ECLI:NL:RBNHO:2025:13279

ECLI:NL:RBNHO:2025:13279, Rechtbank Noord-Holland, 19-11-2025, C/15/368952 / HA ZA 25-507

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 19-11-2025
Datum publicatie 01-12-2025
Zaaknummer C/15/368952 / HA ZA 25-507
Rechtsgebied Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0005289 BWBR0005291

Samenvatting

Vonnis in incident ex artikel 223 Rv. Gevorderde voorlopige voorzieningen worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/368952 / HA ZA 25-507

Vonnis in incident van 19 november 2025

in de zaak van

[eiser],

handelend onder de naam [bedrijf],

kantoorhoudende te [plaats],

eisende partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: [eiser],

advocaat: mr. E.J.M. Brocatus,

tegen

B.V. BONDIS

tevens handelend onder de naam Abonnementenland,

statutair gevestigd te Uitgeest en kantoorhoudende te Heemskerk,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: Bondis,

advocaat: mr. R.C. de Mol.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met producties 1 tot en met 32, tevens houdende de incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening

de conclusie van antwoord in het incident ex art. 223 Rv met producties 1 tot en met 9

de akte uitlaten van [eiser]

de antwoordakte van Bondis.

Tenslotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De uitgangspunten

[eiser] is uitgever geweest van het tijdschrift ‘[bedrijf]’ (hierna ook: het tijdschrift). Bondis verzorgt onder de handelsnaam Abonnementenland, abonnementenbeheer voor uitgevers van tijdschriften.

Op 18 december 2012 hebben [eiser] en Bondis een overeenkomst gesloten voor abonnementenbeheer door Bondis voor [eiser] (hierna ook: de overeenkomst).

Op 26 maart 2020 heeft [eiser] de overeenkomst met Bondis opgezegd. Bondis heeft [eiser] vervolgens gewezen op de online variant van haar software (hierna ook: de online variant) waarmee [eiser] meer zelf kan doen en goedkoper uit is. Nadat [eiser] de online variant had uitgeprobeerd is hij na 31 december 2020 de online variant blijven gebruiken en diensten van Bondis blijven afnemen.

[eiser] heeft op enig moment een eigen systeem voor abonnementenbeheer opgezet. In april 2024 heeft [eiser] Bondis gevraagd hem een exportbestand van zijn abonnees te sturen om het abonnementenbeheer intern, in dit eigen systeem, te gaan uitvoeren. Op 7 november 2024 is [eiser] akkoord gegaan met een voorstel van Bondis om gratis een proef exportbestand te leveren en voor € 1.200,00 een definitief exportbestand. Onder meer op 19 november 2024 heeft Bondis aan [eiser] een bestand gestuurd. [eiser] heeft vervolgens om nadere gegevens gevraagd (betaal- en bankmandaat informatie), waarop Bondis heeft laten weten dat zij die informatie niet kan leveren.

Tussen partijen is vervolgens discussie ontstaan over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de samenwerking moet worden beëindigd. In dit verband is er onder andere discussie over de consequenties van de opzeggingen van abonnees bij Bondis die zich vervolgens opnieuw hebben aangemeld via het eigen systeem van [eiser], over het verzoek van [eiser] aan Bondis om geen abonnementen of losse edities van het tijdschrift meer te verkopen via de website van Bondis en over door Bondis aan [eiser] gestuurde facturen. Verder heeft Bondis [eiser] op enig moment de toegang tot Thorweb, de digitale omgeving waar [eiser] inzage had in de gegevens van zijn abonnees, ontzegd.

[eiser] heeft naar aanleiding van deze en andere geschilpunten die verband houden met het einde van de samenwerking tussen partijen een aantal vorderingen ingesteld in de hoofdzaak. [eiser] vordert daarnaast in incident een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

3. De vordering en de standpunten van partijen in het incident ex artikel 223 Rv

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:

I. Bondis veroordeelt om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis:

an [eiser] een volledig en bruikbaar exportbestand te verstrekken met alle relevante abonnements- en betaalgegevens van zijn abonnees, inclusief mandaatreferenties, incassogegevens, begin- en einddata van abonnementen, vermelding van de in rekening gebrachte abonnementsbedragen, vermelding van ontvangen betalingen, restituties en overige administratieve informatie zoals ook beschreven in onderdeel I sub d van het petitum van de dagvaarding in de hoofdzaak,

per direct de verkoop van losse edities en abonnementen op het tijdschrift [bedrijf] via de website(s) of andere distributiekanalen van Bondis, zoals bedoeld in onder I sub f van het petitum van de dagvaarding in de hoofdzaak, te staken,

II. bepaalt dat Bondis een dwangsom verbeurt van € 1.000 per dag dat zij in strijd handelt met het onder I gevorderde of per overtreding daarvan,

een en ander met veroordeling van Bondis in de kosten van het incident.

[eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – ten grondslag dat Bondis al maandenlang weigert essentiële gegevens aan [eiser] te leveren, dat Bondis abonnees van [eiser] misleidt en dat Bondis onrechtmatig en zonder toestemming producten van [eiser] aanbiedt. [eiser] betoogt dat hij een spoedeisend belang heeft om op korte termijn volledig en bruikbaar gebruik te kunnen maken van de abonnementsgegevens van zijn abonnees om verdere schade aan zijn bedrijfsvoering, klantrelaties en reputatie te voorkomen. De gegevens zijn noodzakelijk voor het abonnementsbeheer. Bij het staken door Bondis van de verkoop van abonnementen en losse edities heeft [eiser] een spoedeisend belang omdat dit verwarring veroorzaakt bij consumenten, aldus nog steeds [eiser].

Bondis voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiser] in zijn incidentele vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] in de daadwerkelijke proceskosten.

Over de vordering onder I a, strekkende tot het verstrekken van abonnements- en betaalgegevens, voert Bondis in de eerste plaats aan dat [eiser] hier geen belang meer bij heeft omdat hij recent is gestopt met het uitgeven van tijdschriften, en er dus ook geen abonnementenbeheer meer zal plaatsvinden. In de tweede plaats voert Bondis tegen deze vordering aan dat zij al meermalen abonnements- en betaalgegevens heeft verstrekt aan [eiser], waaronder in juli 2024 en in november 2024, en dat zij daarbij alle gegevens heeft verstrekt die zij doorgaans verstrekt aan een uitgever die de samenwerking met haar beëindigt. Alleen de incassomandaatgegevens heeft Bondis niet verstrekt aan [eiser]. Over deze mandaatgegevens voert Bondis aan dat deze door abonnees specifiek aan haar (Bondis) zijn verstrekt om tot automatische incasso over te gaan en dat [eiser] met hetzelfde mandaat niet mag (en kan) overgaan tot automatische incasso bij abonnees. Bondis kan het mandaat niet doorgeven aan [eiser], zodat [eiser] ook om die reden geen belang heeft bij deze gegevens. Bovendien strekte het incassomandaat enkel voor het (fysieke) tijdschrift dat viermaal per jaar werd uitgebracht. Het tijdschrift wordt niet meer in fysieke vorm uitgebracht, dus het mandaat kan ook niet meer worden gebruikt. Gelet op de aard van de gegevens meent Bondis dat zij deze ook niet aan [eiser] mag verstrekken. Bovendien heeft [eiser] in een eerder stadium (in een e-mail van 10 juni 2025) laten weten geen nadere gegevens meer van Bondis nodig te hebben. Het is Bondis – ondanks navraag – ook niet duidelijk welke informatie [eiser] nog van haar wil krijgen. Bondis wijst er in de derde plaats op dat [eiser] facturen onbetaald laat en dat Bondis op grond van artikel 25 van de overeenkomst gerechtigd is abonneebestanden en daaraan gerelateerde data onder zich te houden totdat [eiser] alle openstaande facturen heeft voldaan. Dit contractuele recht mag volgens Bondis niet worden doorkruist met het instellen van een incidentele vordering. Voor het geval zij geen beroep zou kunnen doen op artikel 25 van de overeenkomst voert Bondis in de vierde plaats aan dat haar een retentierecht toekomt op grond van artikel 3:290 in samenhang met artikel 6:52 Burgerlijk Wetboek (BW) omdat [eiser] facturen onbetaald laat.

Voor zover de rechtbank de vordering tot het verstrekken van abonnements- en betaalgegevens toewijst verzoekt Bondis daaraan geen dwangsom te verbinden omdat de vordering zo ruim is geformuleerd dat dit tot executiegeschillen zal leiden en het Bondis niet duidelijk is welke gegevens zij nog moet verstrekken.

Ook bij de vordering onder I b, strekkende tot het staken van de verkoop van losse edities en abonnementen op het tijdschrift, heeft [eiser] volgens Bondis geen belang omdat hij is gestopt met het uitbrengen van het tijdschrift. In dit verband merkt Bondis op dat [eiser] tot in ieder geval augustus 2025 op haar website gebruik heeft gemaakt van de software van Bondis (naar de rechtbank begrijpt een inschrijfformulier) voor de verkoop van abonnementen en dat aanvragen rechtsreeks bij Bondis binnenkwamen. Verder stelt Bondis – onder overlegging van afdrukken van haar website en van die van www.bol.com – dat zij de abonnementen van [eiser] niet meer aanbiedt en dat zij ook geen (oude) losse edities van het tijdschrift meer verkoopt, zodat [eiser] ook om die reden geen belang meer heeft bij deze vordering.

Tenslotte maakt Bondis op grond van haar algemene voorwaarden aanspraak op vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten, die zij voor het verweer in dit incident begroot op € 3.016,00.

[eiser] betoogt in haar akte uitlaten in de eerste plaats dat hij weliswaar is gestopt met het uitbrengen van een geprint tijdschrift, maar dat hij nog steeds belang heeft bij zijn vordering tot het verstrekken van abonnements- en betaalgegevens omdat hij zijn activiteiten online en digitaal en daarbij ook het abonnementenbeheer voortzet. In de tweede plaats betwist [eiser] dat Bondis hem alle abonnements- en betaalgegevens al heeft verstrekt. De in juli en november 2024 verstrekte bestanden waren proef exportbestanden en waren niet volledig, omdat essentiële gegevens, waaronder SEPA-mandaatreferenties, IBAN/BIC, unieke klantreferenties en de volledige betalingshistorie, ontbraken. [eiser] heeft die gegevens nodig voor een sluitende migratie naar zijn eigen systeem en de gegevens zijn eigendom van [eiser]. Bondis heeft volgens [eiser] nooit een definitief exportbestand verstrekt met de actuele, volledige en correcte abonnementsgegevens. Verder betwist [eiser] dat Bondis de mandaatgegevens niet aan hem mag overdragen; Bondis heeft namelijk namens en voor rekening van [eiser] abonnementen aangeboden en afgesloten, zodat de gegevens die de klanten hebben verstrekt feitelijk aan [eiser] zijn verstrekt. In de derde plaats betoogt [eiser] dat Bondis geen beroep kan doen op de (schriftelijke) overeenkomst van 18 december 2012 omdat partijen sinds 1 januari 2021 samenwerken op basis van andere, mondelinge, afspraken. Verder acht [eiser] het beroep van Bondis op een retentierecht in strijd met de redelijkheid en billijkheid omdat Bondis allerlei onterechte kosten aan [eiser] in rekening heeft gebracht.

[eiser] betoogt dat hij ook belang heeft bij zijn vordering strekkende tot het staken van de verkoop van losse edities en abonnementen op het tijdschrift. Naar de rechtbank begrijpt betwist [eiser] niet dat Bondis de verkoop van losse edities en abonnementen inmiddels heeft gestaakt, maar betoogt hij dat Bondis niet aan eerdere verzoeken van [eiser] om die verkoop te staken heeft voldaan. [eiser] betoogt in dit verband dat hij sinds december 2023 op zijn website geen gebruik meer maakt van het inschrijfformulier van Bondis.

Tot slot maakt [eiser] bezwaar tegen toekenning van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Volgens [eiser] zijn de algemene voorwaarden waarop Bondis zich beroept vanaf 1 januari 2021 niet meer van toepassing tussen partijen en geldt voor de proceskosten de wettelijke regeling van de artikelen 237 e.v. Rv.

Bondis reageert bij antwoordakte en handhaaft haar verweer. Bondis heeft aangevoerd dat de verzochte gegevens veelal slechts relevant zijn voor het uitgeven van een fysiek tijdschrift en herhaald dat [eiser] zich eerder op het standpunt heeft gesteld geen nadere informatie meer nodig te hebben. Bondis betwist verder dat het bestand dat zij op 24 november 2024 heeft verstrekt slechts een proefbestand was; dit was een definitief exportbestand en omvatte alle gegevens, waaronder IBAN-gegevens, waarmee Bondis de administratie voerde en zou ruim voldoende moeten zijn voor de migratie naar een eigen systeem. Na ontvangst van de gegevens is het maanden stil gebleven, zodat het niet aan Bondis verweten kan worden dat de gegevens niet meer actueel zijn. Het was aan [eiser] om met de verstrekte gegevens de ontvlechting van de samenwerking te realiseren. Bovendien stelt Bondis dat het voor haar nog steeds onduidelijk is welke gegevens [eiser] nu nog van haar verlangt. Het lag op de weg van [eiser] zijn vordering nader te specificeren. De incassomandaten zijn verstrekt aan Stichting Beheer Derdengelden Abonnementenland en strekten tot het verstrekken van een fysiek exemplaar van het tijdschrift. Het eigendom van het mandaat komt ook niet toe aan [eiser]. Bondis voert verder aan dat zij na de initiële opzegging van de overeenkomst door [eiser] dezelfde diensten, namelijk abonnementenbeheer, voor [eiser] is blijven verrichten, zodat tussen partijen dezelfde (schriftelijke) voorwaarden zijn blijven gelden. Daarnaast komt Bondis een wettelijk retentierecht toe. Bondis wijst er op dat [eiser] ook niet betwiste (onderdelen van) facturen onbetaald heeft gelaten en handhaaft haar vordering tot toekenning van de volledige proceskosten.

Op de stellingen van partijen gaat de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader in.

4. De beoordeling in het incident

Toewijzing van een vordering tot een voorlopige voorziening voor de duur van het geding is alleen mogelijk wanneer eiser ([eiser]) daarbij voldoende (spoedeisend) belang heeft in die zin dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak afwacht.

De vorderingen die [eiser] heeft ingesteld bij wijze van voorlopige voorziening maken ook onderdeel uit van zijn vorderingen in de hoofdzaak. [eiser] vordert bij wijze van voorlopige voorziening – samengevat -– afgifte van abonneegegevens en het staken van de verkoop van abonnementen en losse exemplaren van het tijdschrift door Bondis.

Naar het oordeel van de rechtbank doet zich hier niet de situatie voor dat van [eiser] niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank licht dit hierna toe.

Zijn (spoedeisend) belang bij de vordering onder I a, strekkende tot het verstrekken van abonnements- en betaalgegevens, heeft [eiser] – tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Bondis – onvoldoende concreet onderbouwd en daardoor niet aannemelijk gemaakt. Tussen partijen is niet in geschil dat Bondis voor het laatst in november 2024 abonnementengegevens heeft afgegeven aan [eiser]. [eiser] heeft betoogd dat hij belangrijke gegevens mist, maar heeft onvoldoende concreet gemaakt welke gegevens hij mist en voor welk doel hij die gegevens nodig heeft. Met Bondis is de rechtbank van oordeel dat de vordering erg algemeen is geformuleerd. In zijn akte uitlaten stelt [eiser] dat het onder meer gaat om SEPA-mandaatreferenties, IBAN/BIC, unieke klantreferenties en volledige betalingshistorie. Om welke unieke klantreferenties het gaat is evenwel niet toegelicht en het belang van de andere genoemde gegevens voor de digitale en online activiteiten van [eiser] is ook niet nader toegelicht. Dit had wel op de weg van [eiser] gelegen omdat Bondis gemotiveerd heeft betwist dat zij geen volledig bestand heeft verstrekt waarmee abonnementenbeheer kan worden gevoerd. Alleen van de mandaatgegevens verklaart Bondis deze niet verstrekt te hebben. Hierover heeft Bondis onbetwist gesteld dat deze uitsluitend zien op incasso van abonnementsgelden voor het fysieke tijdschrift, dat – zoals tussen partijen vaststaat – niet meer wordt uitgegeven. Welk belang [eiser] bij de mandaatgegevens heeft is niet toegelicht. Een en ander klemt temeer omdat Bondis onbetwist heeft gesteld dat [eiser] Bondis op 10 juni 2025 heeft bericht dat hij per direct de resterende abonnees in eigen beheer kan nemen en hier geen lijst meer voor nodig heeft. Gelet op dit alles is naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat [eiser] niet een dusdanige modus heeft gevonden of redelijkerwijs had kunnen vinden voor haar abonnementenbeheer dat hij daarmee uit de voeten kan. Over de geschilpunten in verband met de abonnementsgegevens zullen partijen in de hoofdzaak nader debat moeten voeren waarna hierop beslist moet worden.

Ook bij de vordering onder I b, strekkende tot het staken van de verkoop van losse edities en abonnementen op het tijdschrift, heeft [eiser] naar het voorlopig oordeel van de rechtbank geen (spoedeisend) belang aannemelijk gemaakt. Bondis heeft immers onbetwist gesteld dat zij al is gestopt met de verkoop van abonnementen en losse exemplaren van het tijdschrift. Verkoop van abonnementen is bovendien niet meer mogelijk omdat [eiser] is gestopt met het uitbrengen van het (fysieke) tijdschrift. Ook voor dit deel van het gevorderde geldt dus dat geen sprake is van een situatie waarvan van [eiser] niet gevergd kan worden dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht.

Dit betekent dat de rechtbank de incidentele vorderingen van [eiser] zal afwijzen.

Proceskosten

De rechtbank zal [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van Bondis. De rechtbank ziet geen aanleiding daarbij uit te gaan van de werkelijk gemaakte proceskosten. In de eerste plaats niet omdat Bondis haar vordering baseert op algemene voorwaarden waarvan in de hoofdzaak ter discussie staat in hoeverre deze nog een rol spelen in de samenwerking van partijen. Ook overigens bestaat er geen grond voor toewijzing van de werkelijk gemaakte proceskosten. Daarvoor moet namelijk sprake zijn van buitengewone omstandigheden die zich hier niet voordoen. De rechtbank zal de proceskosten dan ook toewijzen op basis van het toepasselijke liquidatietarief. De rechtbank begroot de kosten aan de zijde van Bondis tot op heden op:

salaris advocaat € 614,00 (1 punt tarief II )

nakosten € 178,00 (plus de verhoging als hierna in de beslissing)

Totaal € 792,00.

De wettelijke rente over deze proceskosten is toewijsbaar op de wijze als onder de beslissing vermeld.

5. De beslissing

in het incident

wijst het gevorderde af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Bondis van € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over deze kosten met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 31 december 2025 voor conclusie van antwoord,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

1155

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?