RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11660981 \ CV FORM 25-2539
Uitspraakdatum: 1 oktober 2025
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
1. [verzoeker 1],
2. [verzoeker 2], beiden wonende te [plaats]verzoekende partij
verder te noemen: de passagiers
gemachtigde: ProBe-ASP B.V. handelend onder de naam Aviclaim
tegen
EasyJet Europe Airline GmbH,
gevestigd te Wenen (Oostenrijk)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. B. Koolhaas
1. Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
2. De feiten
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers moest vervoeren van Luton Airport (Verenigd Koninkrijk) naar Amsterdam-Schiphol Airport op 12 juni 2023, hierna: de vlucht.
De vlucht is geannuleerd.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder verzocht in verband met voornoemde annulering. De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
3. Het verzoek en het verweer
De passagiers verzoeken de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juni 2023 tot aan de dag der algehele voldoening; - € 75,00 aan buitengerechtelijke incassokosten; - de proceskosten.
De passagiers baseren het verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is compensatie te betalen conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,00 per passagier. Daarnaast maken de passagiers aanspraak op betaling door de vervoerder van de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente.
De vervoerder voert verweer. Op het verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij in deze zaak bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen.
Vast staat dat de vlucht is de passagiers is geannuleerd. In beginsel moet de vervoerder dan compenseren. Dit is anders als de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
De vervoerder voert aan dat de vlucht onderdeel uitmaakte van de rotatie Luton – Amsterdam – Luton. De voorafgaande vlucht EJU7831 van Amsterdam naar Luton is geannuleerd gelet op de slechte weersomstandigheden op de luchthaven van Luton. Ter onderbouwing legt de vervoerder onder meer ‘Flight Details’ van vlucht EJU7831 over, waaruit volgens de vervoerder volgt dat ‘ATC slots’ zijn opgelegd in verband met de slechte weersomstandigheden. Ook legt de vervoerder een overzicht over van ‘Euro control network operator’.
De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat sprake was van slechte weersomstandigheden op de luchthaven van Luton als gevolg waarvan vlucht EJU7831 is geannuleerd. Uit de overgelegde stukken en de toelichting van de vervoerder daarop volgt dit in ieder geval niet duidelijk. Het verweer dat sprake is van buitengewone omstandigheden ten aanzien van vlucht EJU7831 slaagt daarom niet. De kantonrechter komt niet toe aan de vraag of de buitengewone omstandigheden van vlucht EJU7831 doorwerken op de vlucht in kwestie. Ook de vraag of de vervoerder alle maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers op de eindbestemming te beperken, kan onbeantwoord blijven.
Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal het verzoek tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten verzocht. De vervoerder heeft dit verzoek (gemotiveerd) betwist. Omdat het onderhavige verzoek geen betrekking heeft op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en dat hiervoor door de passagiers kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II, omdat de tarieven neergelegd in voornoemd Besluit worden geacht redelijk te zijn. Omdat het verzochte bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de verzochte buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
Op verzoek van de passagiers zal een certificaat als bedoeld in artikel 20 lid 2 van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2421 van 16 december 2015, aan deze beschikking worden gehecht.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 575,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 500,00 vanaf 12 juni 2023 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op € 226,00 aan griffierecht en € 135,00 aan salaris gemachtigde en veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open