RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11322158 \ CV EXPL 24-6688
Uitspraakdatum: 29 oktober 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1]
2. [eiser 2] beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
British Airways Plc
gevestigd te Cardiff, Verenigd Koninkrijk
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt (Ploum)
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een geannuleerde vlucht. De vervoerder voert aan dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. De passagiers betwisten niet dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden maar wel dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging vanwege de annulering te voorkomen en te beperken. Zij voeren aan dat zij na de annulering zijn omgeboekt op een alternatieve vlucht die met meer dan een dag vertraging zou aankomen en dat er eerdere mogelijkheden waren. Het betoog van de passagiers slaagt. Daarom heeft de vervoerder niet alle redelijke maatregelen getroffen en wordt de vordering toegewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 30 juni 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Londen, Verenigd Koninkrijk, met vlucht [plaats] (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht geannuleerd.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 90,75 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de annulering van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 250,- per persoon.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden. Deze konden ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen worden.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de vlucht is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen kon worden.
Omdat de passagiers niet hebben betwist dat de annulering van de vlucht het gevolg was van buitengewone omstandigheden, staat dit vast. Resteert de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging vanwege de annulering te voorkomen of te beperken.
De vervoerder stelt in dit verband dat hij geen andere keuze had dan de vlucht te annuleren. Hij heeft de passagiers vervolgens direct op de hoogte gebracht en hen omgeboekt naar een andere vlucht naar de eindbestemming. De passagiers zijn uiteindelijk twee uur eerder dan gepland op de eindbestemming aangekomen.
De passagiers betwisten dit. Zij voeren aan dat de vervoerder hen heeft omgeboekt naar een vlucht van de vervoerder zelf, met hetzelfde vluchtnummer, een dag later. Hiermee zouden zij met een vertraging van meer dan 24 uur aankomen. Zij hebben dit aanbod geweigerd en hebben zelf een alternatieve vlucht bij EasyJet geboekt, waardoor zij twee uur eerder dan gepland zijn aangekomen. Volgens de passagiers had de vervoerder hen op een eerdere vlucht moeten omboeken.
De passagiers hebben de kantonrechter verzocht prejudiciële vragen te stellen over de vraag of de vervoerder in een dergelijke situatie alle redelijke maatregelen heeft getroffen. De kantonrechter overweegt dat de hoogste nationale rechter van de EU-lidstaten verplicht is om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof als een vraag over de uitleg van Unierecht wordt opgeworpen. Hierop geldt onder meer een uitzondering als de nationale rechter vaststelt dat de betreffende bepaling van het Unierecht door het Hof reeds is uitgelegd of de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan. Hierin ligt besloten dat de kantonrechter slechts prejudiciële vragen moet stellen aan het Hof als de kantonrechter zonder uitleg van het Hof niet tot een beslissing kan komen. In deze zaak ziet de kantonrechter geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
De vervoerder heeft bij dupliek het standpunt ingenomen dat de alternatieve vlucht van EasyJet, waarmee de passagiers uiteindelijk twee uur eerder dan gepland op de eindbestemming zijn aangekomen, ook door hem is aangeboden en niet – zoals de passagiers aanvoeren – door de passagiers zelf is geboekt.
Gesteld noch gebleken is echter dat hij dit verweer niet al bij conclusie van antwoord naar voren had kunnen brengen. Op grond van het vereiste van concentratie van verweer was hij hiertoe wel gehouden. De passagiers hadden hun standpunt over de omboeking immers al in de dagvaarding opgenomen en zij hebben ook niet meer op dit betoog van de vervoerder kunnen reageren. De kantonrechter zal daarom aan dit betoog voorbijgaan.
De kantonrechter overweegt daarnaast dat de Verordening de vervoerder verplicht om passagiers bij annulering de keuze te bieden tussen terugbetaling van de tickets of, zoals in dit geval, een andere vlucht bij eerste gelegenheid naar de eindbestemming. Het Hof heeft geoordeeld dat hieruit volgt dat een luchtvaartmaatschappij niet alle redelijke maatregelen heeft getroffen als zij volstaat met het aanbieden van alternatief vervoer met de volgende vlucht die zijzelf uitvoert en die op de dag na de oorspronkelijk geplande dag op de eindbestemming aankomt. Dit is slechts anders als er geen enkele andere mogelijkheid was voor een alternatieve vlucht die op een minder laat tijdstip aankwam of als het organiseren daarvan een onaanvaardbaar offer voor de luchtvaartmaatschappij vormde met het oog op de mogelijkheden van haar onderneming.
Vast staat dat de vervoerder de passagiers na de annulering een alternatieve vlucht heeft aangeboden die hij zelf zou uitvoeren en waarmee de passagiers met meer dan een dag vertraging op de eindbestemming zouden aankomen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft hij daarmee, gelet op het voorgaande, niet alle redelijke maatregelen getroffen. Hij heeft namelijk niet gesteld dat er geen andere mogelijkheden waren of dat het organiseren daarvan een onaanvaardbaar offer zou vormen. De omstandigheid dat de passagiers er vervolgens voor hebben gekozen om zelf een eerdere alternatieve vlucht bij een andere luchtvaartmaatschappij te boeken, waarmee zij ruimschoots eerder zijn aangekomen, maakt dit niet anders. Dit was immers niet een maatregel die de vervoerder heeft getroffen maar een eigen initiatief van de passagiers. Daarom slaagt het verweer van de vervoerder niet. De door de passagiers gevorderde compensatie zal worden toegewezen. De over de hoofdsom gevorderde wettelijke rente is als onbetwist eveneens toewijsbaar.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De vervoerder heeft niet betwist dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, behalve dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. De passagiers hebben daar in ieder geval vanaf die datum recht op. Zij hebben niet gesteld of gebleken dat zij dit ook al vanaf een eerdere datum hadden.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 590,75, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 500,00 vanaf 30 juni 2022, en over € 90,75 vanaf 11 juni 2024, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 218,00;salaris gemachtigde € 270,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter