RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10947193 \ CV EXPL 24-1330
Uitspraakdatum: 27 augustus 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Airhelp Germany GmbH gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eiseres
hierna te noemen: Airhelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof
tegen
de besloten vennootschap
KLM Cityhopper B.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B.E. Struijk en mr. R.L.S.M. Pessers
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
[betrokkene] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 30 december 2021 vervoeren van Amsterdam naar Wroclaw (Polen), met vlucht KL1271 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd. De passagier is omgeboekt naar vlucht KL1271 van 31 december 2021, waarmee zij met meer dan drie uur vertraging in Wroclaw is aangekomen.
De passagier heeft haar eventuele vorderingsrecht aan Airhelp overgedragen.
Airhelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd. De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
Airhelp vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
Airhelp baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Airhelp stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. Nu gesteld, noch gebleken is dat de vervoerder zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat de vlucht is geannuleerd vanwege de coronapandemie en de daardoor geldende beperkende overheidsmaatregelen, meer in het bijzonder een tekort aan bemanningsleden ten gevolge van de in Nederland geldende quarantaineverplichtingen. Uitsluitend als gevolg van die maatregelen zaten er op de datum van de vlucht 40 bemanningsleden verplicht in quarantaine. De vervoerder heeft daarbij toegelicht dat indien de bemanningsleden die in quarantaine zaten op basis van de overheidsregels beschikbaar waren geweest, de vlucht in kwestie niet zou zijn geannuleerd.
Vast staat dat op het moment dat de vlucht had moeten worden uitgevoerd er sprake was van een wereldwijde corona uitbraak en dat de coronapandemie grote gevolgen heeft gehad voor de luchtvaart. De Europese commissie heeft in haar richtsnoeren betreffende de EU-verordeningen inzake passagiersrechten in de context van de ontwikkeling van COVID-19 op 18 maart 2020 aangegeven dat de maatregelen die overheden nemen om de COVID-19 pandemie in te perken naar hun aard en oorsprong niet inherent zijn aan de normale uitoefening van de activiteiten van luchtvaartmaatschappijen en dat daarmee de coronacrisis valt aan te merken als een buitengewone omstandigheid. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder, onder verwijzing naar de als productie 8 bij antwoord overgelegde stroomschema’s, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de strikte quarantaineverplichtingen te kampen had met een zodanig lage bezettingscapaciteit dat hij geen andere keuze had dan tot annulering van 38 vluchten over te gaan. Dit is een omstandigheid die, anders dan ziekte en/of overlijden van bemanningsleden, niet binnen de risicosfeer van de vervoerder valt. De onderhavige situatie valt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet onder de reikwijdte van het arrest van het Hof van 11 mei 2023 (C-156/22 tot en met C-158/22, ECLI:EU:C:2023:393). De vervoerder heeft verder toegelicht dat hij bij het annuleren van vluchten zijn planning zo heeft ingericht dat hij ieder geval zoveel mogelijk bestemmingen kon blijven aandoen (skeleton netwerk). De kantonrechter begrijpt dat de vervoerder daarom de frequentie van zijn vluchten naar (onder meer) Wroclaw heeft gereduceerd.
De kantonrechter is alles bij elkaar genomen van oordeel dat de vervoerder in onderhavige zaak een geslaagd beroep kan doen op buitengewone omstandigheden. De kantonrechter ziet geen aanleiding om van zijn huidige lijn in jurisprudentie af te wijken.
De vraag die vervolgens voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagier op de eindbestemming als gevolg van de annulering zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat hij de passagier heeft omgeboekt naar de eerst beschikbare vlucht de volgende ochtend, namelijk de KL1271 van Amsterdam naar Wroclaw. Niet gebleken is dat de alternatief aangeboden vlucht geen redelijke maatregel vormt. De kantonrechter is verder van oordeel dat de vervoerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het niet mogelijk was om op de annulering van de vlucht te anticiperen, omdat er voortdurend personeel in- en uit quarantaine gaat.
Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder in dit geval nog meer of anders had kunnen nemen. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging ten gevolge van de annulering te voorkomen dan wel te beperken. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. De vordering van Airhelp zal dan ook worden afgewezen.
De proceskosten komen voor rekening van Airhelp, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten komen voor rekening van Airhelp, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt Airhelp tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 164,00 (2 x € 82,00) aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt Airhelp tot betaling van € 41,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
verklaart dit vonnis – voor wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter