RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11143684 \ CV EXPL 24-3682
Uitspraakdatum: 8 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats] (Verenigd Koninkrijk)
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: Yource B.V.
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
EasyJet Airline Company Limited
gevestigd te Londen Luton (Verenigd Koninkrijk)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;- de akte eiser.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 13 oktober 2023 vervoeren van Amsterdam naar Londen Southend, met vlucht EZY7552 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
De passagier heeft zelf een nieuwe vlucht geboekt. De vervoerder heeft de kosten voor deze vervangende vlucht aan de passagier voldaan.
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente; - € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
Daarnaast vorderen de passagiers afgifte van een certificaat zoals bedoeld in artikel 53 van de herziene EEX-Verordening.
De passagier baseert zijn vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,00 (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De vervoerder heeft eerst bij de conclusie van dupliek een beroep gedaan op artikel 5 lid 1 sub c onder iii van de Verordening. Hij heeft niet toegelicht waarom hij dit standpunt eerst in dupliek heeft ingenomen en gesteld noch gebleken is dat hij dit niet al bij conclusie van antwoord had kunnen doen. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder daarmee in strijd heeft gehandeld met de in artikel 128 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) neergelegde vereiste concentratie van verweer, zodat dit verweer als tardief wordt gepasseerd.
De kantonrechter is verder van oordeel dat wat er ook zij van eventuele buitengewone omstandigheden, niet is gebleken dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging op de eindbestemming als gevolg van de annulering te voorkomen dan wel te beperken. Daarover wordt als volgt overwogen.
De vervoerder heeft met zijn verweer niet aangetoond dat hij de passagier een alternatieve vlucht naar de eindbestemming heeft aangeboden, noch dat het onmogelijk was om de passagier om te boeken naar een andere vlucht. De enkele stelling van de vervoerder dat andere luchtvaartmaatschappijen aan dezelfde beperkingen waren onderworpen is daartoe onvoldoende.
De omstandigheid de passagier zelf een alternatieve vlucht heeft geboekt en daarmee zijn vertraging op de eindbestemming aanzienlijk heeft beperkt, staat niet aan het recht op compensatie aan de weg. Het is aan de vervoerder om actief alle middelen aan te wenden om bij eerste gelegenheid en onder bevredigende voorwaarden redelijk alternatief vervoer voor de passagier beschikbaar te stellen. Het vergoeden van de door de passagier gemaakte kosten staat in dit verband niet gelijk aan het treffen van alle redelijke maatregelen. Het is niet gebleken dat de vervoerder ook maar enige poging heeft gedaan om de passagier actief om te boeken. Het voorgaande betekent dat ook indien op enig moment vast zou komen te staan dat sprake was van een buitengewone omstandigheden, de vervoerder gehouden is de gevorderde compensatie te betalen.
De conclusie is dat de vordering van de passagier wordt toegewezen.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Daarbij wordt hij ook veroordeeld tot betaling van nasalaris.
Het gevorderde certificaat wordt bij gebrek aan belang afgewezen.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 oktober 2023 tot de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 87,00;salaris gemachtigde € 164,00;
nakosten € 41,00;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter