RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11629177 \ CV EXPL 25-1219 TB
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
NOORDAMS VASTGOED EN BELEGGINGEN B.V.,
te Den Ilp,
eisende partij,
hierna te noemen: Noordams,
gemachtigde: T. Bierlee,
tegen
1. de vennootschap onder firma STIJL, handelend onder de naamSTIJL HERENMODE,
te Alkmaar,2. [gedaagde 1],
te [plaats] ,3. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Stijl c.s.,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 maart 2025
- de conclusie van antwoord ontvangen op 14 mei 2025
- de mondelinge behandeling van 10 september 2025. Noordams en haar gemachtigde zijn op die zitting verschenen. Stijl c.s. zijn niet verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat Noordams ter toelichting van haar standpunt naar voren heeft gebracht.
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 september 2025.
- Stijl c.s. zijn na de zitting in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 10 september 2025.
- de akte uitlating van Stijl c.s. van 22 oktober 2025 zonder productie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Stijl c.s. huren met ingang van 1 oktober 2021 van Noordams de winkelruimte aan het adres [adres] in [plaats] , met een huurprijs van laatstelijk € 4.341,01 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. De huurovereenkomst kent een looptijd van vijf jaar. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW, versie 2012 (hierna: algemene bepalingen) van toepassing verklaard.
In de huurovereenkomst is in artikel 25.3 van de algemene bepalingen verbeuren Stijl c.s. een boete van 1% van het verschuldigde per kalendermaand, waarbij de ingetreden maand als volle maand geldt, met een minimum van € 300,00 per maand.
Op 30 november 2023 heeft Noordams Stijl c.s. gedagvaard in verband met een huurachterstand. De kantonrechter heeft op 26 juni 2024 vonnis gewezen en de vordering van Noordams afgewezen omdat de kantonrechter heeft geoordeeld dat Noordams de vordering onvoldoende heeft aangetoond. Niet duidelijk was of Noordams bij de berekening van de huurachterstand rekening had gehouden met de door Stijl c.s. gestelde betalingen.
3. Het geschil
Noordams vordert, na akte vermeerdering van eis, dat de kantonrechter Stijl c.s. veroordeelt tot betaling van € 63.889,52, te vermeerderen met € 1.061,92 aan buitengerechtelijke incassokosten, de lopende huur van € 4.341,01 per maand vanaf oktober 2025 en een boete van € 300,00 per maand indien de lopende huur niet tijdig wordt voldaan.
legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat Stijl c.s. gedurende een langere periode de huur niet, niet tijdig en/of niet volledig heeft voldaan. Als gevolg hiervan is over de periode oktober 2021 tot en met september 2025 een huurachterstand ontstaan van € 73.217,81. Nadat Stijl c.s. diverse maanden de huur niet op tijd hadden voldaan, heeft Noordams op 3 maart 2022 aan Stijl c.s. kenbaar gemaakt een beroep te gaan doen op de boeteclausule. Stijl c.s. hebben vanaf juni 2024 helemaal geen huur meer betaald. Stijl c.s. hebben dan ook vanaf juli 2024 tot en met augustus 2025 een boete van € 300,00 per maand verbeurd aan Noordams. In totaal komt dat neer op veertien maal een boete van € 300,00 van in totaal € 4.200,00. Bij vonnis van 26 juni 2024 is Noordams in de proceskosten van Stijl c.s. veroordeeld. Dit bedrag, € 927,00, is door Noordams verrekend met de huurachterstand zodat dit bedrag in mindering strekt op de huurachterstand. Daarnaast moet in mindering worden gebracht op de vordering een betaling van Stijl c.s. op 23 april 2025 van € 12.601,29. De totale vordering bedraagt dan ook totaal € 63.889,52.
Stijl c.s. voeren verweer tegen de vordering. Stijl c.s. hebben bij conclusie van antwoord de huurachterstand en boetes niet betwist. Zij voeren echter aan dat zij op zoek zijn naar een nieuwe huurder om in de plaats te komen van Stijl c.s. Stijl c.s. hebben een potentiële nieuwe huurder gevonden en willen hierover in gesprek met Noordams.
4. De beoordeling
Stijl c.s. betogen dat de kantonrechter op 26 juni 2024 al een beslissing heeft genomen over een huurachterstand (en boetes) over de periode oktober 2021 tot en met 18 april 2024. Daarom kan Noordams in deze procedure niet nogmaals een vordering over dezelfde periode instellen, aldus Stijl c.s..
Dit betoog slaagt niet. In de eerdere procedure, die heeft geleid tot het vonnis van 26 juni 2024 is namelijk geen inhoudelijke beslissing gegeven over al dan niet bestaan van de vordering van Noordams. De vordering is afgewezen omdat de kantonrechter heeft geoordeeld dat niet duidelijk was of bij de berekening van de huurachterstand rekening was gehouden met door Stijl c.s. gestelde betalingen. De kantonrechter zal in onderhavige zaak daarom de gehele vordering inhoudelijk behandelen.
Stijl c.s. hebben bij akte uitlating de huurachterstand en boetes betwist. Zij stellen zich op het standpunt dat een aantal betalingen die zij hebben gedaan op 23 april 2024, 21 mei 2024, 23 april 2025 en 29 september 2025 niet door Noordams in mindering zijn gebracht op onderhavige vordering. Er bestaat wel een achterstand, maar die is minder hoog, aldus Stijl c.s. De kantonrechter is daarentegen van oordeel dat Noordams in deze procedure voldoende heeft toegelicht en onderbouwd waar de vordering uit bestaat, hoe deze is opgebouwd en welke betalingen waarop in mindering zijn gebracht. In tegenstelling tot wat Stijl c.s. stellen blijkt uit de specificaties voldoende dat de door Stijl c.s. gestelde betalingen op de vordering in mindering zijn getrokken. Dit geldt niet voor de door Stijl c.s. op 29 september 2025 gestelde betaling omdat deze betaling pas is gedaan nadat de zitting in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden. De kantonrechter gaat daarom uit van de juistheid van de door Noordams overgelegde specificaties.
De conclusie is dat Stijl c.s. € 63.889,52 aan Noordams moeten betalen. Het gevorderde zal dan ook worden toegewezen, met dien verstande dat door Stijl c.s. daartoe gedane betalingen na de zitting van 10 september 2025 uiteraard daarop in mindering worden gebracht door Noordams.
Alle overige verweren van Stijl c.s. behoeven geen bespreking, omdat die niet tot een ander oordeel leiden.
Noordams vordert ook toekomstige huurtermijnen en een boete van € 300,00 per maand als de lopende huur niet tijdig wordt voldaan. De toekomstige huurtermijnen vanaf de maand oktober 2025 zijn nog niet opeisbaar en daarom in beginsel niet toewijsbaar. Dit neemt niet weg dat Stijl c.s. verplicht zijn de huurtermijnen te betalen omdat verschuldigdheid daarvan voortvloeit uit de huurovereenkomst zoals ook de in verband daarmee eventueel verschuldigde boetes. De gevorderde toekomstige huurtermijnen vanaf de maand oktober 2025 zullen dan ook worden afgewezen. Dit geldt ook voor de in verband daarmee verschuldigde boetes.
Noordams vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 1.061,92 worden toegewezen.
Stijl c.s. zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Noordams worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,65
- griffierecht
€
1.461,00
- salaris gemachtigde
€
1.630,00
(2 punten × € 815,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.351,65
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt Stijl c.s. hoofdelijk om aan Noordams te betalen een bedrag van € 63.889,52,
veroordeelt Stijl c.s. hoofdelijk om aan Noordams te betalen een bedrag van € 1.061,92 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt Stijl c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 3.351,65, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Stijl c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.