RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11345357 \ CV EXPL 24-2696 TB
Vonnis van 26 juni 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap
HAARLEMS TIMMERFABRIEK B.V.,
te Haarlem,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Haarlems Timmerfabriek,
gemachtigde: mr. A.F.H. Spoormaker,
tegen
[gedaagde] handelend onder de naam [naam 1] PROJECTMANAGEMENT,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.H. Heerebout.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 september 2024
- de conclusie van antwoord van 12 december 2024
- de aanvullende conclusie van antwoord en eis in reconventie van 9 januari 2025
- het tussenvonnis van 6 februari 2025
- de conclusie van antwoord in reconventie van 2 mei 2025
- de akte overlegging producties van [gedaagde] van 20 mei 2025
- de mondelinge behandeling van 22 mei 2025, waar beide partijen pleitaantekeningen hebben ingebracht en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
In 2022 heeft Haarlems Timmerfabriek aan [gedaagde] een offerte uitgebracht voor (in ieder geval) het vervaardigen en leveren van 19 op maat gemaakte houten kozijnen voor een project van [gedaagde] in Amsterdam voor een totaalprijs van € 28.082,00 exclusief btw (€ 33.979,22 inclusief btw). In de offerte is onder meer een specificatie van de kosten opgenomen. Daarnaast vermeldt de offerte het volgende:
“Kozijnen: Mahonie, Kleur: RAL9001(wit), dxb: 67 x 114
Ramen: Mahonie
Deuren: Mahonie
Glas: Wordt niet meegeleverd
Levering: AF FABRIEK
Levertijd: Nader overeen te komen.
Betaling: 50% voor productie / 50% voor aflevering”
Op de offerte zijn de Algemene voorwaarden Haarlems Timmerfabriek BV (hierna: algemene voorwaarden) van toepassing. Daarin is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“Artikel 1. Begrippen (…) De overeenkomst: de tussen afnemer en leverancier tot stand gekomen overeenkomst tot koop en verkoop van producten;
(…)
Haarlems Timmerfabriek BV factureert 100% voor levering en of montage. Haarlems Timmerfabriek BV behoudt het recht om de producten of diensten niet te leveren als betaling uitblijft. Klant is wel verplicht om de vordering alsnog te betalen.”
Haarlems Timmerfabriek heeft op 10 oktober 2022 aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor de eerste betalingstermijn ter hoogte van € 18.150,00 inclusief btw. Op de factuur is onder meer vermeld bij omschrijving van de werkzaamheden ‘af fabriek diverse kozijnen’. [gedaagde] heeft deze factuur op 20 oktober 2022 voldaan.
Op 18 juli 2023 heeft Haarlems Timmerfabriek aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor het restantbedrag van € 15.829,22 inclusief btw. [gedaagde] heeft deze factuur niet betaald.
Op 26 oktober 2023 heeft Haarlems Timmerfabriek [gedaagde] verzocht om de kozijnen op te halen en om over te gaan tot betaling van het restantbedrag van € 15.826,22. Dit heeft [gedaagde] niet gedaan. Een gemaakte afspraak om de kozijnen op 15 december 2023 op te halen heeft geen doorgang gevonden.
3. Het geschil
in conventie
Haarlems Timmerfabriek vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 16.762,51 (€ 15.829,22 aan hoofdsom en € 933,29 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en kosten. Daarnaast vordert Haarlems Timmerfabriek te bepalen dat zij de kozijnen mag laten afvoeren en vernietigen onder vergoeding van de redelijke kosten daarvan, indien niet binnen vier weken volledige betaling is ontvangen en/of de kozijnen zijn afgenomen.
Haarlems Timmerfabriek legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Tussen Haarlems Timmerfabriek en [gedaagde] is een overeenkomst gesloten tot vervaardigen en leveren van een aantal houten kozijnen (negentien stuks). [gedaagde] heeft in oktober 2022 conform de eerste factuur een betaling gedaan van € 18.150,00. De kozijnen waren medio 2023 gereed voor levering aan [gedaagde] . [gedaagde] is echter in gebreke gebleven met het afnemen van de kozijnen en het voldoen van de tweede factuur ten bedrage van € 15.829,22. De factuur is ondanks aanmaning en sommatie onbetaald gelaten. Omdat betaling uitbleef, heeft Haarlems Timmerfabriek haar vordering uit handen gegeven aan haar gemachtigde. Haarlems Timmerfabriek vordert daarom ook rente en kosten. Indien [gedaagde] de kozijnen niet alsnog afneemt, wenst Haarlems Timmerfabriek bevrijd te worden van haar verplichting tot levering.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen, omdat er niet is voldaan aan drie opschortende voorwaarden: 1) Haarlems Timmerfabriek zou de kozijnen ook plaatsen (en niet alleen produceren en leveren), 2) Haarlems Timmerfabriek zou de kozijnen pas in productie nemen na een opdracht daartoe door [gedaagde] , 3) Haarlems Timmerfabriek zou de kozijnen pas mogen produceren nadat er een omgevingsvergunning voor het project in Amsterdam zou zijn verleend. Als er wel een overeenkomst tot stand zou zijn, dan vindt [gedaagde] dat Haarlems Timmerfabriek haar eigen verplichtingen niet is nagekomen en dus zelf in verzuim is. Ook vindt [gedaagde] dat Haarlems Timmerfabriek innerlijk tegenstrijdige verklaringen aflegt en betwist hij dat de kozijnen daadwerkelijk zijn geproduceerd. Verder heeft [gedaagde] gesteld dat de kozijnen, als deze al geproduceerd zijn, op basis van onjuiste tekeningen en daarom met een onjuiste maatvoering zijn geproduceerd. Ter zitting heeft [gedaagde] zich nog beroepen op een schending van de waarheids- en volledigheidsplicht door Haarlems Timmerfabriek, omdat Haarlems Timmerfabriek heeft gesteld dat [gedaagde] haar tekeningen heeft verstrekt van een ander bedrijf en op basis daarvan haar eigen tekeningen heeft gemaakt, maar die tekeningen niet heeft overgelegd.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[gedaagde] vordert - samengevat en na wijziging van eis - primair terugbetaling van al hetgeen hij aan Haarlems Timmerfabriek heeft betaald en subsidiair te bepalen dat [gedaagde] is ontheven van zijn verbintenissen, in het geval Haarlems Timmerfabriek binnen vier weken niet instemt om de montage te laten doen voor haar risico (maar wel voor rekening van [gedaagde] na akkoord voor de kosten), niet instemt met levering op eerste afroep door [gedaagde] en niet wacht op een omgevingsvergunning van de gemeente Amsterdam.
[gedaagde] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Omdat er geen overeenkomst tot stand is gekomen is het door [gedaagde] betaalde bedrag van € 18.150,00 (de eerste termijn) onverschuldigd betaald. Voor zover er wel een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, heeft [gedaagde] bij conclusie van antwoord de overeenkomst ontbonden wegens het door Haarlems Timmerfabriek niet willen nakomen van de overeenkomst. Haarlems Timmerfabriek is daarmee van rechtswege in verzuim en daarom is terecht ontbonden.
Haarlems Timmerfabriek voert verweer. Zij voert aan dat er geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Er zijn geen opschortende voorwaarden overeengekomen tussen partijen. Haarlems Timmerfabriek is ook bereid tot nakoming van de overeenkomst, maar [gedaagde] stelt ten onrechte voorwaarden aan de nakoming.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
Wijziging eis ter zitting
Haarlems Timmerfabriek heeft ter zitting verzocht om de vordering tot - kort gezegd - het laten afvoeren en vernietigen van de kozijnen te wijzigen en haar te bevrijden van haar verplichtingen aan te vullen met een veroordeling tot het (laten) afnemen van de overeengekomen kozijnen. De kantonrechter wijst dit verzoek af. Artikel 130 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat een wijziging van eis of de gronden daarvan, schriftelijk bij conclusie of akte ter rolle, moet plaatsvinden. De strekking daarvan is dat voor de wederpartij en de kantonrechter duidelijk moet zijn wat de vorderingen na wijziging precies inhouden en welke gronden daaraan ten grondslag zijn gelegd. De wederpartij moet weten waar zij zich tegen moet verweren. Indien een dergelijke wijziging bij zitting wordt doorgevoerd, moet deze in ieder geval tijdig en schriftelijk van tevoren worden aangekondigd. De wederpartij moet zich daar immers goed op kunnen voorbereiden. Haarlems Timmerfabriek heeft de vordering niet schriftelijk gewijzigd. Dit betekent dat [gedaagde] door de wijze van procederen van Haarlems Timmerfabriek onredelijk in haar verdediging zou kunnen worden geschaad als de eiswijziging zou worden geaccepteerd. Dat zou in strijd zijn met de eisen van een goede procesorde, zoals neergelegd in voornoemd wetsartikel. [gedaagde] heeft ook bezwaar gemaakt tegen een eiswijziging, althans daarmee niet onvoorwaardelijk ingestemd. De kantonrechter zal de eiswijziging daarom buiten beschouwing laten en zal beslissen op de vordering zoals die bij dagvaarding is voorgelegd.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] aan Haarlems Timmerfabriek een bedrag aan hoofdsom van € 15.829,22 moet betalen. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] dat moet betalen. Dit wordt als volgt toegelicht.
Is een overeenkomst tot stand gekomen?
Volgens [gedaagde] is er geen overeenkomst tot stand gekomen tussen partijen, omdat er niet zou zijn voldaan aan drie opschortende voorwaarden, die samengevat neerkomen op 1) de plaatsing van de kozijnen, 2) productie na een opdracht daartoe en 3) productie nadat er een omgevingsvergunning voor het project in Amsterdam zou zijn verleend. Haarlems Timmerfabriek betwist dit en stelt dat er wel degelijk een overeenkomst tot stand is gekomen, zonder dat er daarbij opschortende voorwaarden zijn afgesproken. [gedaagde] heeft ter zitting verklaard zijn standpunt ten aanzien van de derde voorwaarde (de omgevingsvergunning) niet te handhaven, zodat dit punt verder onbesproken kan blijven. De overige twee voorwaarden zullen hierna worden besproken.
Vooropgesteld wordt dat een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding. Het antwoord op de vraag of een aanbod is aanvaard, moet worden gegeven aan de hand van de wilsvertrouwensleer. Hierbij is van belang wat partijen over en weer hebben verklaard en hebben afgeleid uit elkaars verklaringen en gedragingen. Daarvoor zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Het feit dat [gedaagde] na toezending van de offerte, conform wat in die offerte is vermeld, na toezending van een factuur de eerste termijn heeft betaald leidt reeds tot het oordeel dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen. De door [gedaagde] als “basale opschortende totstandkomingsvoorwaarden” gepresenteerde voorwaarden, namelijk (ook) de plaatsing van de kozijnen en de opdracht tot productie, betreffen geen opschortende voorwaarden. Deze betreffen de inhoud van de overeenkomst (de verplichtingen over en weer) en de nakoming daarvan, maar niet de totstandkoming. In dat licht zal de kantonrechter deze dan ook beoordelen.
Wat is over de plaatsing van de kozijnen overeengekomen?
[gedaagde] stelt in de eerste plaats dat de plaatsing van de kozijnen onder de verantwoordelijkheid van Haarlems Timmerfabriek zou vallen en tussen partijen is overeengekomen. Volgens [gedaagde] zouden de kozijnen worden geplaatst door Haarlems Timmerfabriek zelf of door een door haar in te schakelen derde. Haarlems Timmerfabriek betwist dat. De plaatsing of montage van kozijnen is volgens haar geen onderdeel van de overeenkomst en was ook geen onderdeel van de offerte. Op basis van tekeningen aangeleverd door [gedaagde] heeft Haarlems Timmerfabriek een offerte uitgebracht en vervolgens eigen tekeningen gemaakt en ingemeten. Als er montage zou zijn overeengekomen, dan zou Haarlems Timmerfabriek dat uitdrukkelijk schriftelijk hebben vastgelegd en dat zou ook hebben geleid tot een aanzienlijke prijsverhoging. Haarlems Timmerfabriek heeft tot en met 2019 wel de montage verzorgd van door haar geproduceerde kozijnen, waarvoor zij eigen personeel in dienst had. Maar zij doet dat niet langer. Opdrachtgevers kunnen daarvoor een aparte overeenkomst sluiten met een derde. Desgewenst bemiddelt Haarlems Timmerfabriek daarin. Om die reden heeft Haarlems Timmerfabriek [gedaagde] in contact gebracht met een derde die de montage zou kunnen verzorgen ( [naam 2] ) en een offerte van deze derde (ter hoogte van € 17.100,00) doorgestuurd. Daarop heeft [gedaagde] nooit gereageerd.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] hier onvoldoende tegenover heeft gesteld. [gedaagde] heeft niet met stukken onderbouwd dat tussen partijen ook de plaatsing van de kozijnen is overeengekomen en dat blijkt ook nergens uit. De offerte vermeldt niets over de plaatsing van de kozijnen. Integendeel, daarin is duidelijk opgenomen dat de kozijnen ‘AF FABRIEK’ zouden worden geleverd. Een prijs voor plaatsing is daarin dus ook niet opgenomen, terwijl onweersproken is gebleven dat de plaatsing van kozijnen tot een aanzienlijke prijsverhoging zou leiden. Dat vindt ook steun in de offerte van [naam 2] , waarin een prijs van € 17.100,00 voor de plaatsing is vermeld. Met de toezending van deze offerte, waarvan [gedaagde] de ontvangst niet betwist, was voor [gedaagde] ook duidelijk, of had dat in ieder geval moeten zijn, dat partijen niet ook de plaatsing van de kozijnen hadden afgesproken. Dit geldt temeer omdat [gedaagde] een professionele partij is die al geruime tijd in de bouwsector werkzaam is.
De enkele omstandigheid dat Haarlems Timmerfabriek in haar algemene voorwaarden de vermelding ‘en of montage’ heeft staan, maakt het vorenstaande niet anders. Dat wordt immers verklaard doordat Haarlems Timmerfabriek voorheen, tot en met 2019, wel de plaatsing verzorgde en nadien haar algemene voorwaarden op dit punt niet heeft aangepast. Bovendien gaat het er in dit geval niet om wat in de algemene voorwaarden is opgenomen, maar om wat tussen deze partijen is overeengekomen.
Verder merkt de kantonrechter nog op dat [gedaagde] ter zitting desgevraagd niet eenduidig heeft verklaard over wat is afgesproken over de plaatsing van de kozijnen. Waar hij in de eerste plaats stelde dat hij niet akkoord is gegaan met de offerte van [naam 2] en dat er nog nadere afspraken gemaakt moesten worden, verklaarde hij vervolgens dat hij wel akkoord is gegaan met de prijs van [naam 2] , maar niet met de werkzaamheden. Wat daar ook van zij, in het bovenstaande is reeds geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat partijen ook de plaatsing van de kozijnen zijn overeengekomen. Haarlems Timmerfabriek is dan ook alleen gehouden tot het produceren en leveren van de kozijnen.
Is er opdracht tot productie van de kozijnen gegeven en zijn de kozijnen geproduceerd?
[gedaagde] voert verder aan dat hij geen opdracht heeft gegeven voor het produceren van de kozijnen. Volgens Haarlems Timmerfabriek heeft [gedaagde] wel degelijk opdracht gegeven voor de productie van de kozijnen. In april 2023 heeft [gedaagde] telefonisch laten weten dat hij de maatvoering had gecontroleerd en dat deze goed was en verzocht over te gaan tot productie. Haarlems Timmerfabriek wijst ook op het tijdsverloop. [gedaagde] zou na zo’n lange tijd toch wel eens moeten gaan afnemen.
De kantonrechter is van oordeel dat met wat Haarlems Timmerfabriek heeft gesteld voldoende is komen vast te staan dat opdracht is gegeven voor de productie van de kozijnen. [gedaagde] heeft niet betwist dat eind oktober 2022 het inmeten van de kozijnen is uitgevoerd door Haarlems Timmerfabriek en dat Haarlems Timmerfabriek op 1 november 2022 aan [gedaagde] de definitieve tekeningen heeft toegestuurd. [gedaagde] heeft de stelling van Haarlems Timmerfabriek dat in april 2023 de kozijnen geproduceerd zijn nadat telefonisch verzocht was tot productie over te gaan, betwist, maar deze betwisting komt neer op een enkele ontkenning en dat is niet genoeg. [gedaagde] stelt in dat kader dat hij nooit zou zijn overgegaan tot het geven van een opdracht tot productie, omdat de omgevingsvergunning nog niet was afgegeven door de gemeente Amsterdam. Nergens blijkt echter uit dat het bezit van een omgevingsvergunning voorwaarde was om tot productie te kunnen overgaan en niet is onderbouwd dat dit als zodanig met Haarlems Timmerfabriek is besproken of afgesproken. Dat geen opdracht zou zijn gegeven voor productie strookt ook niet met het feit dat [gedaagde] later wél bereid is geweest om de kozijnen af te halen bij Haarlems Timmerfabriek. De kozijnen stonden toen al geruime tijd klaar voor [gedaagde] . Wat [gedaagde] heeft aangevoerd over de maatvoering van de kozijnen laat de kantonrechter hier verder buiten beschouwing. Uit het feit dat [gedaagde] opdracht heeft gegeven voor productie en bereid was de geproduceerde kozijnen af te halen nádat hem de definitieve tekeningen waren toegezonden, blijkt reeds zijn instemming daarmee.
In zijn stelling dat de kozijnen niet geproduceerd zouden zijn wordt [gedaagde] evenmin gevolgd. Dit heeft [gedaagde] niet eerder naar voren gebracht dan in deze procedure. Haarlems Timmerfabriek heeft genoegzaam onderbouwd dat de kozijnen daadwerkelijk zijn vervaardigd. Haarlems Timmerfabriek heeft herhaaldelijk tegenover [gedaagde] te kennen gegeven dat zij wenste te leveren en heeft de productie bovendien onderbouwd met een foto van de kozijnen. Ook in dit verband is van belang dat [gedaagde] de kozijnen wilde afhalen, daartoe een transportbedrijf had geregeld en een datum had afgesproken (15 december 2023). De enige reden dat de levering geen doorgang vond, was dat [gedaagde] de factuur voor het tweede deel niet betaalde. Dit blijkt ook uit de inhoud van het door [gedaagde] ingebrachte appverkeer, waarin wordt gewaarschuwd dat er vóór het ophalen van de kozijnen moet zijn betaald.
De waarheids- en volledigheidsplicht van artikel 21 Rv
De kantonrechter ziet tot slot in wat [gedaagde] heeft aangevoerd geen grond om te concluderen tot een schending van het bepaalde in artikel 21 Rv. Niet gebleken is dat door het niet overleggen van de tekeningen de voor de beslissing van belang zijnde feiten niet volledig en niet naar waarheid zijn aangevoerd.
Conclusie
De conclusie is dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen tot het vervaardigen en leveren van negentien kozijnen, zonder plaatsing daarvan. [gedaagde] heeft opdracht gegeven voor de productie en Haarlems Timmerfabriek heeft aan haar verplichtingen uit de overeenkomst voldaan. [gedaagde] was dan ook gehouden voor de kozijnen te betalen en deze af te nemen. Dat heeft hij niet gedaan. Haarlems Timmerfabriek stelt in dat kader terecht dat iedere redelijke termijn voor levering inmiddels is verstreken. De vordering tot betaling van het restantbedrag van € 15.829,22 is toewijsbaar. [gedaagde] moet ook de wettelijke handelsrente betalen vanaf 30 dagen na de dag waarop [gedaagde] de factuur heeft ontvangen. Dit betekent dat [gedaagde] vanaf 18 augustus 2023 in verzuim is en vanaf die datum wettelijke handelsrente verschuldigd is.
Afvoeren en vernietigen van de kozijnen
De vordering van Haarlems Timmerfabriek tot het laten afvoeren en vernietigen van de kozijnen wordt toegewezen, voor het geval [gedaagde] binnen vier weken na betekening van het vonnis niet (alsnog) tot volledige betaling en/of het afnemen van de kozijnen is overgegaan. Haarlems Timmerfabriek maakt in dat geval op de voet van artikel 6:60 BW terecht aanspraak op bevrijding van haar verplichting tot levering. De gevorderde kosten voor het afvoeren en vernietigen van de kozijnen worden afgewezen, omdat de hiermee gemoeide kosten slechts toewijsbaar zijn als zij in redelijkheid zijn gemaakt, hetgeen niet op voorhand kan worden beoordeeld. De vordering is daarmee te onbepaald.
Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten
Haarlems Timmerfabriek vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. De hoogte van de vordering zal worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarom zal een bedrag van € 933,29 worden toegewezen.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Haarlems Timmerfabriek worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
115,84
- griffierecht
€
1.409,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.471,84
in reconventie
Uit wat in conventie is overwogen en toegewezen, volgt dat de vordering in reconventie niet toewijsbaar is en dus zal worden afgewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van Haarlems Timmerfabriek worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
406,00
(2 punten × factor 0,5 × € 406,00)
Totaal
€
406,00
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan Haarlems Timmerfabriek te betalen een bedrag van € 15.829,22, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW, met ingang van 18 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
bepaalt dat indien [gedaagde] niet binnen vier weken na de betekening van dit vonnis tot volledige betaling van het bedrag onder 5.1 is overgegaan en/of de kozijnen heeft afgenomen, Haarlems Timmerfabriek de kozijnen zal mogen laten afvoeren en vernietigen en Haarlems Timmerfabriek bevrijd zal zijn van haar verplichting om de kozijnen aan [gedaagde] te leveren,
veroordeelt [gedaagde] om aan Haarlems Timmerfabriek te betalen een bedrag van € 933,29 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.471,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vordering af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 406,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.8 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2025.