RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11635819 \ CV EXPL 25-1245 (BvdL)
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de [naam 1] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [naam 2] (Baldinger Gerechtsdeurwaarders),
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats 2] ,2. [gedaagde 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
gemachtigde: mr. M. van de Glind.
De zaak in het kort
In deze zaak vordert een aannemer betaling van het onbetaald gebleven gedeelte van zijn eindfactuur. Gedaagden beroepen zich (onder meer) op opschorting van hun betalingsverplichting, omdat de aannemer het bedrag dat voor elektrameerwerk is gefactureerd onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt.
De kantonrechter oordeelt dat het opschortingsverweer van gedaagden slaagt, zodat de vordering alleen al om die reden moet worden afgewezen. De andere verweren van gedaagden hoeven daarom niet besproken te worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 14
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 34
- het tussenvonnis van 18 juni 2025
- de mondelinge behandeling van 1 oktober 2025
- de spreekaantekeningen van [eiser]
- de spreeknotitie van [gedaagden]
2. De feiten
Partijen hebben een overeenkomst van aanneming van werk gesloten, voor een verbouwing van de woning van [gedaagden] door [eiser] .
In een brief van 29 april 2024 heeft [eiser] de overeenkomst aan [gedaagden] bevestigd en het project omschreven. In deze bevestigingsbrief staat dat de totale aanneemsom inclusief btw € 87.465,00 bedraagt. Daarbij is vermeld welke kosten niet in deze projectsom zijn begrepen, namelijk de kosten voor vervanging van bestaande erker- en achtergevelbeglazing door HR++ glas, eventuele vergunningskosten, constructeurskosten, de kosten voor afvoer / containers, de CAR verzekering en niet benoemde leveringen en werkzaamheden.
Over de elektrawerken vermeldt de bevestigingsbrief het volgende:
“Voor de elektrawerken zijn wij uitgegaan van een stelpost van € 3.025,- incl. Btw voor het vervangen van de woonkamer plafondleidingwerken, de aanleg van enkele wcd’s in de extensie, een tweetal centrale plafond lichtpunten in de extensie en het aanbrengen van de bestaande wcd’s in de woonkamer alsook de aanleg van de elektrotechnische aansluitingen voor de nieuwe keuken. Daarnaast worden de lichtschakelaars in de woonkamer vervangen, o.a. door 3 dimmers. Een uitbreiding van de meterkast is op jullie uitdrukkelijke aangeven niet voorzien. Verder zullen eventuele gewenste extra elektrawerken en voorzieningen, na wederzijdse goedkeuring verrekend worden met de opgenomen stelpost.”
Verder staat in de bevestigingsbrief wanneer de eerste drie termijnbedragen van in totaal € 70.000,00 betaald moeten zijn. [gedaagden] hebben dit bedrag aan [eiser] betaald.
Voor de eindfactuur is afgesproken dat deze vervalt bij oplevering en dat de hoogte daarvan afhankelijk is van de definitieve verrekening van opgenomen stelposten, de kosten van eventuele overeengekomen meer/minderwerken, de kosten constructeur en de CAR verzekering.
In de eindfactuur van 16 oktober 2024 heeft [eiser] aan [gedaagden] in rekening gebracht een bedrag van € 19.825,94 inclusief btw. Daarvan hebben [gedaagden] een gedeelte van € 17.000,00 betaald.
3. Het geschil
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagden] tot betaling van een hoofdsom van € 2.825,94, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover (tot dagvaarding berekend op € 69,12) en een bedrag van € 407,59 voor buitengerechtelijke incassokosten.
[gedaagden] voeren verweer. Zij vinden dat de vordering van [eiser] moet worden afgewezen en voeren daarvoor – samengevat – het volgende aan. [gedaagden] plaatsen vraagtekens bij het voor elektrawerk gefactureerde bedrag. Verder heeft [eiser] de keukenmuren niet tijdig haaks gestuukt, zodat hij aansprakelijk is voor de € 500,00 extra die de keukenleverancier aan [gedaagden] in rekening heeft gebracht. Bovendien zijn er opleverpunten (een klapperend dakraam en de vloerverwarming die niet goed werkt) die [eiser] nog moest herstellen. [gedaagden] hebben de betaling van € 2.825,94 opgeschort in afwachting van duidelijkheid over de nota van de elektricien, een oplossing voor de kosten van de keukenleverancier en herstel van de opleverpunten. Daarnaast beroepen [gedaagden] zich in deze procedure als consumenten op oneerlijkheid van kostenbedingen in de aannemingsovereenkomst en schending van informatieplichten door [eiser] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
De hoofdsom van € 2.825,94 die [eiser] vordert betreft het nog openstaande deel van zijn eindfactuur. De kantonrechter wijst de vordering van [eiser] af en legt hierna uit waarom.
In de aannemingsovereenkomst zijn partijen uitgegaan van een stelpost van € 3.025,00 inclusief btw voor het elektrawerk dat is omschreven in de bevestigingsbrief. Daarbij is afgesproken dat eventuele gewenste extra elektrawerken, na wederzijdse goedkeuring, zullen worden verrekend met deze stelpost. De specificatie bij de eindfactuur van [eiser] vermeldt een bedrag van € 3.224,71 inclusief btw voor ‘meerwerk elektra Incl. spots o.v.v. stelpost a € 2500 excl. Btw’. Dit betekent dat [eiser] per saldo een totaalbedrag van € 6.249,71 inclusief btw voor elektrawerk aan [gedaagden] in rekening heeft gebracht. Het elektrawerk is feitelijk verricht door een onderaannemer (hierna te noemen: de elektricien).
[gedaagden] erkennen dat elektrameerwerk is verricht en dat daarvoor betaald moet worden. Maar [gedaagden] plaatsen vraagtekens bij de hoogte van het bedrag dat [eiser] daarvoor in rekening heeft gebracht, met name omdat de elektricien fouten heeft gemaakt en onduidelijk is of herstelkosten onderdeel uitmaken van het gefactureerde bedrag. Voor het onbetaald laten van € 2.825,94 beroepen [gedaagden] zich onder meer op opschorting, omdat de meerwerkpost elektra onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. Dit opschortingsverweer slaagt.
Voor een geslaagd beroep op opschorting van een verplichting van [gedaagden] tot betaling van overeengekomen meerwerk is vereist dat [eiser] een daartegenover staande verplichting niet nakomt. Uit de overeenkomst tussen partijen vloeit een verplichting van [eiser] voort om aan [gedaagden] inzichtelijk te maken voor welk meerwerk zij welk bedrag moeten betalen. Die verplichting is [eiser] niet nagekomen, ondanks herhaald verzoek van [gedaagden]
[gedaagden] hebben direct na ontvangst van de eindfactuur gevraagd om een nadere specificatie van het elektrawerk, omdat zij graag begrijpen waarvoor zij betalen. In een gesprek op 30 oktober 2024 heeft [eiser] een toelichting gegeven op de kosten voor het elektrawerk, aan de hand van de factuur die hij van de elektricien ontving. Voor verdere vragen zijn [gedaagden] verwezen naar de elektricien. Op 18 november hebben [gedaagden] gesproken met de elektricien. Hierover schrijven [gedaagden] in een e-mail van 26 november aan [eiser] dat de elektricien niet van plan is een verdere specificatie te geven, zodat nog steeds onduidelijk is waarom de kosten zoveel hoger zijn dan begroot, terwijl wel duidelijk is dat de elektricien fouten heeft gemaakt met extra kosten tot gevolg die niet voor hun rekening mogen komen. In reactie daarop heeft [eiser] geen nadere specificatie van de elektrakosten aan [gedaagden] gegeven.
[eiser] is ook in deze procedure niet in staat gebleken om duidelijk te maken voor welk meerwerk [gedaagden] welk bedrag verschuldigd zijn. Hij stelt slechts dat [gedaagden] na verrekening van de stelpost voor elektrawerk een bedrag van € 3.224,71 voor elektrameerwerk moeten betalen. [eiser] heeft dit bedrag op geen enkele manier gespecificeerd of onderbouwd. Niet qua uren en niet qua materialen. Terwijl [eiser] al sinds 20 oktober 2024 bekend is met het verweer van [gedaagden] op dit punt. [eiser] beroept zich op een nota van de elektricien, die niet in het geding is gebracht. Partijen zijn het erover eens dat op de betreffende nota een totaalaantal uren staat dat de elektricien aan [eiser] heeft gefactureerd, zonder nadere specificatie waaraan de betreffende uren zijn besteed. Op de zitting heeft [eiser] gezegd dat hij niet met een prikklok naast zijn mensen gaat staan, maar dat de nota van de elektricien hem alleszins redelijk voorkomt. Dit is een onvoldoende specificatie, gezien de verplichting van [eiser] tegenover [gedaagden] om inzicht te geven in wat zij waarvoor moeten betalen. [eiser] verzuimt zelfs te stellen welke werkzaamheden van de elektricien meerwerk betroffen. Onder deze omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat het beroep van [gedaagden] op opschorting van betaling van € 2.825,94 gerechtvaardigd is. Voor het eerst op de zitting heeft [eiser] gezegd dat er een overzicht van verricht meerwerk is, hetgeen [gedaagden] betwisten. Voor zover [eiser] hiermee heeft bedoeld dit overzicht alsnog in het geding te brengen, is dit te laat.
Alleen al omdat het opschortingsverweer van [gedaagden] slaagt kan de vordering niet worden toegewezen. Alles wat partijen verder hebben aangevoerd hoeft daarom niet besproken te worden.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
476,00
(2 punten × € 238,00)
- nakosten
€
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
517,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser] af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 517,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.