ECLI:NL:RBNHO:2025:13704

ECLI:NL:RBNHO:2025:13704, Rechtbank Noord-Holland, 20-11-2025, 24-4051

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 20-11-2025
Datum publicatie 01-12-2025
Zaaknummer 24-4051
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Haarlem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003245 BWBR0003628 BWBR0005416 BWBR0005537 BWBR0024779 BWBR0041395

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het uitoefenen van spoedeisende bestuursdwang door verweerder inzake het schip van eiseres en het kostenverhaal daarvan op eiseres. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van overtreding van artikel 3.3., sub c en d, Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2019 (RHV) gelezen in samenhang met artikel 6.1 RHV. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit de keuze om spoedeisende bestuursdwang toe te passen, voldoende gemotiveerd. Verweerder heeft terecht doorslaggevend geacht dat het schip een grote hoeveelheid rode gasolie bevatte, terwijl het daartoe niet was gecertificeerd en de opslagtanks dus ook niet zijn gecontroleerd. Het schip is immers een drijvend werktuig en mag dus helemaal geen lading bevatten. Omdat de eigenaar van het schip niet in de nabije omgeving aanwezig was, staat ook vast dat hij niet in de gelegenheid was om het schip zelf met spoed te verplaatsen. Gelet op de spoedeisendheid heeft verweerder vervolgens terecht op grond van artikel 5:31 Awb spoedeisende bestuursdwang toegepast en was het geven van een begunstigingstermijn voor het weghalen van het schip niet nodig. Het beroep is dus ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht spoedeisende bestuursdwang heeft uitgeoefend en de kosten daarvan op eiseres heeft verhaald.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen

[bedrijf 1] B.V., statutair gezeteld te Amsterdam, eiseres

Samenvatting

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 24/4051

(gemachtigde: mr. A.A. Marcus),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik).

1. Deze uitspraak gaat over het uitoefenen van spoedeisende bestuursdwang door verweerder inzake het schip van eiseres, de [naam schip] en het kostenverhaal daarvan op eiseres. Eiseres is het hiermee niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht spoedeisende bestuursdwang heeft opgelegd en de kosten daarvan op eiseres heeft verhaald. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 bespreekt de rechtbank de feiten waarvan uit moet worden gegaan in de beoordeling. De beoordeling van de beroepsgronden door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank eerst in op de vraag of sprake is van een overtreding. Onder 6 bespreekt de rechtbank of sprake was van een gevaarlijke situatie die tot de spoedeisende bestuursdwang noopte. Daarna beoordeelt de rechtbank onder 7 of eiseres de gelegenheid heeft gekregen om zelf de boot te verplaatsen en onder 8 of de kosten terecht op eiseres zijn verhaald. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 11 juni 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij het besluit van 13 november 2023 tot het uitoefenen van bestuursdwang en het kostenverhaal daarvan, gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] (bestuurder van eiseres) en de gemachtigde van eiseres. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigde van verweerder, [naam 2] [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Op een ander tijdstip op dezelfde zitting zijn de beroepen HAA 24/5353 en 24/5359 van eiseres gericht tegen besluiten van de minister van Infrastructuur en Waterstaat ook behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 6 november 2023 is tijdens een handhavingsactie in Zijkanaal E geconstateerd dat een schip met de naam [naam schip] lag afgemeerd. Het schip was vanaf de wal toegankelijk en lag afgemeerd in de directe nabijheid van bewoonbaar gebied. Toezichthouders van de gemeente Zaanstad en medewerkers van de Douane zijn aan boord gegaan en hebben geconstateerd dat op de [naam schip] acht onderdekse lading tanks aanwezig waren met mangaten op het dek. Een aantal van die tanks bevatten ongeveer 24.000 liter rode gasolie / rode diesel (hierna ook: gasolie of dieselolie). Vanaf deze tanks liepen geen leidingen richting de motor of de dagtank. Het schip is oorspronkelijk gebouwd als bunkerboot, maar is nu in gebruik als drijvend werktuig.

Op 6 november 2023 heeft de havenmeester telefonisch contact opgenomen met de bestuurder van eiseres, [naam 1] .

De toezichthouders hebben op 6 november 2023 op grond van het voorgaande geconstateerd dat de veiligheid van het vaartuig en de inrichting ten opzichte van de haven en het milieu niet langer kon worden aangenomen. Daarom is besloten om het schip mee te voeren en op te slaan in de gemeentelijke bewaarhaven door toepassing van spoedeisende bestuursdwang op grond van artikel 5:31 van de Algemeen wet bestuursrecht (Awb). Op grond van artikel 4:11, sub a, Awb is afgezien van het horen. Ook is vanwege de spoedeisende bestuursdwang geen termijn gegeven om de overtreding ongedaan te maken.

Het besluit om spoedeisende bestuursdwang toe te passen is op 13 november 2023 op schrift gesteld met de volgende motivering. Op 6 november 2023 is tijdens een handhavingsactie geconstateerd dat de [naam schip] , met de uiterlijke kenmerken van een tankschip, lag afgemeerd in Zijkanaal E. Onder punt 52 van het Certificaat van Onderzoek is opgenomen dat het scheepstype is gewijzigd van motortankschip naar drijvend werktuig. Onder nummer 25 staat dat het vaartuig geen ladingtanks heeft, maar er zijn wel ladingtanks met rode diesel aangetroffen. Ook volgt uit het Certificaat van de Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (het ADN-Certificaat) dat het schip droge lading mag vervoeren, maar het bevatte vloeibare lading. De havenmeester heeft [naam 1] gebeld en gevraagd of hij direct langs wilde komen, maar dat wilde hij niet. Uit de bemonstering van de ladingtanks kwam naar voren dat de lading rode gasolie betrof. Dat is een gevaarlijke stof. Rode gasolie mag beperkt gebruikt worden en tankschepen met die lading mogen alleen ligplaats innemen in een oliehaven of aangewezen ligplaats. Omdat de [naam schip] de kenmerken heeft en gebruikt wordt als tankschip, maar het Certificaat van Onderzoek stelt dat het een drijvend werktuig is, kan de veiligheid van het schip en de inrichting ten opzichte van de haven en het milieu niet worden aangenomen. Dit heeft geleid tot de beslissing het schip mee te voeren en op te slaan.

Ook werd niet voldaan aan de vereisten in artikel 3.3 Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2019 (RHV) voor het innemen van een ligplaats. De ligplaats in het Zijkanaal E voldeed niet aan sub a of b van dat artikel omdat het geen verkeerstekens bevatte of bekendmaking met dezelfde strekking. Eiseres had wel de toestemming van de eigenaar van de ligplaats (sub c), maar verweerder staat het nemen van de ligplaats niet toe uit het oogpunt van veiligheid en milieu. Er werd ook niet voldaan aan artikel 3.3, sub d, RHV voor tankschepen en er was geen ligplaatsvergunning verleend (sub e).

Deze gedragingen kunnen in redelijkheid aan eiseres worden toegerekend. Verweerder dient in beginsel handhavend op te treden bij een overtreding. De overtreding was zodanig ernstig dat besloten is tot spoedeisende bestuursdwang. Legalisatie ligt niet in de rede door het acute gevaar voor de veiligheid en het milieu. Na afweging van alle belangen is verweerder niet gebleken dat er bijzondere omstandigheden bestaan die ertoe moeten leiden dat verweerder van handhaving afziet. Tot slot is verweerder bevoegd op grond van artikel 125 Gemeentewet in samenhang met artikel 5:21 Awb.

Op 15 januari 2024 heeft eiseres het vaartuig opgehaald en op 16 januari 2024 onder toezicht van de Inspectiedienst Leefomgeving & Transport (ILT) gelost. De kosten die verweerder heeft gemaakt voor de uitvoering van de spoedeisende bestuursdwang ten bedrage van € 1.975,- zijn toen voldaan. Op 12 februari 2024 is het besluit tot kostenverhaal van de kosten van het toepassen van bestuursdwang naar eiseres verzonden.

In het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres tegen de toepassing van spoedeisende bestuursdwang en het kostenverhaal ongegrond verklaard.

Inmiddels is de [naam schip] door eiseres verkocht.

Vaststaande feiten

De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van het beroep uit moet worden gegaan van de volgende feiten, die tussen partijen ook niet in geschil zijn.

Het schip de [naam schip] is oorspronkelijk gebouwd als bunkerboot als bedoeld in artikel 1.1. RHV, maar is daarna gewijzigd in een drijvend werktuig. Uit het afgegeven Communautair Binnenvaartcertificaat voor Binnenschepen (CBB) van 2 december 2021 blijkt dat de [naam schip] als drijvend werktuig geschikt is om langszij droge lading schepen die gevaarlijk stoffen vervoeren af te meren, maar zelf geen lading mag vervoeren. In het CBB onder punt 25 staat bij het aantal ladingtanks/laadruimen: “---". Hieruit volgt dat de nog wel aanwezige 8 ladingtanks in het CBB niet zijn gekeurd. Uit het voorgaande blijkt dat de [naam schip] dus geen lading (meer) mocht vervoeren.

Is sprake van een overtreding?

Eiseres betwist dat sprake was van een overtreding. De [naam schip] mocht op de ligplaats liggen omdat werd voldaan aan artikel 3.3, sub c, RHV. De [naam schip] lag in het Zijkanaal E voor onderhoud en reparatiewerkzaamheden door firma [bedrijf 2] . In het Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen heeft verweerder alle kades in eigendom, huur of erfpacht van bedrijven aangewezen als ligplaatsen voor alle schepen. Een ligplaatsvergunning was dus niet nodig omdat het op grond van het Aanwijzingsbesluit is toegestaan.

Subsidiair stelt eiseres dat door verweerder al jaren werd gedoogd dat [bedrijf 2] daar werkzaamheden aan schepen uitvoerde. Eiseres citeert uit correspondentie tussen [bedrijf 2] en verweerder, waaruit blijkt dat verweerder toestond dat [bedrijf 2] dekschuiten langs haar perceel had en daar werkzaamheden uitoefende.

Ook is niet gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen dat het innemen van ligplaats aan de Zijkanaal niet is toegestaan uit het oogpunt van ordening, veiligheid of het milieu.

Verweerder stelt ook ten onrechte dat niet is gebleken dat Rijkswaterstaat toestemming heeft verleend voor het innemen van de ligplaats, gelet op artikel 9.03, tweede lid, sub a, van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Op grond van dat artikel hoeft alleen voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden toestemming te worden gevraagd, maar van dergelijke herstelwerkzaamheden was geen sprake en dit is ook niet geconstateerd. Los daarvan kan overtreding van artikel 9.03 BPR niet ten grondslag worden gelegd aan het uitoefenen van spoedeisende bestuursdwang, omdat Rijkswaterstaat en niet verweerder daartoe bevoegd was.

Ook stelt eiseres dat de [naam schip] geen tanker maar een drijvend werktuig is en het dus niet onder de bepalingen voor tankers in de Havenverordening valt. Voor zover het wel als een tanker moet worden beschouwd, stelt eiseres dat het schip afgemeerd lag in overeenstemming met de bepaling voor het afmeren van tankschepen met gevaarlijke stoffen. Ook is het onjuist dat alle onderhouds- en herstelwerkzaamheden op een werf moeten plaatsvinden. Het is gebruikelijk dat klein onderhoud, zoals schilderen, wordt uitgevoerd op een ligplaats. Een gasvrij verklaring was niet nodig omdat geen sprake was van werken met open vuur op de ladingzone.

Verweerder stelt in het bestreden besluit dat Zijkanaal E niet is aangewezen op grond van artikel 5.4 jo. 6.1 RHV als locatie waar tankschepen mogen aanmeren. Er wordt niet aangetoond dat wordt voldaan aan de voorwaarde voor een tankschip om buiten het oliehavengebied ligplaats te mogen innemen. Sowieso is de kade niet aangewezen als ligplaats en mocht het schip daar niet liggen. Voor zover wordt aangegeven dat werkzaamheden aan het schip werden uitgevoerd, is niet duidelijk om welke werkzaamheden het zou gaan. Verweerder heeft geconstateerd dat Rijkswaterstaat, als bevoegd gezag, geen toestemming heeft verleend voor het innemen van een ligplaats voor dit vaartuig ten behoeve van herstelwerkzaamheden (artikel 9.03, tweede lid, jo bijlage 14a onder 34 BPR). Ook is door verweerder geen ligplaatsvergunning voor deze locatie afgegeven. Werkzaamheden dienen op een werf plaats te vinden en het bestemmingsplan laat ter plaatse geen werfactiviteiten toe. Ook is geen gasvrij verklaring afgegeven, zodat is gehandeld in strijd met artikel 4.5 RHV.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van overtreding van artikel 3.3., sub c en d, RHV gelezen in samenhang met artikel 6.1 RHV.

Er is sprake van overtreding van artikel 3.3. sub c, RHV omdat de ligplaats in het Zijkanaal E eigendom is van Rijkswaterstaat en Rijkswaterstaat aan eiseres geen toestemming heeft gegeven om daar ligplaats in te nemen.

Eiseres stelt wel toestemming te hebben van de firma [bedrijf 2] , maar heeft niet nader kunnen toelichten of onderbouwen of de firma [bedrijf 2] deze ligplaats huurt van Rijkswaterstaat of dat sprake is van erfpacht. Ook de stelling dat het gebruik van deze ligplaats door de firma [bedrijf 2] werd gedoogd, volgt de rechtbank niet. De door eiseres overgelegde correspondentie ter onderbouwing van dat standpunt heeft immers betrekking op een geheel andere locatie. Daarnaast is uit die correspondentie niet af te leiden dat sprake is van een gedoogsituatie. Reeds daarom is sprake van een overtreding.

Daarbij komt dat op grond op grond van artikel 3.3., sub c, RHV (zelfs indien toestemming zou zijn verleend door de firma of Rijkswaterstaat), geen ligplaats mag worden ingenomen als verweerder dit niet toestaat uit het oogpunt van een efficiënt gebruik van de haven, veiligheid of milieu. Verweerder heeft aangegeven dat het innemen van de ligplaats door de [naam schip] niet werd toegestaan vanwege de grote hoeveelheid brandbare gasolie die aanwezig was op het schip, dat ook voor een ieder vrij toegankelijk was. De [naam schip] was immers gecertificeerd als een drijvend werktuig en mocht als zodanig geen lading vervoeren of opslaan. De staat van de ladingtanks was dus ook niet gecontroleerd en onduidelijk, hetgeen een gevaar opleverde.

Dat verweerder hierover al voor de constateringen op 6 november 2023 een besluit had moeten nemen, volgt de rechtbank niet. Verweerder wist immers niet dat de [naam schip] op die locatie een ligplaats had ingenomen. Zodra verweerder daarvan wel op de hoogte was, heeft hij aangegeven dit niet toe te staan. Dat uit het Aanwijzingsbesluit zou volgen dat verweerder daarvoor wel toestemming heeft gegeven, volgt de rechtbank evenmin. Dit betreft immers een algemene toestemming en niet specifiek voor de [naam schip] , zoals bedoeld in artikel 3.3, sub c, RHV.

Ook is sprake van overtreding van artikel 3.3, sub d, RHV gelezen in samenhang met artikel 6.1 RHV. De [naam schip] had immers in meerdere ladingtanks 24.000 liter gasolie aanwezig. Het is dus weliswaar gecertificeerd als drijvend werktuig, maar feitelijk in gebruik als tankschip. De ligplaats van de [naam schip] in Zijkanaal E is niet door verweerder aangewezen als ligplaats voor tankschepen op grond van artikel 6.1 RHV.

Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Geen gevaarlijke situatie

Eiseres voert aan dat de aanwezige gasolie niet met zich meebracht dat de [naam schip] een zodanig gevaar vormde dat spoedeisende bestuursdwang moest worden toegepast.

Het schip was niet zonder hinder toegankelijk. Het terrein van de firma [bedrijf 2] is een privé terrein met borden “verboden voor onbevoegden”. Het schip lag inderdaad in de directe nabijheid van bewoonbaar gebied, maar dat gold nog meer voor de bewaarhaven.

Er waren op het schip inderdaad tanks aanwezig met olie voor de voortstuwing van het schip. Hoe en waarom dit bijdraagt aan het oordeel dat de veiligheid van het vaartuig niet kon worden aangenomen, is niet inzichtelijk. Er waren inderdaad geen vaste leidingen aanwezig naar de motor. De voormalige ladingtanks fungeerden wel als opslag voor gasolie voor eigen gebruik. Dat de aangetroffen hoeveelheid olie ongebruikelijk is, bestrijdt eiseres. Ook maakt dat het niet gevaarlijk. De stelling dat de ladingtanks niet waren voorzien van veiligheidsvoorzieningen op grond van artikel 8.05 van de ES-TRIN wordt ook betwist. Verweerder heeft hierover niets vastgesteld. Indien de [naam schip] niet hieraan zou voldoen, had zij geen certificaat gekregen. De stelling van verweerder dat er signalen waren dat de brandstof verontreinigd was, is niet onderbouwd. Voor zover gedoeld wordt op het zwavelgehalte in de tanks, was verweerder daar op dat moment nog niet mee bekend.

Dat de brandblussers niet zijn gekeurd, wordt ook bestreden. Eiseres ontkent dat de tanks en het schip in discutabele staat waren. Dit wordt enkel gesteld en niet onderbouwd, bijvoorbeeld in het rapport van bevindingen van 6 november 2023.

In het bestreden besluit stelt verweerder (voor zover van belang) dat het schip is gebouwd als bunkerboot en kennelijk sinds 2021 niet meer als zodanig is gecertificeerd. Als een bunkerboot wordt gekeurd voor certificering, worden de tanks ook beoordeeld. Dat is niet het geval bij een drijvend werktuig omdat die geen ladingtanks in gebruik mag hebben. De op de [naam schip] aanwezige ladingtanks zijn dus niet gekeurd en mogen niet als zodanig gebruikt worden. Tijdens de controle op 6 november 2023 is geconstateerd dat wel ladingtanks op het schip aanwezig zijn en dat deze deels gevuld waren. Dat de tanks voor eigen brandstof bedoeld zijn, wordt niet gevolgd. Er zijn geen vaste leidingen van de tanks naar de motor. Ook staat in het keuringsrapport niets opgenomen over de tanks, zodat die niet zijn beoordeeld voor het opslaan en vervoeren van lading of brandstof. Dieselolie is een gevaarlijke stof met gevarenklasse 3. De penibele staat van het schip en de tanks onderstreept het standpunt dat met spoed gehandeld moest worden om de veiligheid van leefomgeving en milieu te garanderen.

De locatie van het Schip in Zijkanaal E was ook voor eenieder ongehinderd toegankelijk. Er was geen hek of andere belemmering voor het publiek om het schip te betreden.

Na opening van de ladingtanks is geconstateerd dat de aanwezige gasolie rood van kleur was. De ervaring leert dat deze rode kleur op rode gasolie duidt. Door de Douane is achteraf vastgesteld door bemonstering en onderzoek van de monsters dat het inderdaad rode gasolie betrof. De concentratie van de aanwezige zwavel was ongeveer 74 keer zo hoog als toegestaan voor gebruik in de binnenvaart. De aanwezige zwavel, ook al is dit achteraf geconstateerd, bevestigt de juistheid van het besluit om tot spoedeisende bestuursdwang over te gaan aangezien die zwavel tot gevaarlijke gasvorming kan leiden.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit de keuze om spoedeisende bestuursdwang toe te passen voldoende heeft gemotiveerd. Verweerder heeft terecht doorslaggevend geacht dat het schip een grote hoeveelheid rode gasolie bevatte, terwijl het daartoe niet was gecertificeerd en de opslagtanks dus ook niet zijn gecontroleerd. Een drijvend werktuig mag immers helemaal geen lading bevatten.

De ter zitting ingenomen stelling van eiseres dat sprake is van een enkelwandige bunkerboot en dat de buitenwand (vlak, kimmen en zijwanden) van het schip wel is gekeurd, leidt niet tot een ander oordeel omdat de opslagtanks daarmee nog steeds niet zijn gekeurd.

Verweerder heeft het terecht onaannemelijk geacht dat een dergelijk grote hoeveelheid gasolie op het schip voor eigen gebruik was. De hoeveelheid staat niet in verhouding tot het gebruik van de eigen scheepsmotor en er waren ook geen leidingen van de tanks naar de motor.

Gasolie is volgens de ADN geclassificeerd als een gevaarlijke brandbare stof, met gevarenklasse 3. Eiseres gebruikte het schip dus niet conform de certificaten die daarvoor zijn afgegeven. Daarbij komt dat de [naam schip] zonder hinder toegankelijk was. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat de ligplaats eigendom van Rijkswaterstaat was en dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ligplaats op het terrein van de firma [bedrijf 2] lag. De ligplaats was vrij toegankelijk.

Dat de bewaarhaven van verweerder waar de [naam schip] naartoe is gesleept, ook vlakbij bewoonbaar gebied ligt, brengt niet met zich mee dat de ligplaats in het Zijkanaal E niet dermate gevaarlijk was dat spoedeisende bestuursdwang niet nodig was. Daarbij komt dat de bewaarhaven wel is afgesloten en dus niet openbaar toegankelijk is.

De vraag of ook niet werd voldaan aan artikel 8.05 ES-TRIN behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

Kon eiseres het schip zelf weghalen?

Eiseres stelt dat [naam 1] niet op 6 november 2023 is gebeld met de mededeling dat hij de [naam schip] weg moest halen. Hij werd alleen gebeld over het geven van toestemming voor het nemen van monsters uit de ladingtanks. Dit blijkt uit het waarnemingsrapport.

De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft in het primaire besluit gemotiveerd dat op 6 november 2023 telefonisch contact is opgenomen met de eigenaar van het schip, [naam 1] , en dat gevraagd is of hij direct langs kon komen om het schip te halen. De heer [naam 1] heeft toen volgens verweerder verklaard dat hij bezig was met lassen en hij had een onverschillige houding. In bezwaar heeft eiseres naar voren gebracht dat hem niet is gevraagd om te [naam schip] te komen halen. Tussen partijen staat wel vast dat [naam 1] heeft aangegeven bezig te zijn met lassen en dat hij zich op ruim een uur reisafstand van de [naam schip] bevond. Omdat de heer [naam 1] niet in de nabije omgeving aanwezig was, staat ook vast dat hij niet in de gelegenheid was om het schip zelf met spoed te verplaatsen. Gelet op de spoedeisendheid heeft verweerder vervolgens terecht op grond van artikel 5:31 Awb spoedeisende bestuursdwang toegepast en was het geven van een begunstigingstermijn aan [naam 1] voor het weghalen van het schip niet nodig.

Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ten onrechte verhaal van kosten

Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte spoedeisende bestuursdwang heeft uitgeoefend, zodat de kosten daarvan ook ten onrechte op eiseres zijn verhaald. Verweerder dient de betaalde kosten van € 1.975,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 januari 2024 terug te betalen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht is overgegaan tot spoedeisende bestuursdwang. Op grond van artikel 5:25 Awb vindt toepassing van bestuursdwang plaats op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen. Daar is niet van gebleken.

Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder terecht spoedeisende bestuursdwang heeft uitgeoefend en de kosten daarvan op eiseres heeft verhaald. Eiseres krijgt dus geen gelijk en zij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, en mr. E.J. van Keken en mr. T.J.H. Verstappen, leden, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:24

1.De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2.De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

3.De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

Artikel 5:25

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.De last vermeldt in hoeverre de kosten van bestuursdwang ten laste van de overtreder zullen worden gebracht.

3.Tot de kosten van bestuursdwang behoren de kosten van voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze zijn gemaakt na het verstrijken van de termijn waarbinnen de last had moeten worden uitgevoerd.

4.De kosten van voorbereiding van bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last geen bestuursdwang is toegepast.

5.Tot de kosten van bestuursdwang behoren tevens de kosten van vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid.

6.Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast binnen vijf jaar nadat de bestuursdwang is toegepast.

Artikel 5:31

1.Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2.Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Artikel 5:31c1.Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

2.De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot toepassing van bestuursdwang of de beschikking tot vaststelling van de kosten echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.

3In beroep of hoger beroep legt de belanghebbende zo mogelijk een afschrift over van de beschikking die hij betwist.

4.Het eerste tot en met het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een verzoek om voorlopige voorziening.

Regionale Havenverordening Noordzeekanaalgebied 2023

Artikel 3.3 Nemen van een ligplaats

Een schip mag alleen ligplaats nemen als dit gebeurt:

a. in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte verkeerstekens en nadere aanduidingen die daar zijn aangebracht;

b. in overeenstemming met een bekendmaking met dezelfde strekking als een verkeersteken;

c. op ligplaatsen, gelegen aan een afmeervoorziening met instemming van een huurder, erfpachter of eigenaar, behalve als het college het nemen van een ligplaats niet toestaat uit het oogpunt van een efficiënt gebruik van de haven, veiligheid of milieu;

d. voor tankschepen, zoals vermeld in artikel 6.1, of;

e. met een verleende ligplaatsvergunning.

Artikel 4.5 Verrichten van werkzaamheden

1. Eenieder mag aan een schip of aan een voorwerp aan boord van een schip werkzaamheden verrichten of doen verrichten, die verband houden met de bedrijfsgereedheid, aanpassing, het herstel of de verbetering van het schip of het voorwerp, als:

a. het schip ligplaats heeft op een locatie waar deze activiteiten zijn toegestaan, of;

b. werkzaamheden:

1°. Plaatsvinden binnen een aangesloten periode van 7 x 24 uur;

2°.Geen gevaar, schade of hinder veroorzaken of kunnen veroorzaken;

3°. Ten minste 25 meter verwijderd zijn van gevaarlijke stoffen of brandbaar materiaal;

4°. Worden verricht en tijdens de werkzaamheden doelmatige brandblusmiddelen en personen die met het gebruik van die middelen bekend zijn, direct beschikbaar zijn, en;

5°.Geen vonkvorming naar de buitenlucht veroorzaken of kunnen veroorzaken als het schip in een oliehaven ligt.

Artikel 5.2

1.Een schip mag zich alleen in een oliehaven bevinden als:

a. het een tankschip is;

b. het schip van de infrastructuur gebruikt maakt, heeft gemaakt of zal maken tijdens, kort voor of kort na het lossen, het laden, het schoonmaken van ladingtanks of sloptanks of te bunkeren.

c. het een roei- of motorboot is die niet door een benzinemotor wordt voortbewogen en die tot de uitrusting van een schip als bedoeld in onderdeel a of b behoort, en:

(…)

d. de aanwezigheid van dat schip in de haven in verband met de aankomst, het verblijf of het vertrek van een schip als bedoeld in onderdeel a of b, noodzakelijk is;

e. het schip werkzaam is voor een publiekrechtelijk lichaam of het schip van de havenbeheerder is;

f. het schip rechtstreeks en zonder onderbreking vaart naar of van infrastructuur buiten de oliehaven;

g. het een dienstverlenend schip is;

h. het een schip betreft dat baggerwerkzaamheden uitvoert;

i. het een werkschip is, of;

j. het een bunkerschip is.

2. Het is verboden zich met een pleziervaartuig of passagiersschip in een oliehaven te bevinden.

Artikel 5.4 Tankschepen met gevaarlijke stoffen

1.Tankschepen waarvan de lading- of sloptanks gevaarlijke stoffen of residuen daarvan bevatten mogen zich alleen op een ligplaats bevinden in een oliehaven of op door het college aangewezen ligplaatsen buiten een oliehaven.

2. Tankschepen mogen zich ook op ligplaatsen bevinden buiten een oliehaven als de lading- of sloptanks:

a. alleen gevaarlijke vloeistoffen met een uitsluitend brandbare eigenschap of residuen daarvan bevatten:

1°. Met een vlampunt van 55 graden Celsius of hoger, of;

2°.Een inerte atmosfeer bevatten, of;

3°. Maximaal 20% van de laagste explosiegrens brandbare dampen bevat en gesloten blijven, of;

b.alleen de in bijlage 4 genoemde stoffen of residuen daarvan bevatten of leeg daarvan zijn.

Artikel 6.1 Aanwijzing ligplaats tankschepen

1. Het college kan boeien en afmeerpalen aanwijzen die buiten de reikwijdte van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of de Wet milieubeheer vallen, waar tankschepen geladen met of leeg van vloeibare, gevaarlijke of schadelijke stoffen mogen afmeren.

2.Het college kan aan de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden aan de aard en hoeveelheid van de lading en de uit te voeren activiteiten door de schepen.

3.Als aan een ligplaats als bedoeld in het eerste lid een tankschip met gevaarlijke stoffen ligt zijn in een strook water van 25 meter rondom alle direct of indirect afgemeerde schepen de regels van toepassing zoals deze gelden in de oliehaven. Dit geldt niet als het tankschip een lading of residu daarvan aan boord heeft overeenkomstig artikel 5.4, tweede lid.

Binnenvaartpolitiereglement

Artikel 9.03. Ligplaats nemen (ankeren en meren)

1.Het is verboden op de in bijlage 14, onder a, vermelde vaarwegen, of gedeelten daarvan, ligplaats te nemen (ankeren en meren).

2.Op een gedeelte van een vaarweg waar ligplaats nemen is toegestaan mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit, niet:

a. aan herstelwerkzaamheden worden onderworpen;

b. laden, lossen of ontgassen.

(…)

Europese standaard tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (ES-TIN)

Artikel 8.05

Brandstoftanks, -leidingen en toebehoren

1. Vloeibare brandstoffen moeten zijn opgeslagen in tot de scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog op brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit geldt niet voor tanks van hulpaggregaten met een inhoud van maximaal 12 liter, die van fabriekswege hecht met deze zijn verbonden. Brandstoftanks mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben met drinkwaterreservoirs.

2. Deze tanks, alsmede brandstofleidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn

uitgevoerd en ingericht dat zich geen brandstof of brandstofdampen onopzettelijk in het

inwendige van het schip kunnen verspreiden. Afsluitinrichtingen op brandstoftanks, die dienen voor het ontnemen van brandstof of voor de afwatering, moeten zelfsluitend zijn.

3. Voor het aanvaringsschot en achter het achterpiekschot mag zich geen brandstoftank bevinden.

4. Brandstoftanks en hun appendages mogen niet boven motoren of uitlaatgassenleidingen zijn geplaatst.

5. De vulopeningen van brandstoftanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt en de vulleiding moet met de passende kleur gemarkeerd zijn. Dit is het geval wanneer wordt voldaan aan de eisen van de internationale norm ISO 14726 : 2008.

6. De vulleidingen van brandstoftanks moeten aan dek uitmonden, met uitzondering van die der dagtanks. De vulleidingen moeten voorzien zijn van een aansluitkoppeling volgens de Europese

norm EN 12827 : 1999.

Deze tanks moeten zijn voorzien van een ontluchtingsleiding die bovendeks in de open lucht

uitmondt en zo zijn ingericht dat geen water kan binnendringen. De doorsnede van deze

ontluchtingsleiding moet ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.

Indien tanks voor brandstoffen met elkaar in verbinding staan, moet de doorsnede van de

verbindingsleiding ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.

7. De uitgaande leidingen voor brandstoffen moeten rechtstreeks bij de tanks zijn voorzien van een snelsluitklep die van het dek af kan worden bediend, ook wanneer de betrokken ruimten zijn gesloten.

Wanneer de bedieningsinrichting door de wijze van opstelling aan het gezicht is onttrokken,

mag de bedekking of de afscherming niet afsluitbaar zijn.

De bedieningsinrichting moet met een rode kleur zijn gemarkeerd. Wanneer de inrichting door de wijze van opstelling aan het gezicht is onttrokken, moet deze worden gemarkeerd met een symbool voor de “snelsluitklep van de tank” overeenkomstig schets 9 van bijlage 4, met een lengte van de zijde van ten minste 10 cm.

De eerste zin geldt niet voor brandstoftanks die rechtstreeks aan de motor zijn aangebouwd.

8. Brandstofleidingen, hun verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische belasting. Brandstofleidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden

9. Brandstoftanks moeten zijn voorzien van een geschikte peilinrichting. De peilinrichting moet tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van automatisch sluitende inrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen. De peilkokers moeten niet in verblijven eindigen. Peilkokers die in een machinekamer of ketelruim eindigen, moeten zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen.

10 a) Brandstoftanks moeten door geschikte technische inrichtingen aan boord, die in het

binnenschipcertificaat onder nummer 52 moeten worden vermeld, zijn beveiligd tegen het

uitstromen van brandstof tijdens het bunkeren.

b) Wanneer brandstof wordt ingenomen van bunkerstations die door hun eigen technische

inrichtingen tegen het uitstromen van brandstof aan boord tijdens het bunkeren beveiligd

zijn, is het uitrustingsvoorschrift, bedoeld in onderdeel a en in het elfde lid, niet van

toepassing.

11. Indien brandstoftanks zijn uitgerust met een automatische uitschakelinrichting, moeten de meetelementen bij een tankvulstand van 97% het bunkeren onderbreken; deze inrichtingen moeten voldoen aan de maatstaf "failsafe".

Indien het meetelement een elektrisch contact in werking stelt, dat in de vorm van een binair

signaal de van het bunkerstation afkomstige en gevoede stroomkring kan onderbreken, moet

het signaal naar het bunkerstation kunnen worden overgebracht via een waterdichte

apparatenstekker van een koppelingsinrichting volgens de internationale norm

IEC 60309-1 : 2021 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur.

12. Tanks voor brandstoffen moeten zijn voorzien van lekdichte afsluitbare openingen voor reiniging en keuring.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?