RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11365396 \ CV EXPL 24-7500
Uitspraakdatum: 20 augustus 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiser 2],beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor hun minderjarige kind 3. [minderjarige],allen wonende te [plaats],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: Yource B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Edelweiss Air
gevestigd te Zürich
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J. Nooij
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 30 augustus 2023 vervoeren van Amsterdam via Zürich (Zwitserland) naar Kaapstad (Zuid-Afrika).
De vlucht Zürich naar Kaapstad (WK86, hierna: de vlucht) is tijdens de uitvoering van de vlucht teruggekeerd naar Zürich.
De passagiers zijn omgeboekt naar de LX1076 en LH576, waarmee zij vanaf Zürich via Frankfurt naar Kaapstad zijn gevlogen.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.
De passagiers zijn door de kantonrechter gemachtigd de onderhavige procedure mede namens hun minderjarige kind te voeren.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente;- € 326,70 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per passagier (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het luchtruim van Mauritanië op de datum van de vlucht de enige veilige doorgang was voor vluchten vanuit Europa naar Zuid-Afrika.
De vervoerder heeft aangevoerd dat het toestel tijdens de uitvoering van de vlucht te horen kreeg dat de algemene vervoersovereenkomst tussen de Zwitserse vervoerders en Mauritanië niet werd geaccepteerd, en dat een specifiek overvliegrecht noodzakelijk was om door het luchtruim van Mauritanië te mogen vliegen. Ter onderbouwing hiervan heeft de vervoerder verwezen naar passages uit het (interne) Daily Operations Report. Daarbij heeft de vervoerder toegelicht dat hij vanwege geheimhouding niet gerechtigd is om de hiervoor bedoelde vervoersovereenkomst tussen de Zwitserse luchtvaartmaatschappijen en Mauritanië en/of de communicatie tussen de Zwitserse Luchtvaartautoriteit (FOCA) en Mauritanië in het geding te brengen.
De kantonrechter overweegt als volgt. Blijkens de Richtsnoeren voor de interpretatie van de Verordening (EG) nr. 261/2004 kunnen luchtvaartmaatschappijen buitengewone omstandigheden aantonen door uittreksels uit hun logboeken of incidentenrapporten en/of externe documenten en verklaringen voor te leggen. Het enkele feit dat het Daily Operations Report een intern document is, betekent dan ook niet dat dit onvoldoende is om een beroep op een buitengewone omstandigheid te onderbouwen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder dan ook voldoende gemotiveerd onderbouwd dat de vlucht onverwachts de toegang tot het Mauritiaanse luchtruim werd ontzegd, en dat hij daarom genoodzaakt om terug te keren naar de luchthaven van vertrek. Het beroep op buitengewone omstandigheden slaagt. Het feit dat de vervoerder in het buitengerechtelijk traject een beroep op een technisch mankement heeft gedaan, is in dit verband van ondergeschikt belang.
De vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging op de eindbestemming te voorkomen dan wel te beperken moet bevestigend worden beantwoord. De passagiers zijn met minder dan 24 uur vertraging op de overeengekomen eindbestemming aangekomen. De vervoerder heeft toegelicht dat hij de passagier heeft omgeboekt op de eerstvolgende vluchtcombinatie naar Zuid-Afrika. De kantonrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat het inzetten van een reservetoestel de vertraging zou hebben voorkomen. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer of anders had kunnen nemen. Gelet op het voorgaande zal de vordering van Airhelp worden afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door de vervoerder worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 408,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 102,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter