag ruim aanwezig zijn. Door de plaatsing kan gewerkt worden aan de hechtingsrelatie tussen [de minderjarige] en de ouders in een veilige omgeving. Wat voor het vervolg nodig is, is dat er tijdens de plaatsing zicht komt op de partnerrelatie, de weerbaarheid van de moeder, het middelengebruik van de ouders en of de ouders zich aan de afspraken kunnen houden. Gezien de jonge leeftijd van [de minderjarige] is het van belang dat ofwel snel kan worden gestart met een TNHO, ofwel dat de mogelijkheid van een gefaseerde terugplaatsing van [de minderjarige] aan de hand van informatie afkomstig uit het moeder-kindhuis wordt onderzocht. Om vinger aan de pols te houden, ook gezien het beloop tot nu toe, ziet de kinderrechter aanleiding om het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor kortere duur toe te wijzen, namelijk voor drie maanden, met aanhouding van het overige.
De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar en verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van drie maanden, met aanhouding van de resterende periode van drie maanden.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting De Jeugd- & Gezinsbeschermers met ingang van 19 september 2025 tot 19 september 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een moeder-kindhuis, met ingang van 19 september 2025 tot 19 december 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aan tot een nader te bepalen zitting medio december 2025, tegen welke zitting de ouders, mr. P.A.J. Putten, de Raad en de GI dienen te worden opgeroepen;
bepaalt dat de Raad de kinderrechter en alle belanghebbenden uiterlijk één week voor de zitting schriftelijk dient te informeren over de actuele stand van zaken.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2025, in aanwezigheid van mr. E.E. ten Kate als griffier, en vastgesteld en ondertekend op 3 oktober 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.