RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11502810 \ CV EXPL 25-242
Vonnis van 10 september 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: ARAG SE Rechtsbijstand,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F. Hilbrands.
De zaak in het kort
[eiser] heeft een bedrijfsruimte gehuurd van [gedaagde] en de huurovereenkomst opgezegd per 1 juli 2023. Na de eindoplevering op 30 juni 2023 vordert [eiser] terugbetaling van het restant van de waarborgsom van [gedaagde] . Volgens [gedaagde] heeft [eiser] schade aan het pand toegebracht die moet worden vergoed. [gedaagde] beroept zich op verrekening en stelt een tegenvordering in ter zake van schadevergoeding. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] recht heeft op terugbetaling van het restant van de waarborgsom en dat [gedaagde] recht heeft op schadevergoeding ten bedrage van € 1.250,-. Het beroep op verrekening van [gedaagde] slaagt in zoverre en de tegenvordering wordt afgewezen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 januari 2025
- de conclusie van antwoord en eis in reconventie van 19 maart 2025
- het tussenvonnis van 2 april 2025
- de mondelinge behandeling van 3 juni 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij spreekaantekeningen dor de gemachtigde van [eiser] zijn overgelegd.
- de akte van [gedaagde] van 16 juli 2025 zonder productie 16.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten in conventie en in reconventie
[eiser] heeft van 4 december 2019 tot 1 juli 2023 van [gedaagde] gehuurd de bedrijfsruimte ( [unit] ) aan [adres] in [plaats] . Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW van de ROZ, versie 2015 (hierna: de algemene huurvoorwaarden) van toepassing verklaard.
In artikel 1.1 van de huurovereenkomst is het volgende opgenomen:
“(…) De staat van het gehuurde op de opleveringsdatum zal worden vastgelegd middels enkele foto’s en zal deel uitmaken van de huurovereenkomst.”.
In artikel 22 van de algemene huurvoorwaarden is - voor zover van belang - het volgende opgenomen:
“22.2 Mocht er bij aanvang van de huur geen proces-verbaal van oplevering zijn opgemaakt, dan wordt het gehuurde geacht, behoudens tegenbewijs door Huurder bij aanvang van de huurovereenkomst te zijn opgeleverd in goed onderhouden staat, zonder gebreken en vrij van schade en dient Huurder het gehuurde, behoudens normale slijtage en veroudering, in die staat aan het einde van de huurovereenkomst aan Verhuurder op te leveren. Het gestelde in de laatste zin van artikel 7: 224 lid 2 Burgerlijk Wetboek is niet van toepassing.
(…)
Tijdig voor het einde van de huurovereenkomst of het gebruik, dient het gehuurde door partijen gezamenlijk te worden geïnspecteerd. Van deze inspectie wordt door partijen een rapport opgemaakt, waarin de bevindingen ten aanzien van de staat van het gehuurde worden vastgelegd. Tevens wordt in dit rapport vastgelegd welke werkzaamheden ter zake van de bij de inspectie noodzakelijk gebleken reparaties en ten laste van Huurder komend achterstallig onderhoud, nog voor rekening van Huurder dienen te worden uitgevoerd alsmede de wijze waarop en de termijn waarbinnen dit zal dienen te geschieden.
(…)
Huurder is gehouden de door hem op basis van het inspectierapport uit te voeren werkzaamheden binnen de in het rapport vastgelegde - of nader tussen partijen overeengekomen - termijn op een deugdelijke wijze uit te voeren c.q. te doen uitvoeren. Indien Huurder geheel of gedeeltelijk nalatig blijft in de nakoming van zijn uit het rapport voortvloeiende verplichtingen, is Verhuurder gerechtigd zelf deze werkzaamheden te
laten uitvoeren en de daaraan verbonden kosten op Huurder te verhalen onverminderd de aanspraak van Verhuurder op vergoeding van de verdere schade en kosten.”
In artikel 24.4 van de algemene huurvoorwaarden is het volgende opgenomen:
“Indien de waarborgsom niet rechtsgeldig aangesproken is door Verhuurder dient Verhuurder na beëindiging van de huurovereenkomst de waarborgsom dan wel restant van de waarborgsom terug te storten op een door Huurder op te geven bankrekening uiterlijk zes maanden na einde huurovereenkomst. (…)”.
[eiser] heeft bij aanvang van de huurovereenkomst een waarborgsom van € 9.655,80 aan [gedaagde] betaald.
Op 30 juni 2023 heeft de eindoplevering van het gehuurde aan [gedaagde] plaatsgevonden.
[gedaagde] heeft [eiser] niets aan waarborgsom terugbetaald.
3. Het geschil
in conventie en in reconventie
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot (terug)betaling van € 5.316,74, het restant van de waarborgsom, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] weigert ten onrechte het restant van de borgsom terug te betalen en zij moet de verbintenis tot terugbetaling van die waarborgsom alsnog nakomen.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering van [eiser] en voert het volgende aan.
[eiser] heeft schade toegebracht aan het pand, maar hij heeft de schade niet hersteld, ondanks herhaalde verzoeken daartoe, waardoor hij in verzuim is geraakt. Volgens artikel 22.9 van de huurovereenkomst moet [eiser] de herstelkosten aan [gedaagde] vergoeden. Zij vordert daarom voorwaardelijk in reconventie € 7.738,98, bestaande uit de herstelkosten voor de wandpanelen door aannemer Stabo alsmede de herstelkosten van de toegangsdeur van [eiser] , als de vordering van [eiser] wordt toegewezen. Als de vordering van
[eiser] wordt afgewezen dan vordert [gedaagde] na verrekening met de waarborgsom nog een resterend bedrag van € 2.422,24.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Gelet op de samenhang zullen de vordering en de tegenvordering gezamenlijk worden behandeld. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] recht heeft op teruggave van het restant van de waarborgsom en dat [gedaagde] recht heeft op schadevergoeding ten bedrage van
€ 1.250,-. Het beroep op verrekening van [gedaagde] slaagt in zoverre en de tegenvordering wordt afgewezen. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd.
[eiser] vordert terugbetaling van een restant van een waarborgsom. [gedaagde] brengt hiertegen in dat op dit restant bij wijze van verrekening in mindering moet worden gebracht een schadebedrag dat het restantbedrag overstijgt. Voor het meerdere stelt [gedaagde] een tegenvordering in, zo begrijpt de kantonrechter de tegenvordering.
Tussen partijen staat vast dat de verschuldigdheid van het restant aan waarborgsom na verrekening van te veel betaalde voorschotten voor de levering van gas en elektriciteit € 5.316,74 bedraagt. Dit houdt in dat de vordering van [eiser] toewijsbaar is, behoudens voor zover [gedaagde] zich op goede gronden beroept op een verrekeningsbevoegdheid.
[gedaagde] komt schadevergoeding toe en dus een verrekeningsbevoegdheid voor zover zij schade heeft geleden als gevolg van beschadiging van het gehuurde door [eiser] .
De kantonrechter overweegt als volgt. Partijen hebben bij aanvang van de huurovereenkomst geen proces-verbaal van oplevering opgemaakt, zodat gelet op artikel 22.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden het gehuurde in beginsel wordt geacht bij aanvang van de huurovereenkomst te zijn opgeleverd zonder gebreken en vrij van schade.
In dit geval is wel sprake van schade, zoals hierna wordt uitgelegd.
[eiser] heeft tijdens de zitting een aantal foto’s overgelegd. Volgens hem zien deze op het gehuurde en zijn deze rond de aanvang van de huur gemaakt. Volgens [eiser] is hierop een aantal deukjes in de wandpanelen te zien, die zo deze al niet onder normale slijtage en veroudering vallen, in ieder geval reeds bij aanvang al aanwezig waren en aldus niet zijn veroorzaakt door [eiser] . [gedaagde] betwist gemotiveerd dat de foto’s waarop deukjes zijn te zien zijn gemaakt bij aanvang van de huur. Daarnaast betwist [gedaagde] dat de deukjes in de wandpanelen onder normale slijtage en veroudering vallen.
De kantonrechter is van oordeel dat dit soort deukjes niet valt onder het begrip normale slijtage en veroudering als bedoeld in artikel 22.2, maar als een gebrek zijn te kwalificeren. De enkele stelling van [eiser] dat een makelaar tijdens de inspectie heeft opgemerkt dat dit valt onder gebruikerssporen is van onvoldoende betekenis om hier anders over te oordelen.
Van de door [eiser] overgelegde foto’s zijn er twee gedateerd, namelijk op 5 en 7 december 2019. Op deze foto’s zijn echter geen deukjes in de wandpanelen te zien. Op de ingezoomde foto’s is wel een aantal deukjes te zien, maar deze foto’s zijn ongedateerd. Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat bij aanvang van de huur al sprake was van schade aan de wandpanelen. Aan de betwiste stelling van [eiser] dat dergelijke deukjes niet met de vorkheftrucks die zij gebruiken, kunnen zijn veroorzaakt, bij gebrek aan onderbouwing voorbij. Gelet op het voorgaande wordt er vanuit gegaan dat
[eiser] deze schade heeft veroorzaakt.
Op grond van de hiervoor onder 2.3. genoemde algemene bepaling 22.7 bij de huurovereenkomst dienen partijen tijdig voor het einde van de huurovereenkomst of het gebruik het gehuurde gezamenlijk te inspecteren. Vast staat dat partijen één dag vóór het einde van de huurovereenkomst het gehuurde samen hebben bezichtigd. [eiser] en [gedaagde] zijn op 30 juni 2023 door het pand gelopen en [gedaagde] heeft op enig moment over schade aan de wandpanelen gesproken, waarbij hij meedeelde dat dit hersteld moest worden.
De kantonrechter overweegt dat de functie van het vooraf inspecteren en het nog bieden van gelegenheid aan de vertrekkende huurder om eventuele gebreken zelf te herstellen er is om duidelijkheid te scheppen voor de vertrekkende huurder over wat er nog door de verhuurder verlangd wordt en om een periode af te bakenen waarbinnen de vertrekkende huurder nog in de gelegenheid is tekortkomingen op te heffen. Het gaat daarbij om de kosten die de huurder zelf moet maken om het gehuurde in goede staat op te leveren.
In dit geval was er gelet op het korte tijdsbestek tussen de inspectie en het einde van de huurovereenkomst geen gelegenheid voor [eiser] om eventuele gebreken zelf te (laten) herstellen. Afgezien van dit tijdsbestek ontbreekt een inspectierapport zoals vermeld in artikel 22.7, zodat de mogelijkheid voor [eiser] om op basis daarvan zelf gebreken te herstellen overeenkomstig het bepaalde in artikel 22.9 ontbrak.
Onder deze omstandigheden was het aan [gedaagde] als professionele verhuurder om op korte termijn actie te ondernemen en [eiser] de gelegenheid te bieden om de gebreken te verhelpen, ook omdat de kwestie met de waarborgsom overeenkomstig artikel 24.4 van de algemene bepalingen, uiterlijk zes maanden na einde van de huurovereenkomst, oftewel 31 december 2023, moest worden afgewikkeld. Uit de correspondentie tussen partijen blijkt echter dat dit niet is wat [gedaagde] heeft gedaan. Van de zijde van [eiser] is een aantal e-mailberichten gestuurd aan [gedaagde] , waarin steeds wordt gevraagd om afhandeling van de zaak. Ter illustratie volgen hierna een aantal van deze berichten. Op 27 juli 2023 is namens [eiser] een e-mail gestuurd waarin onder meer staat “Hoi [naam] Ik dacht ik mail je nog even betreffende de verrekening met de borg.”. Hierop reageert [gedaagde] op 28 juli 2023 met onder meer het volgende “.. en ik heb een reparatiebedrijf gevraagd voor de deuken in de beplating aan de binnenzijde. Hopelijk reageert deze een beetje vlot zodat we alles kunnen afronden.”. Op 1 september 2023 volgt een e-mail van de zijde van [eiser] “.. Het is nu 2 maanden geleden dat we de sleutels hebben ingeleverd en we het afschouwen van het pand … hebben gedaan. Wij zouden heel graag de borg en het voorschot van G&E ontvangen.”. Diezelfde dag stuurt [gedaagde] als reactie “Bedrijf welke naar de tussenwanden zou kijken even een reminder gestuurd, allemaal druk druk.”. Op 25 november 2023 volgt van de zijde van [eiser] weer e-mail aan [gedaagde] waarin onder meer staat “kunnen we afspreken dat we dit afronden voor eind december 2023. Dit loopt al vanaf juni 2023…”. Op 29 november 2023 reageert [gedaagde] bij e-mail waarin onder meer staat “Helaas duurde de afwikkeling een behoorlijke tijd ivm het aanvragen van offertes voor herstel van de binnenwanden. Bijgaand 4 opgave van verschillende partijen voor het herstel van de binnenwand, heb de goedkoopste op mijn factuur gezet. … Blijft helaas over te betalen een bedrag van € 2.422,24 inc. BTW.”. Op diezelfde dag heeft [gedaagde] aan [eiser] een factuur met de eindrekening gezonden.
Uit deze correspondentie volgt dat [gedaagde] offertes heeft aangevraagd voor herstel van de wandpanelen. Niet gebleken is dat [gedaagde] [eiser] in deze periode van juni 2023 tot eind december 2023 de gelegenheid heeft geboden om zelf te schade te herstellen.
Ter zitting is van de zijde van [eiser] meegedeeld dat na ontvangst van deze offertes [eiser] direct heeft aangeboden zelf tot herstel te willen overgaan. Vervolgens, zo blijkt uit onder meer uit de conclusie van antwoord van [gedaagde] en de overgelegde correspondentie tussen partijen, zijn partijen in gesprek gegaan over herstel door [eiser] . Daarbij heeft [eiser] voorstellen gedaan die van de hand zijn gewezen door [gedaagde] . Ter zitting is namens [eiser] naar voren gebracht dat hij in september 2024 alles had geregeld voor het herstel van de wandpanelen: er was een schilder en de huidige huurder van het pand was ook bereid zijn medewerking te verlenen, alleen [gedaagde] heeft geen toestemming gegeven.
Ter zitting is door de gemachtigde van [gedaagde] naar voren gebracht dat [gedaagde] heeft aangegeven dat herstel en de wijze waarop dit plaatsvindt in overleg met hem moet gebeuren, maar dat hij [eiser] uiteindelijk wel heeft gemeld dat [eiser] de herstelwerkzaamheden op de door [eiser] voorgestelde wijze kon uitvoeren. De kantonrechter constateert dat na het uitbrengen van de dagvaarding bij e-mailbericht van 7 januari 2025 (prod.13 conclusie van antwoord) een bericht met die melding is uitgegaan naar de gemachtigde van [eiser] en dat hierop bij e-mail van 22 januari 2025 (prod. 14 bij conclusie van antwoord) is gereageerd dat [eiser] de procedure wil voortzetten.
Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] in strijd met de algemene bepalingen gehandeld door ten eerste [eiser] niet in de gelegenheid te stellen herstel te verrichten, maar zelf offertes op te vragen. Ten tweede doordat [gedaagde] [eiser] , nadat partijen op verzoek van [eiser] wel over herstel door [eiser] in gesprek zijn gegaan, herstel na meer dan een jaar na einde van de huurovereenkomst alsnog niet heeft toegestaan. Dat niet met het voorgestelde herstel zou kunnen volstaan, is onvoldoende onderbouwd.
Ook nadien heeft [gedaagde] [eiser] niet in de gelegenheid gesteld het herstel naar eigen inzicht uit te voeren.
Onder deze omstandigheden heeft [gedaagde] verhinderd dat [eiser] de gebreken kon herstellen. Hierdoor ontstaat de situatie van schuldeisersverzuim waardoor aan [eiser] niet kan worden toegerekend dat hij zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst niet geheel kan nakomen. Gedurende de tijd dat sprake is van schuldeisersverzuim aan de zijde van [gedaagde] is [eiser] niet in verzuim. Pas na het uitbrengen van de dagvaarding heeft [gedaagde] [eiser] alsnog bedoelde herstelgelegenheid geboden. Dat is ruim anderhalf jaar na het einde van de
huurovereenkomst. Hoewel alsdan het schuldeisersverzuim is geëindigd, kan in de geschetste omstandigheden redelijkerwijs niet meer van [eiser] worden gevergd dat zij thans nog tot herstel overgaat en kennelijk wenst [gedaagde] dit gelet op het feit dat hij in deze procedure schadevergoeding vordert ook niet langer. De kantonrechter zal de schade begroten. Het door [gedaagde] gevorderde schadebedrag van € 7.291,28 is gemotiveerd weersproken. Zo heeft [eiser] uitvoerig betwist dat vervanging van wandpanelen noodzakelijk is en gewezen op de oudheid van de panelen. Volgens [eiser] kan worden volstaan met herstelwerk door een schilder. Tijdens de zitting is desgevraagd van de zijde van [eiser] meegedeeld dat de door hem voor september 2024 voorgestelde herstelwerkzaamheden ongeveer € 1.250,- zouden bedragen. Dit is tijdens de zitting niet gemotiveerd weersproken van de zijde van [gedaagde] . De kantonrechter ziet gelet op al het voorgaande, en in het bijzonder op hetgeen onder 4.8. is overwogen, aanleiding om de schade op dit bedrag, te weten € 1.250,-, te begroten.
[gedaagde] heeft ook schadevergoeding van € 447,70 gevorderd ter zake van schade aan de toegangsdeur van het gehuurde. [eiser] heeft zowel bij dagvaarding als ter zitting toegelicht dat [gedaagde] dit punt pas in een later stadium naar voren heeft gebracht, terwijl [gedaagde] hierover niets heeft gezegd tijdens de eindoplevering. Dit is onvoldoende weersproken door [gedaagde] . De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] de gestelde schade aan de toegangsdeur niet aan de orde heeft gesteld op 30 juni 2023. Dat was wel het moment om dat te doen. De gevolgen van het onbenut laten van deze gelegenheid, blijven voor rekening van [gedaagde] . Dit deel van de vordering van [gedaagde] zal daarom worden afgewezen.
Conclusie
In conventie
Vast is komen te staan dat [gedaagde] recht heeft op schadevergoeding ten bedrage van € 1.250,-. Het beroep van [gedaagde] op verrekening met het restant van de waarborgsom slaagt in zoverre. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor onder 4.3. en 4.4. is overwogen.
Dit leidt ertoe dat de vordering tot betaling van het restant van de waarborgsom, te weten een bedrag van € 5.316,74 minus € 1.250,- = € 4.066,74, zal worden toegewezen.
[gedaagde] is in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
149,02
- griffierecht
€
257,00
- salaris gemachtigde
€
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.083,02
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
In reconventie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de vordering in reconventie worden afgewezen.
[gedaagde] is in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op € 339,00 (zijnde 2 punten × factor 0,5 × tarief € 339,00). Er wordt een factor 0,5 toegepast, omdat de vordering in reconventie voortvloeit uit de vordering in conventie.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 4.066,74, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 1 januari 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.083,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 339,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2025