RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11387766 \ CV EXPL 24-2976 TB
Vonnis van 5 juni 2025
in de zaak van
de vereniging
VERENIGING VAN EIGENAREN [vereniging],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de VvE,
gemachtigde: S. Baldinger,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. M.T. Eckhart.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 oktober 2024
- het mondelinge antwoord van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 14 november 2024
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 9 januari 2025
- het tussenvonnis van 13 februari 2025
- de akte van de VvE van 26 februari 2025- de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 28 april 2025
- de mondelinge behandeling van 8 mei 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn eigenaar van het appartement aan het adres [adres] in [plaats] . Zij zijn lid van de Vereniging van Eigenaren [vereniging] (hierna: VvE) van het appartementencomplex waarvan hun appartement deel uitmaakt.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] verhuren dit appartement en zijn zelf woonachtig in [plaats] .
Bij brieven van 28 juni 2023, 30 augustus 2023, 30 november 2023 en 23 juli 2024 heeft de VvE herinneringen gestuurd aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor betaling van servicekosten. De brieven zijn gestuurd naar voormeld adres in [plaats] .
Op 18 september 2024 heeft de gemachtigde van de VvE een sommatie aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestuurd voor betaling van € 7.665,87 aan servicekosten. De brief is gestuurd naar het adres van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in [plaats] .
Op 9 oktober 2024 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een e-mail aan de gemachtigde van de VvE gestuurd waarin zij een nadere onderbouwing vragen van de hoofdsom en waarin zij schrijven dat zij geen eerdere communicatie hebben ontvangen over de openstaande vordering.
3. Het geschil
De VvE vordert - samengevat en na wijziging van eis - betaling van € 8.949,19 (bestaande uit € 7.335,03 aan hoofdsom (tot en met augustus 2024), € 877,50 aan buitengerechtelijke incassokosten (incl. btw) en € 74,98 aan reeds verschenen rente), vermeerderd met verdere rente en kosten. De hoofdsom is het saldo van de (service)kosten, welke kosten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volgens de VvE zijn verschuldigd.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De vraag is of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de door de VvE in rekening gebrachte (service)kosten moeten betalen over juli 2022 tot en met augustus 2024 en of zij gehouden zijn tot het betalen van de bijkomende kosten. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zowel de hoofdsom als de bijkomende kosten moeten betalen en legt hieronder uit waarom.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] erkennen dat zij de VvE servicekosten zijn verschuldigd. Zij betwisten bij gebrek aan wetenschap de hoogte van de servicekosten omdat zij geen facturen of andere informatie hierover van de VvE hebben ontvangen. Daardoor, zo voeren zij aan, kunnen zij niet controleren of de kosten correct zijn.
De VvE heeft voorafgaand aan de zitting bij akte overlegging producties specificaties overgelegd van de (service)kosten over 2022 tot en met 2024. Daarop is ook te zien wat in rekening is gebracht aan afrekeningen en bijdragen voor groot onderhoud.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben deze specificaties onvoldoende gemotiveerd betwist.
De kantonrechter gaat dan ook uit van de juistheid van deze bedragen. Voor zover [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich op het standpunt stellen dat zij deze servicekosten niet zijn verschuldigd omdat zij hiervan geen facturen en/of andere informatie hebben ontvangen, volgt de kantonrechter dit standpunt niet. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] wisten dat zij servicekosten verschuldigd zijn aan de VvE en dat zij die servicekosten moeten betalen. Namens de VvE is ter zitting met juistheid toegelicht dat voor de verschuldigdheid van servicekosten, anders dan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] menen, geen factuur is vereist. De verschuldigdheid daarvan volgt uit de akte van levering van het appartement. Dit kan hen dan ook niet ontslaan van hun betalingsverplichting. Ditzelfde geldt voor het gestelde gebrek aan overige informatie vanuit de VvE aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Ten aanzien van de afrekeningen en bijdragen groot onderhoud die op de specificaties zijn vermeld, heeft de VvE toegelicht dat deze kosten jaarlijks op de algemene ledenvergadering van de VvE worden besproken. Niet betwist is dat informatie hierover door de VvE is verzonden naar het verhuuradres in [plaats] . Ook al zou het juist zijn dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij de akte van levering hebben aangegeven dat berichten van de VvE niet naar het verhuuradres in [plaats] maar naar hun woonadres in [plaats] moesten worden gestuurd, dan nog was het aan hen om tijdig aan hun betalingsverplichting te voldoen en bij onduidelijkheid over de hoogte daarvan tijdig navraag te doen bij de VvE. Gelet hierop kan in het midden blijven of destijds bij de overdracht het juiste postadres is ingevoerd. Ter zitting heeft [gedaagde 1] verklaard dat het hun gewoon is ontschoten. Dit kan zo zijn, maar te meer gelet op het feit dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , zoals hij ter zitting heeft toegelicht, eigenaar zijn van meerdere appartementen en ook daar servicekosten betalen, hadden zij beter moeten weten en komt deze nalatigheid voor hun rekening en risico. Het voorgaande betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de VvE een bedrag van € 7.335,03 aan hoofdsom moeten betalen.
De VvE maakt verder aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het verweer dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daartegen voeren, wordt verworpen. Zij stellen dat zij geen bijkomende kosten verschuldigd zijn omdat zij niet op de hoogte waren van een achterstand. De kantonrechter stelt vast dat op 18 september 2024 door de gemachtigde van de VvE een brief is gestuurd - die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) - gericht aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op hun adres in [plaats] . Deze brief bood hun de mogelijkheid om de hoofdsom zonder bijkomende kosten en rente aan (de gemachtigde van) de VvE te voldoen indien zij dit binnen veertien dagen deden. Eerst op 9 oktober 2024 volgt een reactie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Zij verzoeken dan om een nadere onderbouwing van de hoofdsom en merken op dat zij niet eerder iets hebben gehoord over een openstaande vordering. Door niet tijdig te reageren en aan deze sommatie te voldoen zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook de bijkomende kosten aan de VvE verschuldigd. Daarom zal een bedrag van € 877,50 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de VvE in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kan maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.
Over de gevorderde wettelijke rente geldt het volgende. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn bij niet tijdige betaling op grond van het bepaalde in artikel 6:119 BW de wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag van opeisbaarheid daarvan. Namens de VvE is echter niet geconcretiseerd vanaf welk moment de (service)kosten opeisbaar zijn geworden. Namens de VvE is toegelicht dat het gebruikelijk is dat maandelijks een aanmaning wordt verstuurd, maar dat door een nieuw administratiesysteem dit niet maandelijks is gebeurd. Het heeft kennelijk langer dan normaal geduurd dat de administratie van de verschuldigde kosten werd verwerkt.
De kantonrechter ziet in het voorgaande aanleiding als ingangsdatum van de wettelijke rente uit te gaan van de datum veertien dagen gelegen na 18 september 2024 over de hoofdsom, te weten 3 oktober 2024.
Dit leidt ertoe dat de kantonrechter de vordering van de VvE zal toewijzen als hieronder is vermeld. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben nog aangevoerd dat de VvE in strijd met de waarheid- en substantiëringsplicht in de dagvaarding heeft vermeld dat sprake is van een onbetwiste vordering en dat geen verweer bekend is. De kantonrechter is van oordeel dat in de dagvaarding inderdaad melding had kunnen worden gemaakt van het mailbericht van 9 oktober 2024 van [gedaagde 1] waarin hij om nadere informatie vraagt. Ook had (de gemachtigde van) de VvE al bij dagvaarding de specificaties kunnen overleggen, welke uiteindelijk pas in februari 2025 nadat de conclusie van antwoord al genomen was, zijn overgelegd. De kantonrechter volstaat in dit geval met deze constatering en verbindt hier verder geen gevolgen aan. Dit omdat eventuele kosten voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet zozeer hierdoor zijn ontstaan maar in de eerste plaats doordat zij niet eerder in contact zijn getreden met de VvE.
De proceskosten van de VvE worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,61
- griffierecht
€
524,00
- salaris gemachtigde
€
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.450,61
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan de VvE te betalen een bedrag van € 7.335,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 3 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan de VvE te betalen een bedrag van € 877,50 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.450,61, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.