RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11694490 \ CV EXPL 25-1741 TB
Vonnis van 17 september 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
Een consument heeft met een rijschool een les-overeenkomst gesloten voor een pakket van onder andere twintig rijlessen. De consument annuleert na de vierde rijles de les-overeenkomst en vordert een bedrag voor het nog niet uitgevoerde deel van de les-overeenkomst. De rijschool beroept zich op een beding in de algemene voorwaarden dat bij annulering van de overeenkomst geen recht op restitutie bestaat. Dit beroep slaagt niet.
De rijschool moet het gevorderde bedrag als onverschuldigd betaald aan de consument terugbetalen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 mei 2025
- de conclusie van antwoord en tevens eis in reconventie van 14 mei 2025
- het tussenvonnis van 28 mei 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 21 augustus 2025.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] heeft bij [gedaagde] voor het volgen van rijlessen een plus-20 lespakket afgenomen. Het pakket bestaat uit 20 rijlessen van 60 minuten, een praktijkexamen, een theorie-examen en online theorie-studiemateriaal, voor een bedrag van € 1.499,00.
Op 22 januari 2025 heeft [gedaagde] aan [eiser] een factuur gestuurd ter hoogte van € 1.499,00. [eiser] heeft de factuur op 23 januari 2025 voldaan.
[eiser] heeft op 14 maart 2025 de overeenkomst opgezegd en verzocht om terugbetaling van het deel van het lespakket dat zij niet heeft afgenomen.
[gedaagde] is niet tot terugbetaling overgegaan.
3. Het geschil
in conventie en in reconventie
[eiser] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomst per 14 maart 2025 is beëindigd dan wel ontbonden voor het nog niet uitgevoerde deel en terugbetaling van € 1.139,00. Daarnaast vordert [eiser] dat de kantonrechter vernietigt dan wel buiten toepassing laat, het beding “geen restitutie bij beëindiging door de leerling” in de algemene voorwaarden van [naam] en dat de kantonrechter [gedaagde] in de proceskosten veroordeelt.
[eiser] legt aan de vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat zij de overeenkomst tussen partijen heeft opgezegd, zodat zij het bedrag van € 1.139,00 onverschuldigd heeft betaald aan [gedaagde] . Dit bedrag moet [gedaagde] terugbetalen.
De algemene voorwaarden waar [gedaagde] zich op beroept, zijn volgens [eiser] niet overeengekomen omdat deze pas zijn overhandigd na totstandkoming van de overeenkomst en na betaling. Het ‘geen restitutie’-beding is daarom vernietigbaar op grond van artikel 6:233 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) en daarnaast is het beding inhoudelijk onredelijk bezwarend en in strijd met dwingendrechtelijk consumentenrecht op grond van artikel 6:233 sub a BW.
[gedaagde] voert verweer. Het standpunt van [gedaagde] is dat hij het door [eiser] betaalde bedrag voor het lespakket niet hoeft terug te betalen. Tussen partijen is een les-overeenkomst met daarbij behorende de algemene voorwaarden gesloten tussen een rijinstructeur en een leerling, geen overeenkomst van opdracht. Op grond van artikel 5.2 van de algemene voorwaarden geldt dat bij opzegging van de overeenkomst geen recht bestaat op restitutie. Omdat [eiser] heeft gedreigd met negatieve reviews vordert [gedaagde] bij wijze van tegenvordering [eiser] bij voorbaat te sommeren zich te onthouden van onredelijke negatieve publiciteit op welke wijze en via welk medium dan ook over [gedaagde] of diens onderneming, op straffe van een dwangsom en/of een voorwaardelijke boete.
[eiser] heeft de tegenvordering weersproken.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] een bedrag van € 1.139,00 moet terugbetalen aan [eiser] voor het niet afgenomen deel van het lespakket. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarop zij dit oordeel baseert.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] zich heeft verbonden om een pakket van twintig rijlessen, een theorie-examen, een theoriemodule en een praktijkexamen te verzorgen voor [eiser] . [eiser] heeft zich verplicht om als tegenprestatie daartoe een bedrag van € 1.499,00 aan [gedaagde] te betalen. Ook staat vast dat [eiser] dit bedrag heeft betaald aan [gedaagde] . Ten slotte is tussen partijen niet in geschil dat [eiser] de overeenkomst op 14 maart 2025 heeft opgezegd, waarmee de overeenkomst per die datum is beëindigd. Nu dit laatste niet in geschil is, ziet de kantonrechter zonder nadere toelichting die ontbreekt, geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht, zodat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.
Zijn de algemene voorwaarden van toepassing?
[eiser] is van mening dat de algemene voorwaarden niet van toepassing zijn, althans vernietigbaar zijn. Dit omdat [gedaagde] volgens haar de algemene voorwaarden te laat heeft verstrekt, pas na het sluiten van de overeenkomst. [gedaagde] voert daartegen aan dat op de overeenkomst de algemene voorwaarden van toepassing zijn en dat zij door het ondertekenen van de overeenkomst heeft kennisgenomen van de algemene voorwaarden en deze heeft aanvaard, zoals voortvloeit uit artikel 6.5 van de algemene voorwaarden.
Of de algemene voorwaarden zijn overeengekomen, moet worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen over aanbod en aanvaarding die gelden voor het aangaan van overeenkomsten en de totstandkoming van rechtshandelingen in het algemeen. [eiser] moet als wederpartij van gebruiker [gedaagde] de gelding van de algemene voorwaarden hebben aanvaard. Daarvoor geldt de voorwaarde dat deze vóór of bij de het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand zijn gesteld.
Ter zitting heeft [gedaagde] de gang van zaken rond het sluiten van een overeenkomst toegelicht. Gebruikelijk is dat telefonisch of per e-mail informatie wordt ingewonnen, dan per e-mail een factuur aan de leerling wordt gestuurd, de leerling vóór de eerste rijles de factuur moet hebben betaald en dat vervolgens bij aanvang van de eerste rijles de leerling een envelop ontvangt met daarin informatie, in tweevoud de overeenkomst en algemene voorwaarden.
Uit deze werkwijze volgt dat aanbod en aanvaarding van de overeenkomst plaatsvinden op een eerder moment dan dat de leerling de algemene voorwaarden ter hand gesteld krijgt. Pas bij aanvang van de eerste rijles, als de overeenkomst dus al is gesloten, ontvangt de leerling een envelop met informatie, in tweevoud de overeenkomst en de algemene voorwaarden. Gelet op het geschetste juridische kader is dat in principe te laat om de algemene voorwaarden van toepassing te laten zijn. [gedaagde] heeft er tijdens de zitting op gewezen dat telefonisch wordt verwezen naar de website waarop de algemene voorwaarden zijn opgenomen als informatie over rijlessen wordt opgevraagd, maar dat is niet genoeg.
Echter, tijdens de zitting heeft [eiser] verklaard dat zij bij de derde les de overeenkomst alsnog ondertekend heeft teruggegeven aan [gedaagde] . Op de bladzijde waar de handtekening van [eiser] staat, is vermeld “Op deze overeenkomst zijn onze algemene voorwaarden van toepassing welke u bij de overeenkomst ontvangt.”. De kantonrechter gaat er op basis hiervan vanuit dat [eiser] met de ondertekening alsnog heeft ingestemd met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden.
Is het annuleringsbeding eerlijk?
[gedaagde] voert aan dat op grond van artikel 5.2. van de algemene voorwaarden er voor het beëindigen van de les-overeenkomst door de leerling geen recht op restitutie bestaat. [eiser] stelt echter terecht dat dit annuleringsbeding als oneerlijk beding kwalificeert en in strijd is met het dwingendrechtelijk consumentenrecht. De kantonrechter legt hierna uit waarom.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is hoe de overeenkomst moet worden geduid. In dit geval is sprake van een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 BW. Zoals hiervoor onder 4.2. is overwogen, ziet de overeenkomst op verschillende diensten en door [gedaagde] te verrichten werkzaamheden. De tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst voldoet daarmee aan de wettelijke omschrijving van de overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 7:400 BW, waarbij [gedaagde] de opdrachtnemer is en [eiser] de opdrachtgever. Hieruit volgt dat de artikelen 7:400 e.v. BW en de Richtlijn 93/13 EEG inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn) van toepassing zijn.
In de artikelen 7:400 e.v. BW is opgenomen dat de opdrachtgever de overeenkomst op elk moment mag opzeggen zonder dat hij aan de opdrachtnemer een schadevergoeding verschuldigd is. Van deze artikelen kan niet worden afgeweken ten nadele van een natuurlijk persoon. Het gaat dus om zogeheten ‘dwingend recht’. De opdrachtgever is bij opzegging slechts gehouden tot vergoeding van de onkosten verbonden aan de uitvoering van de opdracht, voor zover deze niet in het loon zijn inbegrepen. Als de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht, dan heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon.
De kantonrechter is van oordeel dat het annuleringsbeding van artikel 5.2 van de algemene voorwaarden van [gedaagde] in strijd is met de hiervoor beschreven wettelijke regels voor de overeenkomst van opdracht. Het annuleringsbeding van artikel 5.2 van de algemene voorwaarden houdt namelijk in dat bij opzegging de gehele overeengekomen prijs verschuldigd blijft. Het maakt volgens dat beding niet uit of er daadwerkelijk (on)kosten door [gedaagde] gemaakt zijn en [gedaagde] hoeft ook geen enkele tegenprestatie te leveren. Het annuleringsbeding is daardoor in strijd met de artikelen 7:406 BW en 7:408 BW, omdat uit die artikelen volgt dat [eiser] altijd mag opzeggen en dan geen schadevergoeding verschuldigd is, behalve onkosten. Daarnaast is het beding in strijd met artikel 7:411 BW, omdat [eiser] op grond van dat artikel alleen een redelijk loon moet betalen als de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht. Al deze artikelen zijn dwingend recht, waarvan [gedaagde] in de verhouding met [eiser] niet mag afwijken, ook niet in algemene voorwaarden.
Het voorgaande betekent dat het annuleringsbeding van artikel 5.2 van de algemene voorwaarden van [gedaagde] in strijd is met de wet en daarmee ook als een oneerlijk en onredelijk bezwarend beding moet worden aangemerkt. De kantonrechter vernietigt dit beding daarom. Dat heeft tot gevolg dat [gedaagde] daarop geen beroep meer kan doen als verweer tegen de vordering. Gelet hierop komt de kantonrechter niet meer toe aan de beoordeling of het annuleringsbeding oneerlijk en onredelijk bezwarend is op grond van artikel 6:237, onder i, BW omdat hiervoor immers al is geoordeeld dat het annuleringsbeding oneerlijk is vanwege strijd met de artikelen 7:406 BW, 7:408 BW en 7:411 BW.
[eiser] moet de onkosten vergoeden en een redelijk loon betalen
Gelet op wat de kantonrechter hiervoor heeft geoordeeld, leidt dit ertoe dat [eiser] aanspraak heeft op terugbetaling van het als onverschuldigd betaalde bedrag. Dit bedrag is € 1.499,00 minus het bedrag dat [eiser] aan [gedaagde] moet vergoeden aan redelijk loon en onkosten.
De kantonrechter zal dat redelijk loon stellen – gelijk aan de berekening van [eiser] – op de tarieven die gelden indien geen lespakket, maar losse lessen worden afgesloten. [eiser] heeft onbetwist gesteld dat zij drie rijlessen heeft afgenomen (3 x € 65,00), de vierde kort van te voren heeft geannuleerd, maar wel verschuldigd is (1 x € 65,00), een theorie-examen (€ 50,00) en online theorie-studiemateriaal (€ 50,00) heeft afgenomen van [gedaagde] . Totaal komt dat uit op een bedrag van € 360,00. Niet gesteld is dat sprake is van onkosten. Dit betekent dat een bedrag van € 360,00 in mindering moet worden gebracht op het bedrag dat [eiser] voor het lespakket (€ 1.499,00) heeft betaald zodat [gedaagde] aan [eiser] € 1.139,00 moet terugbetalen.
Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [eiser] tot betaling van € 1.139,00 zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2025.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] in persoon procedeert, worden de proceskosten aan haar kant ambtshalve vastgesteld op een forfaitair bedrag van € 50,00 voor reis-, verblijf- en verletkosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
148,64
- griffierecht
€
226,00
- verletkosten
€
50,00
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
526,64
in reconventie
De tegenvordering van [gedaagde] dat [eiser] bij voorbaat wordt gesommeerd zich te onthouden van onredelijke negatieve publiciteit op welke wijze en via welk medium dan ook, is zodanig ruim geformuleerd dat deze te onbepaald is om te kunnen worden toegewezen. Reeds daarom zal de vordering worden afgewezen.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld. Omdat geen extra proceshandelingen nodig zijn geweest in de tegenvordering worden de verletkosten in de tegenvordering gesteld op nihil.
5. De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.139,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 28 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 526,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2. en 5.3. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
wijst de vordering van [gedaagde] af,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [eiser] worden vastgesteld op nihil,
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2025.