RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer: 11408574 \ CV EXPL 24-3108 TB
Vonnis van 25 september 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: N. Sekercan,
tegen
[gedaagde] voorheen handelend onder de naam [naam],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 7 november 2024
- de conclusie van antwoord van 3 februari 2025
- het tussenvonnis van 3 april 2025
- de mondelinge behandeling van 27 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] heeft in 2018 aan [gedaagde] diverse soorten drank verkocht en geleverd.
[eiser] heeft op 3 mei 2018 aan [gedaagde] een factuur gestuurd van € 9.436,84 en op 4 oktober 2018 een factuur van € 3.156,00.
Bij brieven van 26 oktober 2020, 19 februari 2021, 8 april 2022, 28 september 2022, 25 oktober 2022 en 1 oktober 2024 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om over te gaan tot betaling van het openstaande bedrag, vermeerderd met rente en kosten.
Partijen zijn gedurende voornoemde periode meerdere malen een betalingsregeling overeengekomen, waarbij [gedaagde] diverse deelbetalingen heeft gedaan van in totaal € 6.220,00.
3. Het geschil
[eiser] vordert - samengevat en na vermindering van eis - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 14.084,85, vermeerderd met rente en kosten.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de overeenkomst omdat betaling van de facturen is uitgebleven. [eiser] heeft recht op betaling van de factuurbedragen, vermeerderd met rente en kosten.
[gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de facturen niet weersproken. Hij heeft een beroep gedaan op zijn financiële omstandigheden. [gedaagde] voert verweer tegen de hoogte van de gevorderde wettelijke handelsrente.
4. De beoordeling
De kantonrechter overweegt dat [gedaagde] de overgelegde facturen en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichting niet betwist, zodat deze vast staan.
[eiser] vordert bij dagvaarding totaal € 9.311,08 aan wettelijke handelsrente tot en met 31 oktober 2024 van [gedaagde] . [gedaagde] heeft hier verweer tegen gevoerd. Gelet op wat op de zitting is besproken heeft [eiser] haar vordering op de zitting verminderd met € 2.500,00, zodat [gedaagde] aan wettelijke handelsrente nog € 6.811,08 aan [eiser] moet betalen. [gedaagde] heeft zijn verweer tegen de wettelijke handelsrente verder niet gehandhaafd.
[eiser] maakt verder nog aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag van € 900,93 is in overeenstemming met de in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten gehanteerde tarieven en zal om die reden worden toegewezen.
De vordering van [eiser] bedraagt in totaal € 20.304,85 (€ 9.436,84 + 3.156,00 + € 6.811,08 + € 900,93) minus de door [gedaagde] verrichtte deelbetalingen van in totaal € 6.220,00, zodat resteert € 14.084,85. De kantonrechter zal dit bedrag toewijzen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
113,54
- griffierecht
€
1.409,00
- salaris gemachtigde
€
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
€
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.469,54
5. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.084,85, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 12.594,85, met ingang van 1 november 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.469,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. B. de Metz en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2025.