ECLI:NL:RBNHO:2025:13932

ECLI:NL:RBNHO:2025:13932, Rechtbank Noord-Holland, 19-11-2025, 359411

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 19-11-2025
Datum publicatie 04-12-2025
Zaaknummer 359411
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Haarlem
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289

Samenvatting

Zaak over opschortende voorwaarde. Aannemer vordering toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/359411 / HA ZA 24-661

Vonnis van 19 november 2025

in de zaak van

[eiser] B.V.,

te [plaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] B.V.,

advocaat: mr. H. van Lingen,

tegen

[gedaagde] ,

te [plaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

advocaat: mr. M.J. Kesler.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 8;

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;

- het tussenvonnis van 16 april 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

- het overzicht producties met producties 9 tot en met 13 aan de zijde van [eiser] B.V.;

- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2025, waarbij door beide advocaten spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier voor het overige aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

[eiser] B.V. exploiteert een schildersbedrijf.

[gedaagde] heeft aan [eiser] B.V. een offerte gevraagd voor het verrichten van schilderwerkzaamheden aan houtdelen (kozijnen, deuren, schotwerken, boeidelen, gootwerk, klossen) aan de buitenzijde van haar woning aan de [adres] in [plaats 3].

Op 12 april 2024 heeft [eiser] B.V. per e-mail aan [gedaagde] een offerte gestuurd om de schilderwerkzaamheden uit te voeren voor een bedrag van € 59.585,32 (exclusief 9% BTW), plus een bedrag van € 11.500,00 (exclusief 9% BTW) voor de steigerbouw. De offerte vermeldt geen periode waarin de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd.

Op 23 april 2024 hebben partijen telefonisch met elkaar gesproken over de offerte en een planning voor het uitvoeren van de werkzaamheden.

Ergens in de periode tussen 6 mei 2024 en 18 mei 2024 hebben partijen nader telefonisch met elkaar gesproken over de opdracht en de uitvoering daarvan.

In mei heeft de volgende Whatsapp-conversatie tussen [eiser] B.V. en [gedaagde] plaatsgevonden:

[05-05-2024 21:05:53] [gedaagde] : Hi [betrokkene 1], als we akkoord geven waneer kun je beginnen?

[06-05-2024 11:23:14] [betrokkene 1]: Hoi [gedaagde] goedemorgen. Ga ik even bekijken.

[07-05-2024 09:19:09] [gedaagde] : Laat maar weten hoor.

[18-05-2024 15:59:41] [betrokkene 1]: Hoi [gedaagde], mogen we het werk maken?

[18-05-2024 17:00:35] [gedaagde] : Ja!!! Graag!!

[18-05-2024 17:01:12] [gedaagde] : Ik zal meteen akkoord mailen op de offerte.

[18-05-2024 17:01:27] [gedaagde] : Spreek net [betrokkene 3] [[betrokkene 2], echtgenoot van [gedaagde], rechtbank] rustig er over. [emoji]

In vervolg op deze Whatsapp-conversatie heeft [gedaagde] op 18 mei 2024 per e-mail de volgende reactie op de offerte gegeven:

Heel fijn. We gaan akkoord met de offerte voor schilderwerk wat ik juni begint.

Vanaf 19 mei 2024 tot en met 30 juni 2024 hebben [eiser] B.V. en [gedaagde] geen contact met elkaar gehad.

Op 1 juli 2024 heeft [gedaagde] per e-mail het volgende aan [eiser] B.V. bericht:

Geheel verast zijn we niet dat je niks hebt laten horen en niet bent begonnen afgelopen maand. Uiteraard zijn andere projecten uitgelopen en zo voorts. De schilder die de aanbouw heeft geschilderd kan vandaag meteen door en komt altijd zijn afspraken na dus wij kiezen er voor om hem de klus te laten doen.

Succes met jouw andere projecten.

Dezelfde dag heeft [eiser] B.V. per e-mail op het bericht van [gedaagde] gereageerd:

Ik begrijp dat dit erg vervelend is voor jullie!

In onze planning staat dat de steigerbouwer volgende week de steiger gaat bouwen. Ons materiaal staat ook klaar. Deze week kunnen we desnoods ook al starten. We zijn inderdaad uitgelopen vanwege het weer en de hoogwerker die stuk was.

Iedereen weet dat we gaan starten. We hebben er zin in! Heb twee weken geleden

contact opgenomen om een ander te bespreken. Toen kreeg ik geen gehoor. Nu terug van weekje vakantie.

Zou graag deze vervelende situatie uit de wereld helpen. Het is geen onwil.

Op 1 juli 2024 en 3 juli 2024 wordt nog een aantal e-mails verzonden tussen [eiser] B.V. en (de echtgenoot van) [gedaagde]. [eiser] B.V. – althans haar vertegenwoordiger – is in die dagen ook langs geweest bij de woning, overigens zonder dat zij [gedaagde] daar heeft getroffen of gesproken.

Op 3 juli 2024 vindt via Whatsapp een gesprek plaats tussen [eiser] B.V. en [gedaagde]. Daarin staat – onder meer – het volgende:

[03-07-2024 14:41:04] [betrokkene 1]: Hoi [gedaagde], ik krijg geen gehoor. Ook niet bij [betrokkene 3]. Wij snappen echt helemaal niets van deze situatie. Alles staat klaar om te starten na een flinke voorbereiding. Kun jij mij vertellen wat er nu aan de hand is? Zoals jullie weten is het weer ons enorm aan het frustreren. Gister en vandaag konden we wederom buiten niets of weinig doen. Morgen waarschijnlijk ook weer. De afgelopen twee maanden was dit hetzelfde.

[03-07-2024 14:43:59] [gedaagde] : Hi [betrokkene 1], het is niet zo mysterieus hoor. Ik heb je duidelijk laten weten dat als je in juni zou beginnen je de klus kon doen. Je begon niet in juni.

We zijn niet boos of zo hoor maar het gaat gewoon niet door.

Ik wil ook dat je niet meer langskomt.

En niet met de werklui praten die bij ons aan het werk zijn.

Gewoon niet meer komen nu. Het gaat niet door.

(…)

[03-07-2024 16:26:48] [betrokkene 1]: Heel duidelijk hebben we telefonisch besproken dat we in juni/juli zouden starten. Ik herinner me de woorden nog. Voor de bouwvakantie starten. Zelfs nog bedankt voor de opdracht aan de telefoon. 23 april had je beloofd mij te laten weten akkoord te gaan einde dag. Ik hoorde niets verder. Maakt niet uit. Je gaat niet zomaar wat doen. Na nog een keer vragen of we het mogen maken hoor ik pas 18 mei een akkoord, maand verder. Heeft wel even geduurd, maar niet erg. Heb aan de telefoon gezegd dat we zelfs doorwerken in de vakantie. De klus wordt niet met een man geklaard. Er komen meer mensen. De wens was om het project niet te lang te laten duren. Steigers erbij etc. Nu gaat een man het project doen. Hoelang gaat dit duren? Alle expertise hebben jullie dat is een voordeel. Ik geloof niet dat het overkomt dat ook een bedrijf hier veel last van kan hebben. Toch maanden werk dat in een keer opgevuld moet worden. Met alle gevolgen van dien. Echt heel naar.

[03-07-2024 16:30.32] [gedaagde] : Nee

(…)

[03-07-2024 16:30.38] [gedaagde] : Nu lieg je

[03-07-2024 16:30:57] [betrokkene 1]: Dat is m’n eer te na.

(…)

[03-07-2024 16:32:09] [gedaagde] : Er komt niemand ons erg op. Niet jij en niemand in opdracht van jou zonder dat ik de politie bel. Nu zijn we klaar met overleggen. Ik reageer niet meer op jouw berichten.

[03-07-2024 16:32:54] [gedaagde] : Ik vind je ronduit dreigend.

[03-07-2024 16:38:35] [betrokkene 1]: Dat gevoel heb ik van jullie ook. Dreigend overkomen is geen sprake van. Ik kom gewoon m’n overeenkomst na. Het is niet beleefd als je zo iemand opzij zet. Ik geef dit uit handen. Dan hoeven wij geen contact meer te hebben.

(…)

[03-07-2024 16:44:37] [betrokkene 1]: Je hoeft geen zorgen te hebben dat er steigers komen en schilders. We hebben het niet goed kunnen oplossen. Erg jammer. Succes met het project!

Tot de gedingstukken behoort een door [eiser] B.V. overgelegd overzicht, waarin door zijn boekhouder zijn winstmarge voor 2024 is berekend. Daarin staat het volgende:

%

Netto-omzet

1.322.255

100,0

Kostprijs van de omzet

490.228

37,1

Bruto-omzetresultaat

832.027

62,9

Lonen en salarissen

234.433

Sociale lasten

46.254

Pensioenlasten

19.663

300.350

22,7

Bruto-omzetresultaat -/- loonkosten

531.677

40,2

3. Het geschil

[eiser] B.V. vordert – samengevat en na eisvermindering ter zitting – primair betaling van een bedrag van € 30.993,20, en subsidiair betaling van een bedrag van € 28.434,12. Zij legt primair aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de overeenkomst van aanneming van werk in haar e-mail van 1 juli 2024 heeft opgezegd, zodat zij recht heeft op een vergoeding (inclusief BTW) vanwege deze opzegging (artikel 7:764 Burgerlijk Wetboek (BW)). Subsidiair legt zij aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tegenover haar wanprestatie heeft gepleegd, waardoor zij recht heeft op schadevergoeding wegens die wanprestatie (artikel 7:74 BW), over welke schadevergoeding geen BTW verschuldigd is. Verder vordert [eiser] B.V. wettelijke rente vanaf de dagvaarding en vergoeding van de proceskosten (inclusief wettelijke rente). Dat alles vordert zij uitvoerbaar bij voorraad.

[gedaagde] voert in verweer aan dat de aannemingsovereenkomst was aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat [eiser] B.V. de schilderwerkzaamheden in juni 2024 zou aanvangen. Toen [eiser] B.V. dit niet heeft gedaan, is de overeenkomst niet tot stand gekomen (artikel 6:22 BW). Als de afgesproken termijn geen opschortende voorwaarde was, dan was dit een fatale termijn. In dat geval is de aannemingsovereenkomst ontbonden met het bericht van 1 juli 2024 (zie r.o. 2.9) (artikel 6:265 BW). [eiser] B.V. heeft daarbij geen recht op schadevergoeding, omdat i) de uitvoering van de overeenkomst door zijn toedoen blijvend onmogelijk was geworden en hij zijn zorgplicht heeft geschonden, zodat hij zich niet kan beroepen op enige nakoming of schadevergoeding; en ii) [eiser] B.V. zijn schade onvoldoende heeft onderbouwd. In reactie op het door [eiser] B.V. gevorderde bedrag stelt [gedaagde] in het algemeen dat onvoldoende is onderbouwd dat door [eiser] B.V. kosten zijn gemaakt.

[gedaagde] heeft het in de conclusie van antwoord door haar gedane beroep op dwaling ter zitting ingetrokken.

Voor zover nodig zal de rechtbank hierna op de stellingen van partijen ingaan.

4. De beoordeling

Wat is afgesproken?

Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij een overeenkomst van aanneming van werk hebben gesloten, maar partijen zijn verdeeld over de vraag of die overeenkomst een opschortende voorwaarde of fatale termijn bevatte. [gedaagde] legt het bestaan van deze voorwaarde, dan wel fatale termijn, in de weg aan de vordering van [eiser] B.V.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] er niet in is geslaagd haar beroep op een opschortende voorwaarde, dan wel fatale termijn, voldoende te onderbouwen. Zij komt daartoe op grond van het volgende.

Kenmerkend voor een opschortende voorwaarde is dat partijen hebben afgesproken om het effect van een of meer uit de overeenkomst voortvloeiende verbintenissen op te schorten totdat een latere onzekere gebeurtenis zich voordoet. Niet voldoende voor het aannemen van een opschortende voorwaarde is dus dat partijen – in het algemeen – toezeggingen hebben gedaan over wanneer zij hun uit de verbintenissen voortvloeiende verplichtingen zullen nakomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het beroep van [gedaagde] op het bestaan van een opschortende voorwaarde, een bevrijdend verweer inhoudt, zodat de stelplicht en bewijslast daarvoor op haar rusten.

Een fatale termijn als bedoeld in art. 6:83, aanhef en onder a BW, moet tussen partijen zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid voortvloeien uit de aard van de overeenkomst in verband met de omstandigheden van het geval. Voor het overeenkomen van een dergelijke termijn is van belang of het voor de betreffende partij duidelijk was en hij er ook mee heeft ingestemd dat hij bij het overschrijden van die termijn, direct – zonder ingebrekestelling – in verzuim zou zijn. Aangezien [gedaagde] zich beroept op het bestaan van een fatale termijn voor het aanvangen van de werkzaamheden, rust ook daarvoor op haar de stelplicht en bewijslast.

In deze zaak draait het om de vraag wat partijen zijn overeengekomen en of dit voldoende is voor de kwalificatie als opschortende voorwaarde of fatale termijn. Volgens [gedaagde] heeft zij tijdens het telefonische contact met [eiser] B.V. duidelijk aangegeven dat de werkzaamheden in juni (2024) moesten beginnen. Dit is op zichzelf ook niet door [eiser] B.V. betwist. De vraag is wel of deze mededeling voldoende is voor het overeenkomen van een opschortende voorwaarde of fatale termijn. [eiser] B.V. heeft toegelicht dat zij wel met [gedaagde] heeft gesproken over een startdatum voor de werkzaamheden in juni (of juli), maar dat dit om een algemene planning ging. De gesprekken met [gedaagde] over de startdatum plaatst [eiser] B.V. in het licht van [gedaagde] – ook in deze procedure naar voren gebrachte – zorg dat de werkzaamheden op tijd af moesten zijn. Zij heeft [gedaagde] juist in dit verband toezeggingen gedaan, zoals dat er met meerdere medewerkers zou worden doorgewerkt en dat het project niet tussentijds zou komen stil te liggen tijdens de vakantieperiode (bouwvak). De genoemde schatting van de planning om in juni (of juli) te beginnen moet volgens [eiser] B.V. in deze context worden gezien. Volgens [eiser] B.V. was dit laatste niet meer dan een (geschatte) planning, en geen voorwaarde of fatale termijn waaronder de opdracht zou worden gegund. Volgens [eiser] B.V. kon zij daarmee ook niet akkoord gaan, omdat zij voor haar werkzaamheden afhankelijk is van externe factoren, waaronder het weer – het betreft buitenschilderwerk – en mogelijke tegenslagen bij andere klussen. Daar komt bij dat de opdracht bij [gedaagde] van grote omvang was, vele maanden werk met meerdere personen betreft, en veel planning van tevoren vraagt. [gedaagde] heeft deze toelichting van [eiser] B.V. niet weersproken; zij heeft juist onderstreept dat het voor haar belangrijk was dat de werkzaamheden niet te lang zouden duren en dat zij met [eiser] B.V. heeft gesproken over het waarborgen van de voortgang, omdat het niet de bedoeling was dat de steigers lang zouden blijven staan, de weersomstandigheden na de zomer zouden verslechteren, alsook dat de werkzaamheden voltooid moesten zijn voordat het evenement April in Paris, in september 2024, zou plaatsvinden. [gedaagde] benadrukt daarbij wel dat de begindatum voor haar essentieel was.

Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat het voor [gedaagde] belangrijk was dat de werkzaamheden in juni zouden aanvangen, leidt dit niet tot de door haar voorgestane conclusie. Wanneer de rechtbank de ter zitting gegeven toelichtingen in ogenschouw neemt, kan zij namelijk niet tot het oordeel komen dat aan de begindatum van de werkzaamheden – in relatie tot het belang van een vlotte voortgang en tijdige afronding daarvan – op zichzelf de voorwaarde was verbonden dat partijen alleen dan aan de aannemingsovereenkomst gevolg wilde geven als [eiser] B.V. in juni zou aanvangen met de werkzaamheden. [gedaagde] heeft wel aangegeven dat ze alleen akkoord wilde geven als [eiser] B.V. in juni (2024) kon beginnen, maar deze mededeling moet worden gezien in de context van het gehele overleg tussen partijen, waarin – samenvattend – is gesproken over het waarborgen van een tijdige afronding van de werkzaamheden, waarbij de aanvang van de werkzaamheden een belangrijk punt was, maar in welk verband partijen – na alles te hebben besproken – ook niet duidelijk hebben besproken dat het alleen door zou gaan als de werkzaamheden echt in juni zouden beginnen. Partijen hebben in juni vervolgens geen contact met elkaar gehad, zodat ook daaruit niet kan worden afgeleid dat het begin zo essentieel was, dat dit een op zichzelf staande voorwaarde was en niet moest worden gezien vanuit het overkoepelende belang van een tijdige afronding van de werkzaamheden. In ditzelfde licht kan de rechtbank ook niet tot de conclusie komen dat een fatale termijn was overeengekomen. Uit de gegeven verklaringen volgt namelijk evenmin dat op voor beide partijen kenbare wijze duidelijk is afgesproken dat [eiser] B.V. terstond – zonder ingebrekestelling – in verzuim zou zijn als hij niet in juni met de werkzaamheden was begonnen.

Het voorgaande wordt ook niet anders in het licht van de e-mail van 18 mei 2024 (zie r.o. 2.7). De e-mail vermeldt weliswaar een bedoeld begin van de werkzaamheden, maar maakt geen duidelijke melding van een voorwaarde en refereert ook niet naar een consequentie als in juni niet met de werkzaamheden wordt aangevangen. Een afspraak over een overeengekomen planning of begindatum is – zoals de rechtbank hiervoor heeft toegelicht – niet zonder meer een opschortende voorwaarde of fatale termijn. De rechtbank leest een dergelijk specifieke – aan algemene planning voorbijgaande – afspraak ook niet terug in de Whatsapp-correspondentie tussen partijen. Uit deze correspondentie volgt wel dat partijen hebben gesproken over een beginmoment en planning – dat wordt ook niet betwist – maar evenmin wordt in deze correspondentie voorshands een duidelijke voorwaarde of consequentie genoemd. Dat volgt pas na 1 juli 2024, waarna [eiser] B.V. in reactie op de door [gedaagde] ingenomen stelling dat alleen in juni met de werkzaamheden kon worden begonnen memoreert aan wat volgens haar ([eiser] B.V.) was afgesproken, de al door haar verrichtte voorbereidingen te benoemt, en persisteert alsnog met de werkzaamheden te willen beginnen.

De voorgaande beoordeling verandert evenmin in het licht van het evenement April in Paris dat in september 2024 heeft plaatsgevonden in de woning. [gedaagde] betoogt in dit verband – kort gezegd – dat [eiser] B.V. in juni wel met de werkzaamheden moest beginnen omdat de werkzaamheden anders niet tijdig zouden zijn voltooid voor het evenement April in Paris. Uit dit betoog volgt weliswaar het belang dat de werkzaamheden ‘’tijdig’’ zouden worden verricht – en dit op zichzelf wordt ook door [eiser] B.V. erkend –, maar daarin ligt niet zonder meer besloten dat de werkzaamheden sec in juni moesten aanvangen. Daarbij komt dat – hoewel verder in het algemeen niet ter discussie staat dat van belang was dat de werkzaamheden met voortvarendheid zouden worden afgerond – [eiser] B.V. ter zitting meermaals heeft verklaard dat hij niet eerder op de hoogte was van het evenement April en Paris in september 2024. [gedaagde] heeft daarop niet concreet gemaakt dat [eiser] B.V. wel van het evenement wist.

De rechtbank volgt verder ook niet het betoog van [gedaagde] dat eerdere ervaringen met [eiser] B.V. ertoe leiden dat zij de huidige aannemingsovereenkomst onder opschortende voorwaarde of fatale termijn is aangegaan. Niet gesteld of gebleken is dat bij het sluiten van de overeenkomst van aanneming van werk tussen [eiser] B.V. en [gedaagde] deze eerdere ervaringen zijn besproken. Dat [gedaagde] achteraf een beroep doet op deze ervaringen, maakt nog niet dat [eiser] B.V. zich bij het sluiten van de overeenkomst bewust was of had moeten zijn dat sprake zou zijn geweest van een opschortende voorwaarde of fatale termijn. [eiser] B.V. heeft de door [gedaagde] gestelde eerdere ervaringen bovendien gemotiveerd betwist. Deze ervaringen hebben er – zoals [eiser] B.V. naar voren heeft gebracht – ook niet toe geleid de gemaakte afspraken ditmaal duidelijk vast te leggen. Het bericht van 18 mei 2024 bevat wel een begindatum, maar – zoals hiervoor al overwogen – volgt daaruit op zichzelf nog geen consequenties als hieraan niet werd voldaan. Evenmin vermeldt dat bericht andere termijnen, zoals een einddatum voor de werkzaamheden. De rechtbank kan daarom niet tot de conclusie komen dat deze eerdere ervaringen onderdeel zijn geweest van hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst over en weer van elkaar moesten begrijpen. Zelfs als de rechtbank zou aannemen dat de eerdere samenwerking met [eiser] B.V. stroef is verlopen in de planning, komt zij dus nog steeds niet tot het oordeel dat de thans voorliggende overeenkomst is aangegaan onder een opschortende voorwaarde of fatale termijn.

Tussenconclusie: geen opschortende voorwaarde en geen fatale termijn

Het voorgaande leidt ertoe dat de aannemingsovereenkomst onvoorwaardelijk tot stand is gekomen en dat de afspraken over het begin van de werkzaamheden geen fatale termijn inhielden.

De rechtbank passeert het door [gedaagde] gedane bewijsaanbod om haar echtgenoot te horen over de inhoud van het telefoongesprek tussen [gedaagde] en [eiser] B.V. Niet ter discussie staat namelijk dat [gedaagde] tijdens het gesprek heeft gezegd dat de werkzaamheden in juni moesten beginnen. Daarom hoeft daarvan ook geen bewijs te worden geleverd. [gedaagde] heeft geen andere mededelingen gesteld die door middel van getuigenverhoor zouden moeten worden bewezen.

Geen grond voor ontbinding van de overeenkomst

Het voorgaande leidt er vervolgens toe dat [gedaagde] de aannemingsovereenkomst niet kon ontbinden in de e-mail van 1 juli 2024. De rechtbank licht dat nader toe.

Volgens artikel 6:265 BW mag een partij in beginsel een overeenkomst ontbinden indien de wederpartij tekort is geschoten in de nakoming in een van haar verbintenissen. Indien de nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, ontstaat de bevoegdheid tot ontbinding pas wanneer de schuldenaar in verzuim is. Voor ontbinding van een overeenkomst is dus verzuim vereist, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is.

Voordat de schuldenaar in verzuim verkeert, dient hij in beginsel eerst in gebreke te worden gesteld, waarbij een redelijke termijn voor nakoming wordt gegeven door middel van een schriftelijke aanmaning. Artikel 6:83 BW noemt daarnaast gevallen waarin het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling. Zo komt een partij ook zonder ingebrekestelling in verzuim wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt zonder dat de verbintenis is nagekomen. Van een dergelijke fatale termijn is in de voorliggende zaak echter geen sprake (zie r.o. 4.4 e.v.).

Omdat van een fatale termijn geen sprake is, was ontbinding door [gedaagde] alleen mogelijk als [eiser] B.V. in verzuim was toen de e-mail van 1 juli 2024 werd verzonden. Tussen partijen staat niet ter discussie dat aan [eiser] B.V. geen ingebrekestelling is verzonden als bedoeld in artikel 6:83 BW. Dit betekent dat [eiser] B.V. niet in verzuim was toen [gedaagde] de e-mail van 1 juli 2025 stuurde. De aannemingsovereenkomst kon daarom niet worden ontbonden in de e-mail van 1 juli 2024.

Voor zover [gedaagde] aan haar betoog ten grondslag heeft willen leggen dat verzuim niet was vereist omdat nakoming blijvend onmogelijk zou zijn vanwege het – door haar zo gestelde – dreigende gedrag van [eiser] B.V. volgt de rechtbank dit betoog niet. De door [gedaagde] aangewezen gedragingen vonden – zo zij al dreigend zijn geweest – pas plaats na het bericht van 1 juli 2024, zodat zij niet ten grondslag kunnen worden gelegd aan de op dat moment beoogde ontbinding. Of eenvoudiger gezegd: de achteraf geconstateerde gedragingen kunnen niet de reden zijn geweest dat [gedaagde] op 1 juli 2024 het bericht naar [eiser] B.V. stuurde dat zij niet meer hoefde te komen. Daarvoor had [gedaagde] andere redenen en die redenen zijn – gelet op het voorgaande – juridisch niet voldoende. De rechtbank passeert het bewijsaanbod op het punt van de gedragingen van [eiser] B.V. als niet ter zake dienend.

De aan [eiser] B.V. te betalen vergoeding

Vast staat dat [gedaagde] op 1 juli 2024 heeft medegedeeld dat de schilderwerkzaamheden niet meer uitgevoerd hoeven te worden. Aangezien de beroepen van [gedaagde] op een opschortende voorwaarde of fatale termijn niet slagen (en de overeenkomst dus tot stand is gekomen en niet rechtsgeldig is ontbonden) moet dit bericht worden gelezen als een opzegging van de aannemingsovereenkomst. [gedaagde] was op grond van artikel 7:764 lid 1 BW ook tot opzegging bevoegd.

[eiser] B.V. baseert haar primaire vordering op artikel 7:764 lid 2 BW. De rechtbank beoordeelt de vordering daarom aan de hand van dit artikel.

In artikel 7:764 lid 2 BW zijn de financiële gevolgen van de opzegging geregeld. Partijen hebben een vaste aanneemsom afgesproken. In dat geval is de opdrachtgever ([gedaagde]) verplicht de volledige aanneemsom aan de aannemer ([eiser] B.V.) te betalen, verminderd met de besparingen die voor de aannemer ([eiser] B.V.) uit de opzegging voortvloeien. Met de term "besparingen" wordt gedoeld op de bespaarde kosten van materialen en arbeid, en voorts op een eventuele vergoeding voor niet gelopen risico. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan en de omvang van deze besparingen rusten op de opdrachtgever ([gedaagde]). In dit verband rust op de aannemer ([eiser] B.V.) wel een belangrijke mededelingsplicht.

[eiser] B.V. heeft haar zogenoemde positieve contractsbelang gesteld op € 30.993,20 (inclusief 9 % BTW). Zij heeft als onderbouwing hiervoor een winstmarge door haar boekhouder laten berekenen op grond van de cijfers voor het boekjaar 2024 (zie r.o. 2.13). [eiser] B.V. heeft dit overzicht ter zitting toegelicht. Voor de berekening van de winstmarge is de totale omzet voor het jaar 2024 verminderd met – kort gezegd – de voor dat jaar gemaakte kosten en personeelslasten. Het daarna resterende bedrag is aangemerkt als winst. De winst betreft circa 40% van de omzet. De vordering van € 30.993,20 komt vervolgens overeen met 40% van de totale aanneemsom (inclusief BTW), aldus [eiser] B.V.

Volgens [gedaagde] heeft [eiser] B.V. daarmee niet aangetoond dat zij verlies heeft geleden. Zo is niet aangetoond dat daadwerkelijk materialen voor de werkzaamheden bij [gedaagde] zijn ingekocht, dat specifieke arbeidskrachten waren gereserveerd, of dat andere opdrachten door [eiser] B.V. waren afgewezen. De enkele stelling dat voorbereidingskosten zouden zijn gemaakt, zonder enige specificatie of onderbouwing, is volgens [gedaagde] onvoldoende om een schadevergoeding te rechtvaardigen. [gedaagde] betwist verder de juistheid en echtheid van de door [eiser] B.V. overgelegde berekening.

De rechtbank stelt voorop dat – anders dan [gedaagde] veronderstelt – artikel 7:764 lid 2 BW niet vereist dat [eiser] B.V. onderbouwt welke schade zij heeft geleden. Het uitgangspunt is immers, zoals ter zitting ook is besproken, de aanneemsom, waarop nog wel de besparingen in mindering moeten worden gebracht. Het is dus niet zo dat [eiser] B.V. alleen recht heeft op een vergoeding voor zover zij in de voorbereiding kosten heeft moeten maken of geen andere opdracht heeft kunnen uitvoeren.

Wel is het de vraag of [eiser] B.V. voldoende inzicht heeft gegeven in de besparingen die met de opzegging van de aannemingsovereenkomst gemoeid zijn. Het partijdebat in ogenschouw nemend, is de rechtbank van oordeel dat [eiser] B.V. aan haar mededelingsplicht (als bedoeld in r.o. 4.18) heeft voldaan. In essentie komt het betoog van [gedaagde] er namelijk op neer dat [eiser] B.V. kosten heeft bespaard doordat zij haar personeel elders heeft kunnen inzetten en dat zij geen materiaal- en andere inkoopkosten heeft gehad aan de werkzaamheden. Uit de berekening van [eiser] B.V. volgt vervolgens dat zij deze kostenposten reeds als besparing in mindering heeft gebracht op de aanneemsom. Zoals [eiser] B.V. ter zitting ook heeft toegelicht, heeft zij ter berekening van haar winstpercentage van 40% – waarop zij haar vordering baseert – alle kosten in mindering gebracht. Het overgelegde overzicht vermeldt daarbij ook specifiek personeelslasten (zie r.o. 2.13). Dit betekent dat [eiser] B.V. met de door [gedaagde] gestelde besparingen rekening heeft gehouden. [gedaagde] heeft tegenover deze berekening door [eiser] B.V. slechts in algemene zin ingebracht dat zij de kosten en besparingen niet herleidbaar vindt.

De rechtbank acht de door [eiser] gemaakte berekeningen in beginsel wel voldoende herleidbaar, aangezien zij is gebaseerd op een gemiddelde over het boekjaar 2024. Dit kan anders worden als [gedaagde] bij deze berekening concrete twijfels uit, waardoor [eiser] B.V. mogelijk nadere informatie zou moeten verstrekken, maar dit is niet gebeurd. [gedaagde] heeft weliswaar in algemene zin de juistheid en echtheid van de berekeningen door [eiser] betwist, maar heeft dit naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende geconcretiseerd, nu zij onvoldoende inzichtelijk maakt waarom de berekening (het gemiddelde percentage) onjuist zou zijn of waarom bij de specifiek voor [gedaagde] te verrichten werkzaamheden het winstpercentage anders zou zijn. Daarbij komt het winstpercentage de rechtbank niet onredelijk voor en de rechtbank ziet geen aanleiding om aan de echtheid van de berekening te twijfelen. Van [eiser] B.V. hoeft daarom ook niet verlangd te worden dat hij in het kader van zijn mededelingsplicht meer informatie verstrekt.

[gedaagde] betoog dat de berekening speculatief en ongeloofwaardig zou zijn doordat op grond van de berekeningen meer dan de helft (namelijk 60%) van de omzet van [eiser] B.V. zou opgaan aan kosten, brengt in de beoordeling van de rechtbank geen verandering. In de berekening van [eiser] B.V. zijn alle kosten als besparingen aangemerkt. Het betoog van [gedaagde] – als dus zou worden aangenomen dat er minder kosten zijn – zou er daarom juist toe leiden dat minder besparingen en aldus een hogere vergoeding voor [eiser] B.V. in aanmerking moet worden genomen. Daarom kan [gedaagde] betoog haar niet baten.

Het voorgaande in aanmerking nemend, kan de rechtbank niet tot de conclusie komen dat met meer besparingen rekening moet worden gehouden dan nu in de berekening van [eiser] B.V. is gedaan. De vergoeding op grond van artikel 7:764 lid 2 BW bedraagt dus € 30.993,20.

Slotsom: primaire vordering wordt toegewezen

De slotsom van het voorgaande is dat de primaire vordering van [eiser] B.V., ter grootte van € 30.993,20 wordt toegewezen.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dagvaarding (22 november 2024), over de vergoeding toewijzen.

Proceskosten

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] B.V. begroot de rechtbank op:

- kosten van de dagvaarding

137,38

- griffierecht

2.889,00

- salaris advocaat

1.572,00

(2 punten × € 786,00)

- nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

4.776,38

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] B.V. te betalen een bedrag van € 30.993,20, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 22 november 2024, tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.776,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.C. van Beelen en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

Bij afwezigheid van mr. D.C. van Beelen is dit vonnis ondertekend door mr. P.M. Wamsteker

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?