ECLI:NL:RBNHO:2025:12608

ECLI:NL:RBNHO:2025:12608, Rechtbank Noord-Holland, 05-06-2025, 11306305 \ CV EXPL 24-2517

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 05-06-2025
Datum publicatie 19-12-2025
Zaaknummer 11306305 \ CV EXPL 24-2517
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zaanstad

Samenvatting

aanneming van werk, aannemer en onderaannemer, geheimhoudingsbeding, verrekening boetefactuur

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zaanstad

Zaaknummer: 11306305 \ CV EXPL 24-2517 TB

Vonnis van 5 juni 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: Omnicas B.V.,

tegen

J.E. BOUW B.V.,

te Purmerend,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: J.E. Bouw,

gemachtigde: mr. J.C.I. Veerman.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 10 september 2024

- de conclusie van antwoord in conventie en tevens eis in reconventie van 5 december 2024

- het tussenvonnis van 19 december 2024

- de mondelinge behandeling van 15 april 2025. J.E. Bouw en haar gemachtigde zijn op die zitting verschenen. [eiser] en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat J.E. Bouw ter toelichting van haar standpunt naar voren heeft gebracht.

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 april 2025.

- [eiser] is na de zitting in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 april 2025. [eiser] heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiser] heeft in opdracht van J.E. Bouw werkzaamheden verricht op een project in Heemskerk in de periode van 28 januari 2022 tot en met 1 maart 2022.

[eiser] heeft aan J.E. Bouw de volgende facturen gezonden:

28 januari 2022 € 1.500,00

4 februari 2022 € 1.500,00

11 februari 2022 € 1.500,00

25 februari 2022 € 1.500,00

1 maart 2022 € 560,00

Totaal € 6.560,00

In januari 2022 heeft tussen partijen een gesprek plaatsgevonden op het kantoor van J.E. Bouw.

Op 11 februari 2022 heeft J.E. Bouw een e-mail aan [eiser] gestuurd dat de samenwerking wordt beëindigd per 1 maart 2022, rekening houdend met een opzegtermijn van drie weken. Daarbij heeft J.E. Bouw laten weten dat [eiser] het geheimhoudingsbeding heeft overtreden en daarvoor een boete krijgt van J.E. Bouw.

In artikel 10.1 van de modelovereenkomst is het volgende geheimhoudingsbeding opgenomen: ‘Onderaannemer verplicht zich tot volstrekte geheimhouding met betrekking tot alle informatie omtrent Aannemer, de opdracht en Client van Aannemer, welke haar uit hoofde van het uitvoeren van iedere opdracht op basis van deze overeenkomst ter kennis komen. Bij overtreding van de geheimhoudingsplicht verbeurt Aannemer aan Onderaannemer een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete groot € 5.000,- per overtreding, (…).’.

Op 1 maart 2022 is de samenwerking tussen partijen geëindigd.

Op 28 maart 2022 heeft J.E. Bouw een boetefactuur gestuurd aan [eiser] voor € 5.000,00.

Op 1 april 2022 heeft J.E. Bouw een bedrag van € 1.560,00 voldaan aan [eiser] .

Op 8 april 2022 heeft J.E. Bouw een e-mail gestuurd aan de gemachtigde van [eiser] waarin zij - samengevat - meedeelt dat met [eiser] een contract is gesloten met een betalingstermijn van 30 dagen na binnenkomst van de factuur en goedkeuring. J.E. Bouw heeft moeten wachten op papierwerk van [eiser] waardoor de facturen onbetaald zijn gebleven. Op 1 maart zijn de stukken aangeleverd en is het akkoord bevonden en is de betalingstermijn ingegaan. Daarnaast maakt J.E. Bouw melding van het schenden van de geheimhoudingsplicht zodat J.E. Bouw daarom een boete heeft opgelegd aan [eiser] .

De boete is verrekend met de facturen.

Op 13 april 2022 is namens [eiser] een e-mail gestuurd aan J.E. Bouw waarin - samengevat - staat dat hij nooit akkoord is gegaan met de door J.E. Bouw geschetste betalingstermijn en -voorwaarden. Daarnaast betwist [eiser] de door J.E. Bouw verstuurde nota voor schending van de geheimhoudingsplicht en betwist hij dat überhaupt een geheimhoudingsplicht is geschonden.

Op 25 april 2022 is namens [eiser] een e-mail gestuurd aan J.E. Bouw waarin - samengevat - staat dat er geen overeenkomst is gesloten en het document ziet op een ander project dan de openstaande vordering. J.E. Bouw is in verzuim met het betalen van zijn facturen. Er is volgens hem onterecht een nota verstuurd voor schending van een geheimhoudingsplicht en deze is onterecht verrekend met de facturen. [eiser] betwist daarnaast dat sprake is van schending van een geheimhoudingsplicht en dat hier een afspraak over is gemaakt.

3. Het geschil

in conventie

[eiser] vordert - samengevat - betaling van € 6.811,95 (bestaande uit € 6.560,00 aan hoofdsom, € 703,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 1.108,95 aan rente minus een betaling van € 1.560,00), vermeerderd rente en kosten.

[eiser] legt hieraan ten grondslag dat hij in opdracht en voor rekening van J.E. Bouw werkzaamheden heeft verricht en dat J.E. Bouw uit dien hoofde gehouden is tot betaling van de gefactureerde bedragen over te gaan. Volgens [eiser] heeft J.E. Bouw de facturen niet betaald, op een betaling van € 1.560,00 na. Gelet op het verzuim is J.E. Bouw ook rente en kosten verschuldigd.

J.E. Bouw voert verweer tegen de vordering en stelt zich op het standpunt dat de facturen zijn voldaan door middel van verrekening en een betaling van € 1.560,00.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

J.E. Bouw vordert - samengevat – een verklaring voor recht dat [eiser] de in de modelovereenkomst van 8 juli 2021 overeengekomen geheimhoudingsbeding heeft overtreden, betaling van € 5.000,00 boete, dat J.E. Bouw op goede gronden de verschuldigde boete van € 5.000,00 heeft mogen verrekenen met het restant van de openstaande facturen. J.E. Bouw vordert daarnaast om [eiser] te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.

J.E. Bouw legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft het tussen partijen overeenkomen geheimhoudingsbeding geschonden door zich in strijd met de waarheid uit te laten over het betalingsgedrag van J.E. Bouw.

Hierop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

Tussen partijen is niet in geschil dat de werkzaamheden waarop de facturen betrekking hebben door [eiser] zijn verricht en dat J.E. Bouw voor die werkzaamheden moet betalen, te weten een bedrag van € 6.560,00. Van dit bedrag heeft J.E. Bouw

€ 1.560,00 betaald, zodat J.E. Bouw aan [eiser] in beginsel nog € 5.000,00 is verschuldigd.

J.E. Bouw doet echter een beroep op verrekening van het restant van het factuurbedrag van € 5.000,00 met de boetefactuur van € 5.000,00 die zij heeft gezonden aan [eiser] omdat deze zich volgens J.E. Bouw niet aan het geheimhoudingsbeding heeft gehouden.

De kantonrechter stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op verrekening onder meer is vereist dat J.E. Bouw een opeisbare vordering heeft op [eiser] , zodat de kantonrechter hierna eerst de gegrondheid van die vordering zal beoordelen.

J.E. Bouw legt aan de boetefactuur ten grondslag schending van het in de modelovereenkomst opgenomen geheimhoudingsbeding doordat [eiser] uitlatingen over het betaalgedrag van J.E. Bouw zou hebben gedaan. J.E. Bouw stelt dat tussen partijen op 8 juli 2021 een modelovereenkomst is gesloten voor een werk in Amsterdam. Daarna zijn partijen mondeling overeengekomen dat de inhoud ook zou gelden voor toekomstige projecten. [eiser] betwist dit. Of tussen partijen een modelovereenkomst is gesloten voor een werk in Amsterdam staat tussen partijen in onderhavige procedure niet ter discussie, maar wel of zij een mondelinge afspraak hierover hebben gemaakt ten aanzien van toekomstige projecten. J.E. Bouw beroept zich dus op een mondelinge afspraak ten aanzien van het project in Heemskerk. Het is daarom aan J.E. Bouw om te stellen en zo nodig te bewijzen dat er afwijkende afspraken zijn gemaakt.

J.E. Bouw heeft op de zitting haar standpunt toegelicht en is daarbij ook ingegaan op het door [eiser] gevoerde verweer ten aanzien van de modelovereenkomst en de mondelinge afspraak. Omdat [eiser] niet op de zitting is verschenen en, ondanks daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet schriftelijk heeft gereageerd op het proces-verbaal van de zitting, heeft hij dus niet gereageerd op wat J.E. Bouw op de zitting naar voren heeft gebracht. Uit het niet verschijnen op de zitting en het uitblijven van een reactie op het proces-verbaal kan de kantonrechter de gevolgtrekkingen maken die zij geraden acht. In dit geval leidt de kantonrechter uit het niet verschijnen van [eiser] af dat hij deze stellingen van J.E. Bouw niet (meer) betwist. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid hiervan. Dat houdt in dat de kantonrechter J.E. Bouw volgt in haar stelling dat tussen partijen de modelovereenkomst en het daarin opgenomen geheimhoudingsbeding zoals in artikel 10.1 is vermeld ook geldt voor het project in Heemskerk.

Volgens J.E. Bouw heeft [eiser] tegen verschillende opdrachtgevers gezegd dat J.E. Bouw facturen niet op tijd zou betalen en hebben die uitlatingen haar in diskrediet gebracht. [eiser] heeft deze uitingen volgens J.E. Bouw ten onrechte gedaan omdat nooit sprake van is geweest van te late betaling van facturen. Door zich op deze wijze uit te laten over J.E. Bouw heeft [eiser] volgens J.E. Bouw het geheimhoudingsbeding overtreden en is hij daarom een boete ter hoogte van € 5.000,00 verschuldigd.

[eiser] heeft dit standpunt zowel in mailcorrespondentie met J.E. Bouw voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding als in de dagvaarding gemotiveerd betwist.

De kantonrechter is van oordeel dat omdat J.E. Bouw zich beroept op het schenden van het geheimhoudingsbeding het aan haar is om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan zij meent dat [eiser] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. Dit geldt te meer in het licht van de eerdere betwisting door [eiser] . J.E. Bouw heeft echter onvoldoende gesteld met betrekking tot de schending van de geheimhouding. J.E. Bouw heeft dit niet onderbouwd. De enkele stelling van J.E. Bouw dat [eiser] de vermeende uitlatingen heeft gedaan tegen verschillende opdrachtgevers, onder wie Alert, is zonder dit verder te concretiseren met een hoe, wat, waar en wanneer, onvoldoende om haar tot bewijs toe te laten. J.E. Bouw heeft hierover, ook nadat daar tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk naar is gevraagd, niet concreet verklaard. J.E. Bouw stelt slechts in de meest algemene termen dat informatie is gedeeld over het betaalgedrag van J.E. Bouw. Daarmee is niet komen vast te staan dat [eiser] het geheimhoudingsbeding heeft geschonden. Er is dus geen sprake van het verbeuren van een boete. Dit betekent dat J.E. Bouw geen opeisbare vordering heeft op [eiser] en zij dus geen beroep kan doen op verrekening.

Met inachtneming van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat voor de (voorwaardelijke) vorderingen van J.E. Bouw aldus geen grondslag bestaat. De conclusie is dat de reconventionele vorderingen moeten worden afgewezen.

Tussen partijen bestaat voorts nog discussie over de termijn waarbinnen de facturen van [eiser] door J.E. Bouw betaald hadden moeten worden. [eiser] stelt dat op de rechtsverhouding tussen partijen de ‘Omnicas B.V. Betalingsvoorwaarden’ van toepassing zijn. Dat deze betalingsvoorwaarden van toepassing zijn, wordt betwist door J.E. Bouw. Zij voert aan dat de betalingsvoorwaarden niet tussen partijen gelden maar tussen [eiser] en zijn gemachtigde. Gelet op de gemotiveerde betwisting van J.E. Bouw, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat tussen partijen voornoemde betalingsvoorwaarden zijn overeengekomen. Omdat J.E. Bouw de toepasselijkheid van de betalingsvoorwaarden heeft betwist leidt dit er toe dat [eiser] geen beroep op deze voorwaarden kan doen. J.E. Bouw verwijst in dat kader naar de tussen partijen geldende modelovereenkomst waarin in artikel 7.3 is opgenomen dat binnen 30 dagen na ontvangst van de factuur en het betreffende tijdverantwoordingsformulier voor betaling zorg zal worden gedragen.

J.E. Bouw heeft op de zitting nader toegelicht dat mondeling met [eiser] is afgesproken dat, naast een tijdverantwoordingsformulier, ook het zogenoemde A1 formulier moest worden aangepast en worden ingeleverd bij J.E. Bouw en dat de facturen na ontvangst van dat formulier pas betaald zouden worden. J.E. Bouw stelt dat zij het formulier op 1 maart 2022 heeft ontvangen. [eiser] heeft deze stelling niet betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid hiervan. Dit betekent dat J.E. Bouw de facturen van [eiser] binnen 30 dagen na ontvangst van het A1 formulier had moeten betalen. J.E. Bouw heeft op 1 april 2022 slechts een deelbetaling gedaan van € 1.560,00, zodat een bedrag van € 5.000,00 onbetaald is gelaten. J.E. Bouw was vanaf dat moment dus in verzuim.

Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [eiser] tot betaling van € 5.000,00 kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2022.

[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het gevorderde bedrag van € 703,00 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

J.E. Bouw is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

115,22

- griffierecht

248,00

- salaris gemachtigde

678,00

(2 punten × € 339,00)

- nakosten

135,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.176,22

J.E. Bouw is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen, die worden begroot op nihil.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

veroordeelt J.E. Bouw om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf 1 april 2022 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt J.E. Bouw om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 703,00 aan buitengerechtelijke kosten,

veroordeelt J.E. Bouw in de proceskosten van € 1.176,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

veroordeelt J.E. Bouw tot betaling van de kosten van betekening als J.E. Bouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen van J.E. Bouw af,

veroordeelt J.E. Bouw in de proceskosten tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?