RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11368391 \ CV EXPL 24-2847 TB
Vonnis van 17 juli 2025
in de zaak van
[eiser 1] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser 1] ,
gemachtigde: mr. P.P. Otte,
tegen
[gedaagde 1]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
gemachtigde: mr. A.C.M. van der Voet.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 16 oktober 2024
- de conclusie van antwoord van 9 januari 2025
- het tussenvonnis van 6 februari 2025
- de akte inbreng producties van [eiser 1] van 11 juni 2025
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde 1] is een vereniging die zich ten doel stelt het kamperen van haar leden te bevorderen. [gedaagde 1] stelt haar leden in staat om grond op het strand in [plaats 3] te huren om daar in de zomer in een eigen huisje te kamperen. Ieder lid van de vereniging heeft in beginsel een eigen standplaats.
In artikel 1 van het Huishoudelijk Reglement van [gedaagde 1] staat onder meer het volgende:
“Sub B
Leden van de vereniging kunnen slechts personen zijn, die meerderjarig zijn. Een lidmaatschap heeft betrekking op degene op wiens naam het lidmaatschap staat.”
Sub L
In aansluiting op het bepaald in artikel 8 van de statuten kan een lid aan de secretatis schriftelijk mededelen dat hij/zij geen interesse meer heeft in het lidmaatschap en de secretaris verzoeken het lidmaatschap over te schrijven op een bij naam genoemd kind of kleinkind van het lid. Voorwaarde voor deze overschrijving is dat het betreffende lid tenminste 5 jaar onafgebroken lid is geweest én het betreffende kind of kleinkind meerderjarig is én tenminste drie jaar, gerekend vanaf de datum inschrijving, op de wachtlijst staat ingeschreven. (…)
Sub O
Het bestuur is bevoegd de staanplaatsen van een lid die een jaar geen gebruik maakt van zijn/haar staanplaats, toe te wijzen aan personen van de wachtlijst. Aan de op deze wijze toegewezen staanplaatsen kunnen geen rechten worden ontleend voor de daarop volgende jaren. Deze invalplek(ken) worden volgens de volgorde van de wachtlijst ingevuld. Wachtlijstleden die in een eerder jaar (jaren) zijn ingevallen worden de jaren erna altijd weer als eerste gevraagd, voordat de volgorde van de wachtlijst wordt gehanteerd. (…)”
Mevrouw [naam] , de moeder van [eiser 1] , (hierna: [naam] ) is op enig moment lid geworden van [gedaagde 1] .
In 2002 is [eiser 1] door [gedaagde 1] op de wachtlijst geplaatst.
In 2007 is [eiser 1] van de wachtlijst verwijderd, omdat hij zijn wachtgeld niet voldeed.
In 2013 hebben [eiser 1] en [naam] een verzoek gedaan bij [gedaagde 1] om het lidmaatschap van [naam] over te schrijven op naam van [eiser 1] . Op dat moment werd niet voldaan aan de regels van het huishoudelijk reglement, zodat het verzoek werd afgewezen.
[eiser 1] is in 2013 opnieuw op de wachtlijst geplaatst. Hij heeft van 2013 tot en met 2024 wachtgeld betaald aan [gedaagde 1] .
[eiser 1] heeft van 2010/2011 tot en met 2023 met een eigen huisje op de plek van [naam] gestaan.
In 2020 is [eiser 1] op de lijst van invallers geplaatst.
Begin 2024 heeft [naam] aan [eiser 1] laten weten dat zij zelf weer gebruik zal maken van haar plek op het strand in [plaats 3] .
3. Het geschil
[eiser 1] vordert – samengevat – om [gedaagde 1] te veroordelen om aan [eiser 1] het normale lidmaatschap met bijbehorende staplaats toe te kennen, dan wel [gedaagde 1] te veroordelen om [eiser 1] op de eerste plaats van de wachtlijst te plaatsen, en op de eerste plaats te zetten van de invallijst, met veroordeling van [gedaagde 1] in de kosten van deze procedure en in de nakosten. [eiser 1] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser 1] heeft het lidmaatschap van [naam] overgenomen en de rechten verkregen als lid van [gedaagde 1] . Dit, omdat hij een eigen huisje had, hij de facturen betaalde voor het lidmaatschap en parkeergelden, aanmaningen op zijn naam stonden, hij aanwezig was bij algemene ledenvergaderingen en hij op grond van de gedragingen van [gedaagde 1] mocht aannemen dat hij als lid is toegelaten. Voor zover [eiser 1] niet als volwaardig lid kan worden aangemerkt, is hij van mening dat hij een eerste plaats op de wachtlijst moet krijgen, omdat hij enige jaren geleden van de lijst is geschrapt zonder enige mededeling of waarschuwing en zich meer dan twintig jaar geleden heeft aangemeld daarvoor. Daarnaast moet hij een eerste plaats op de lijst van invallers krijgen. [eiser 1] stond jarenlang als invaller op de lijst van [gedaagde 1] .
[gedaagde 1] voert verweer en voert aan dat van een lidmaatschap op naam van [eiser 1] geen sprake is. [gedaagde 1] moet handelen volgens haar statuten en het Huishoudelijk Reglement en daar kan niet van worden afgeweken. [eiser 1] heeft ook niet de rechten van een lidmaatschap verkregen, omdat [gedaagde 1] jarenlang zou hebben gedaan alsof [eiser 1] lid was. Het lidmaatschap staat sinds de echtscheiding tussen de vader en de moeder van [eiser 1] op naam van [naam] . Daarnaast weet [eiser 1] dat hij sinds 2013 op de wachtlijst staat, omdat hij en [naam] daaraan voorafgaand in 2013 eerst een verzoek hebben gedaan tot overschrijving van het lidmaatschap van [naam] op naam van [eiser 1] . Dit verzoek is toen afgewezen, omdat [eiser 1] niet aan de regels van het Huishoudelijk Reglement voldeed. Verder is het [gedaagde 1] niet duidelijk waar [eiser 1] zijn vordering op baseert dat hij een eerste plaats op de wachtlijst moet krijgen en een eerste plaats als invaller.
4. De beoordeling
Deze zaak draait in de eerste plaats om de vraag of [eiser 1] als lid van [gedaagde 1] moet worden aangemerkt en het lidmaatschap van [naam] heeft overgenomen. Vervolgens is de vraag, als dat niet zo is, of hij als eerste op de wachtlijst moet worden geplaatst en als eerste op de invallijst.
De kantonrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eiser 1] moeten worden afgewezen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarop hij dit oordeel baseert.
[eiser 1] is geen lid (geworden)
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser 1] niet als lid van [gedaagde 1] moet worden beschouwd en ook niet het lidmaatschap van [naam] heeft overgenomen, om de volgende redenen.
Bij de beoordeling van de eis van [eiser 1] om toegelaten te worden als lid van [gedaagde 1] heeft als uitgangspunt te gelden dat de vereniging vrij is in haar toelating van personen. Artikel 2:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt in verband hiermee dat het bestuur beslist over toelating van een lid, tenzij de statuten anders bepalen. Uit artikel 6 van de statuten volgt dat voor toelating als lid de algemene vergadering beslist op voorstel van het bestuur. Ook als een persoon op de wachtlijst voldoet aan de kwalitatieve eisen van lidmaatschap zoals neergelegd in de statuten, brengt dit niet mee dat hij van rechtswege lid is dan wel dat hij het lidmaatschap kan afdwingen. Het persoonlijk karakter van het lidmaatschap van een vereniging verzet zich hiertegen en een besluit van de algemene vergadering blijft nodig.
Alhoewel uit artikel 6 van de statuten, zoals hiervoor is overwogen, volgt dat voor toelating als lid een besluit van de algemene vergadering vereist is, neemt dat niet weg dat de mogelijkheid bestaat dat een persoon die op grond van verklaringen of gedragingen van het daartoe bevoegde orgaan van een vereniging heeft aangenomen (en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen) dat een besluit is genomen hem als lid van de vereniging toe te laten, in dit vertrouwen bescherming verdient, in die zin dat hij op die grond als lid van de vereniging heeft te gelden. De kantonrechter is van oordeel dat van een dergelijk opgewekt vertrouwen niet is gebleken en dat dit onvoldoende is gesteld door [eiser 1] . Vast staat dat hij in 2013 samen met [naam] aan [gedaagde 1] heeft gevraagd om de staplaats van [naam] over te nemen en dat dit toen door het bestuur is geweigerd, omdat hij niet aan de voorwaarden voldeed, meer in het bijzonder de voorwaarde dat hij minimaal drie jaar op de wachtlijst moest staan. In 2013 heeft [gedaagde 1] dus juist laten weten dat hij geen lid kon worden. Daaruit volgt dat [eiser 1] geen gerechtvaardigd vertrouwen kan hebben gehad dat het bestuur hem tot lid zou hebben benoemd. Ook het enkele feit dat [eiser 1] jaren voor het lidmaatschap van [naam] heeft betaald en hij gebruik heeft gemaakt van het strandhuisje, is onvoldoende reden om te oordelen dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij lid was geworden. [gedaagde 1] merkt terecht op dat het helemaal niet ongebruikelijk is dat kinderen gebruik maken van het strandhuisje van een moeder of vader en daarvoor ook rechtstreeks betalen aan en contact hebben met [gedaagde 1] in plaats van die ouder. Daardoor verkrijgt het kind uiteraard geen lidmaatschap van de vereniging en mag daar evenmin gerechtvaardigd op vertrouwen. Ook als [eiser 1] deel zou hebben genomen aan (stemmingen in) de algemene vergadering, maakt dat nog niet dat hij lid is geworden of daarop gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Overigens blijkt ook nergens uit dat hij aanwezig is geweest bij een algemene vergadering of heeft deelgenomen aan stemmingen in een algemene vergadering.
De conclusie is dat een besluit van de algemene vergadering waaruit blijkt dat [gedaagde 1] [eiser 1] als lid heeft toegelaten, ontbreekt, en dat [eiser 1] er ook niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij door [gedaagde 1] als lid was toegelaten. Van een lidmaatschap van [eiser 1] is dus geen sprake.
Ook het feit dat tussen [eiser 1] en [naam] in het verleden een afspraak zou zijn gemaakt dat [eiser 1] het lidmaatschap van [naam] zou overnemen, kan niet aan [gedaagde 1] worden tegengeworpen. Na 2013 is bovendien ook geen verzoek meer gedaan bij [gedaagde 1] voor overname van het lidmaatschap van [naam] . Het is enkel bij dat verzoek gebleven. Gelet op wat in artikel 1 sub L van het Huishoudelijk Reglement is opgenomen, is voor overname van een lidmaatschap medewerking van de ouder (lid) wel vereist. Een dergelijke overname is nu niet meer aan de orde, omdat vast staat dat [naam] daaraan niet wil meewerken.
Dit betekent dat de vordering om [gedaagde 1] te veroordelen aan [eiser 1] het normale lidmaatschap met bijbehorende staplaats toe te kennen, moet worden afgewezen.
Geen eerste plaats op de wachtlijst en invallijst voor [eiser 1]
Als geen sprake is van een lidmaatschap wil [eiser 1] dat [gedaagde 1] hem op de eerste plaats van de wachtlijst plaatst en op de eerste plaats van de invallijst. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde 1] hier niet toe kan worden verplicht, om de volgende redenen.
Vaststaat dat [eiser 1] in 2007 door [gedaagde 1] van de wachtlijst is gehaald, omdat hij de bijdrage voor de wachtlijst niet had betaald. Ook staat vast dat ten tijde van het overschrijvingsverzoek van het lidmaatschap in 2013, [gedaagde 1] [eiser 1] daarover heeft geïnformeerd en hem toen alsnog opnieuw op de wachtlijst heeft geplaatst. Verder is ook niet ter discussie dat [eiser 1] daartegen destijds geen actie heeft ondernomen en geen bezwaar heeft gemaakt. Daarvan uitgaande heeft [gedaagde 1] [eiser 1] terecht op de wachtlijst gezet, uitgaande van een plaatsing op die wachtlijst met ingang van 2013. De stelling van [eiser 1] dat hij ten onrechte van de wachtlijst is gehaald in 2007, omdat hij wel betaald heeft, treft geen doel. Hij heeft die stelling op geen enkele manier onderbouwd en bovendien heeft [eiser 1] in 2013 geen actie ondernomen tegen de verwijdering van de wachtlijst in 2007. De stelling van [eiser 1] dat hij daartoe geen actie heeft ondernomen, omdat hij verwachtte dat hij de plek van [naam] kon overnemen, maakt dat niet anders. Dat die verwachting onjuist blijkt te zijn, komt voor rekening en risico van [eiser 1] , en valt [gedaagde 1] niet te verwijten. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat [eiser 1] met ingang van 2013 op de wachtlijst is geplaatst, dat hij die plaatsing ook heeft geaccepteerd en dat er geen (rechts)grond is om die plaatsing twaalf jaar later nog aan te tasten of ter discussie te stellen.
Een kennelijk beroep in dit kader op nietigheid of vernietigbaarheid van een rechtshandeling door [gedaagde 1] gaat niet op, omdat dit beroep onvoldoende is gemotiveerd en onderbouwd door [eiser 1] en hij overigens mogelijke rechten daarop heeft verwerkt door twaalf jaar lang geen actie te ondernemen.
Verder staat vast dat [eiser 1] in 2020 op de invallijst is geplaatst en er is niet gebleken dat hij eerder een verzoek bij [gedaagde 1] heeft gedaan om plaatsing op die lijst. De kantonrechter begrijpt dat [eiser 1] stelt dat hij daartoe wel een verzoek heeft gedaan, maar ook dit standpunt is onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Er zijn ook geen e-mails of brieven waaruit blijkt dat hij daarom heeft gevraagd. In dat kader heeft [eiser 1] alleen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in 2020 op de invallijst is geplaatst.
Dit betekent dat de vordering om [gedaagde 1] te veroordelen om [eiser 1] op de eerste plaats van de wachtlijst te plaatsen en op de eerste plaats van de invallijst, ook wordt afgewezen.
[eiser 1] moet de proceskosten van [gedaagde 1] betalen
[eiser 1] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor het salaris gemachtigde wordt aangesloten bij de hoogte van het lidmaatschap van € 70,00 van [gedaagde 1] . De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
80,00
(2 punten × € 40,00)
- nakosten
€
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
100,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser 1] af,
veroordeelt [eiser 1] in de proceskosten van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2025.