RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11209082 \ CV EXPL 24-4893
Uitspraakdatum: 8 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres]
wonende te [plaats]
eiseres
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: Swier cs gerechtsdeurwaarders
tegen
de naamloze vennootschapSurinaamse Luchtvaartmaatschappij N.V. handelend onder de naam Surinam Airways
gevestigd te Paramaribo (Suriname)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. A.J.F. Gonesh
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 1 juli 2024:
- de conclusie van antwoord van 11 september 2024;
- de conclusie van repliek met vermeerdering eis van 9 oktober 2024;
- de conclusie van dupliek van 6 november 2024; - de ‘conclusie van dupliek in reconventie’ van 29 januari 2025;- de akte gedaagde van 11 februari 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Feiten
De passagier heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder haar op 5 juli 2023 vervoeren van Amsterdam naar Paramaribo (Suriname). In de boekingsbevestiging staat het reserveringsnummer 11UHUM vermeld.
Op 5 juni 2023 heeft de vervoerder boeking 11UHYB op naam van de passagier geannuleerd.
Op 8 juni 2023 heeft de passagier laten weten vanwege de gebrekkige communicatie niet meer met de vervoerder te willen reizen.
In reactie daarop heeft de vervoerder (onder meer) het volgende geschreven: “(…) Bij onlinecontrole heb ik een ander boekingsnummer nl 11UHUM op uw naam staan die niet gecanceld is, er is ook een ticket aangemaakt. Het ticket heb ik ook naar u gemaild.”
Op 9 en 14 juni 2023 heeft de passagier aangegeven ‘nooit meer met de vervoerder te willen vliegen’ en een kosteloze restitutie te verlangen.
Op 18 juli 2023 heeft de vervoerder de ticketprijs van € 1.471,31 terugbetaald aan de passagier.
3. Het geschil
De passagier vordert – na vermeerdering van eis – dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00 aan compensatie;- de verschenen en lopende wettelijke rente over € 1.471,31; - € 235,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten.
De passagier baseert haar vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder haar vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- (artikel 7 van de Verordening).
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.De omvang van het procesdossier
De kantonrechter stelt vast dat géén sprake is van een reconventionele vordering en begrijpt niet waar de titel van het processtuk ‘conclusie van dupliek in reconventie’ vandaan komt. De passagier was in de gelegenheid gesteld om zich over de productie bij de conclusie van dupliek uit te laten, niet om het in de eerdere twee schriftelijke rondes gevoerde debat voort te zetten. De kantonrechter zal dan ook geen acht slaan op het commentaar van de passagier dat niet ziet op de door de vervoerder bij dupliek overgelegde productie. Ook de laatste akte van de vervoerder zal buiten beschouwing worden gelaten, omdat de vervoerder per abuis tot het nemen van die akte in gelegenheid is gesteld.
De vordering tot compensatie
Vaststaat dat de passagier op 5 juni 2023 een annuleringsbericht van de vervoerder heeft ontvangen. Er bleken twee boekingen op naam van de passagier te zijn aangemaakt (11UHUM en 11UHYB), waarvan er één (11UHYB) is geannuleerd. Het is uiteindelijk de passagier zélf geweest die op 8, 9 en 14 juni 2023 heeft aangegeven niet langer met de vervoerder te willen vliegen. De passagier heeft dan ook zelf van de nog staande reservering (11UHUM) afgezien. Er is dan ook geen sprake van een annulering in de zin van de Verordening. De vordering tot compensatie wordt afgewezen.
De nevenvorderingen
De vervoerder heeft de restitutie van de ongebruikte vliegtickets op 18 juli 2023 voldaan. De passagier heeft een bedrag aan vervallen wettelijke rente gevorderd. Zij heeft echter niet gespecificeerd over welke periode deze rente is berekend. De kantonrechter kan daardoor niet beoordelen of er een grondslag voor deze vordering bestaat. Daarom wordt dit onderdeel van de vordering afgewezen.
De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 27 juni 2023 (de vervaldatum van de eerste aanmaning in het dossier) tot 18 juli 2023.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van de wettelijke rente over € 1.471,31 vanaf 27 juni 2023 tot 18 juli 2023;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter