ECLI:NL:RBNHO:2025:14042

ECLI:NL:RBNHO:2025:14042, Rechtbank Noord-Holland, 01-10-2025, 11525177 \ CV EXPL 25-454

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 01-10-2025
Datum publicatie 05-01-2026
Zaaknummer 11525177 \ CV EXPL 25-454
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Alkmaar

Samenvatting

Ursemmerhof, huurovereenkomst, opzeggingsregeling niet nietig of vernietigbaar, huurovereenkomst rechtsgeldig opgezegd, onrechtmatig handelen door Ursemmerhof, afwijziging ontheffing ontruimingsvonnis

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: 11525177 \ CV EXPL 25-454 TB

Vonnis van 1 oktober 2025

in de zaak van

[eiser] ,

te [plaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. D.F. Briedé,

tegen

de besloten vennootschap

URSEMMERHOF B.V.,

te Makkum,

gedaagde partij,

hierna te noemen: Ursemmerhof,

gemachtigde: mr. V.H.B. Kruit.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 29 januari 2025

- de conclusie van antwoord van 9 april 2025

- het tussenvonnis van 23 april 2025

- de akte overlegging producties van Ursemmerhof van 23 juni 2025

- de mondelinge behandeling van 3 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Ursemmerhof is in of omstreeks 2014 eigenaresse geworden van het recreatiepark genaamd: “Camping De Ursemmerhof” te Ursem (hierna: het recreatiepark).

Ursemmerhof is sinds ongeveer 2014 bezig met plannen voor herontwikkeling van het park. In 2019 heeft zij een of meer informatieavonden gehouden om de huurders van de vaste standplaatsen over die plannen te informeren. Na die tijd heeft Ursemmerhof informatie over de plannen met de huurders gedeeld via onder meer een Facebook-groep die was opgezet door de beheerder van het recreatiepark.

In of omstreeks 2019 staakte Ursemmerhof de exploitatie van het ‘campingdeel’ van het recreatiepark. De exploitatie van het deel met de vaste standplaatsen werd voortgezet.

In 2020 verschenen er in de media berichten waarin gemeld werd dat Ursemmerhof werkte aan het project ‘SchermerBuiten’. Volgens de berichten hield dat project onder meer in dat het recreatiepark in fases werd vernieuwd. Er kwamen nieuwe recreatiewoningen aan de linkerzijde van de recreatieplas (de Ursemmerplas) en op een weiland achter het park. Dit alles zou voorlopig niet ten koste gaan van de bestaande vaste standplaatsen. Er zou ook pas gestart worden met de bouw van de recreatiewoningen als er woningen verkocht waren.

In of omstreeks 2020/2021 stond bij de ingang van het park een bouwbord met de mededeling dat het park gewijzigd zou worden in ‘SchermerBuiten’.

Op 25 september 2021 is tussen Ursemmerhof en [eiser] een huurovereenkomst gesloten voor een vaste standplaats. In de huurovereenkomst – voor zover dat relevant is voor dit geschil – staat onder meer:

“(…)

9. De huurovereenkomst wordt aangegaan voor bepaalde tijd (1 januari tot en met 31 december van enig jaar). De huurovereenkomst wordt na afloop telkens automatisch verlengd voor de duur van één jaar onder de dan geldende voorwaarden.

10. Als huurder geen verlenging van de huurovereenkomst wenst, dan moet hij uiterlijk drie maanden (1 september elk jaar) vóór afloop van de lopende periode schriftelijk opzeggen.

11. Voor huurder geldt echter een opzegtermijn van één maand als er na de opzegtermijn, zoals vermeld onder punt 10, een wezenlijke verandering optreedt in het voorzieningenpakket, in de huurovereenkomst of in het algemeen reglement ‘Ursemmerhof’ of als de prijs voor de standplaats exclusief externe kosten een aanzienlijke verhoging ondergaat.

12. Als de verhuurder geen verlenging van de huurovereenkomst wenst, kan hij, met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden voor afloop van de lopende periode, uitsluitend schriftelijk opzeggen als:

(…)

c. verhuurder wegens concrete plannen tot een al dan niet ingrijpende herstructurering van zijn bedrijfsterrein de standplaats nodig heeft. Als de verhuurder de overeenkomst wil beëindigen wegens een ingrijpende herstructurering, dan moet hij tevens huurder daarvan tijdig op de hoogte stellen.

(…)

17. Als de huurovereenkomst is beëindigd, moet de huurder zijn stacaravan van het terrein verwijderen, tenzij anders is overeengekomen. Huurder is aansprakelijk voor de door hem veroorzaakte schade ontstaan bij de ontruiming die hem kan worden toegerekend. Als de huurder zijn stacaravan niet verwijdert, is de verhuurder gerechtigd, na schriftelijke sommatie en met inachtneming van een redelijke termijn, op kosten van huurder de plaats te ontruimen. De verhuurder is niet aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit of verband houdt met het verwijderen van de stacaravan tenzij de schade is ontstaan door onzorgvuldigheid van de verhuurder of zijn personeel. Eventuele stallingskosten zijn voor rekening van de huurder.

18. De huurder kan te allen tijde zijn vakantieverblijf verkopen in overleg met de beheerder en met inachtneming van deze huurovereenkomst en het geldende algemeen reglement Camping chaletpark Ursemmerhof BV.

19. De verhuurder kan huurder toestemming geven de stacaravan met voortzetting van de standplaatsovereenkomst te verkopen.

20. (…)

21. Bij verkoop/aankoop van de stacaravan met voortzetting van de standplaatsovereenkomst is de Verkoper als koper administratie/overdrachtskosten verschuldigd. Deze kosten bedragen € 260,- incl BTW.”

Op 28 september 2022 heeft Ursemmerhof de huurovereenkomsten met alle huurders, waaronder [eiser] , van een standplaats schriftelijk opgezegd. In de opzeggingsbrief vermeldt Ursemmerhof dat zij op het terrein een volledig nieuw recreatiepark gaat realiseren, met nieuwe kavels, een nieuwe infrastructuur en nieuwe recreatieverblijven. De brief verwijst voor de grond van de opzegging naar artikel 12 sub c van de huurovereenkomst. De huurovereenkomsten zijn opgezegd tegen 31 december 2023. In de brief wordt de huurder de mogelijkheid geboden om te kiezen voor een beëindiging per 1 september 2024 (in plaats van per 31 december 2023).

Op 30 september 2022 heeft de beheerder van het park (namens Ursemmerhof) via Facebook meegedeeld dat er geen verkopen/overnames meer konden plaatsvinden.

Een groot aantal huurders heeft zich verzet tegen de beëindiging van de huur. Deze huurders hebben zich verenigd in de vereniging Durf. Durf is opgericht op 16 december 2022 en heeft ongeveer 160 leden, allen huurder van een of meer standplaatsen op het park. Durf is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. [eiser] heeft zich niet aangesloten bij de vereniging Durf.

Op 1 februari 2023 heeft Ursemmerhof [eiser] per brief geïnformeerd over de herontwikkeling, de afrekening van de kosten voor nutsvoorzieningen van 2022, en de parkprijzen voor 2023. In de brief vermeldt Ursemmerhof ook dat zij [eiser] korting geeft op de kosten voor de nutsvoorzieningen van 2022 en dat zij de standplaatsvergoeding voor 2023 en 2024 verlaagt (met respectievelijk 10% en 15%).

Op 27 februari 2023 hebben Durf c.s. en verschillende bij haar aangesloten huurders Ursemmerhof gedagvaard ten overstaan van de kantonrechter te Leeuwarden (rechtbank Noord- Nederland). Zij hebben, voor zover van belang, gevorderd dat de kantonrechter te Leeuwarden voor recht verklaart dat de opzeggingen strijdig zijn met de redelijkheid en billijkheid en dat de verschillende huurovereenkomsten om die reden niet eindigen. Ursemmerhof heeft in die procedure als tegenvordering gevorderd dat de in dat geding als eisende partij optredende huurders worden veroordeeld tot ontruiming per 31 december 2023. Beide vorderingen zijn bij vonnis van 10 oktober 2023 afgewezen. Daarnaast is voor huurders die na 1 januari 2022 een huurovereenkomst hebben gesloten voor recht verklaard dat Ursemmerhof jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld, en Ursemmerhof veroordeeld tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat. In dat vonnis is onder meer ook geoordeeld dat Ursemmerhof de huur rechtsgeldig heeft opgezegd. Zowel Durf c.s., de in eerste aanleg als eisende partij optredende huurders als Ursemmerhof hebben hoger beroep ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis. [eiser] is bij deze procedures niet betrokken geweest.

Op 5 juli 2024 heeft Ursemmerhof per brief aan de huurders, waaronder [eiser] , laten weten dat de nutsvoorzieningen per 1 september 2024 worden afgesloten en dat de standplaatsen uiterlijk 5 september 2024 ontruimd moeten zijn.

Durf c.s. zijn naar aanleiding van de brief van 5 juli 2024 een kort geding gestart bij de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. In dat kort geding hebben Durf c.s. gevorderd dat Ursemmerhof bevolen wordt om de nutsvoorzieningen ook na 1 september 2024 in stand te houden. De vorderingen in kort geding zijn op 21 augustus 2024 afgewezen. Durf c.s. hebben tegen die afwijzing hoger beroep ingesteld.

In of omstreeks september 2024 heeft Ursemmerhof de stroomvoorziening van het park laten afsluiten. Nadat de stroom was afgesloten, is er enige tijd illegaal stroom afgetapt.

Ursemmerhof heeft vervolgens alle huurders, waaronder [eiser] , afzonderlijk gedagvaard in een kort geding van 11 november 2024 bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar. Ursemmerhof heeft daarbij gevorderd de huurders te veroordelen tot ontruiming van hun standplaatsen. Op 16 december 2024 heeft de kantonrechter de vorderingen tot ontruiming toegewezen voor zover deze gericht waren tegen huurders die op dat punt geen verweer hadden gevoerd. [eiser] is niet verschenen in het kort geding. Voor het overige zijn de ontruimingsvorderingen afgewezen; de kantonrechter oordeelde dat voor de overige huurders de uitkomst van het hoger beroep in deze bodemprocedure moest worden afgewacht.

In november 2024 is door de gemeente Koggenland een kennisgeving gepubliceerd van terinzagelegging van een voorkeursrechtbeschikking voor de onroerende zaken aan De Leet te Ursem (Ursemmerhof).

Op 27 mei 2025 heeft het hof arrest gewezen in het hoger beroep tussen Durf c.s. en Ursemmerhof. Daarin is – kort weergegeven – het volgende geoordeeld:

“Ursemmerhof heeft op 28 september 2022 de huurovereenkomsten opgezegd tegen 31 december 2023. Het hof oordeelt dat Ursemmerhof de huur van de standplaatsen daarmee rechtsgeldig beëindigd heeft.

(…)

Het hof oordeelt dat Ursemmerhof onrechtmatig gehandeld heeft tegen de huurders met wie zij op of na 1 januari 2021 nog een huurcontract heeft gesloten. Ursemmerhof heeft die huurders ten onrechte niet nader geïnformeerd over de aanstaande herstructurering, en daarmee heeft zij die huurders op onrechtmatige wijze (ernstig) benadeeld.

(…)

Volgens Durf c.s. zijn het oneerlijke bedingen als bedoeld in de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG). (…) Dit betekent dat het hof de bedingen in de artikelen 1, 8 en 21 zal vernietigen, dit voor zover het huurovereenkomsten betreft die na 31 december 1994 zijn afgesloten.

(…)

Ursemmerhof wist dat de huurovereenkomst en de verwachte duur van die overeenkomst, voor de koper en nieuwe huurder essentieel was. Het was zowel essentieel voor het aangaan van de overeenkomst tot koop van het kampeermiddel, als voor het aangaan van de huurovereenkomst. Ursemmerhof heeft dan ook essentiële informatie aan de nieuwe huurders onthouden, dit als bedoeld in artikel 6:193d lid 2 BW. Het hof acht duidelijk dat de nieuwe huurders daarmee beperkt zijn in de mogelijkheid om een geïnformeerd besluit te nemen, en dat deze huurders een besluit hebben genomen dat zij anders niet hadden genomen. Dit is een oneerlijke handelspraktijk, en dit betekent op zichzelf ook al dat sprake is van onrechtmatige daad. Ursemmerhof is dus ook op grond van oneerlijke handelspraktijk aansprakelijk jegens de huurders aan wie zij in 2021 of 2022 nog een standplaats heeft verhuurd.

(…)”

3. Het geschil

[eiser] vordert:

1. Een verklaring voor recht dat Ursemmerhof jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld ter zake het op onevenwichtige wijze contracteren met een consumenthuurder voor een standplaats en/of het zich bedienen van oneerlijke handelspraktijken.

2. Een verklaring voor recht dat de huuropzegging door Ursemmerhof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en de huurovereenkomst doorloopt.

3. Voorwaardelijk, namelijk voor het geval de opzegging toch in stand blijft of er andermaal wordt opgezegd, of terugkeer feitelijk onmogelijk is of wordt gemaakt, een verklaring voor recht dat Ursemmerhof jegens [eiser] schadevergoeding heeft aan te bieden en dat zij in die gevallen wordt veroordeeld tot betaling van enig bedrag door uw rechtbank te begroten dan wel nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4. [eiser] te ontheffen van de veroordeling tot ontruiming in het vonnis van 16 december 2024 met zaaknummer 11421342 KG EXPL 24-144 WD alsmede de proceskostenveroordeling.

5. Ursemmerhof te veroordelen in de kosten van deze procedure.

[eiser] heeft ook verzocht om een voorlopige voorziening.

Ursemmerhof voert verweer. Ursemmerhof concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

De opzeggingsregeling

Tussen partijen staat niet ter discussie dat het bij de huur van de standplaats gaat om huur van een onbebouwde onroerende zaak. De bijzondere wettelijke regels voor huur van woonruimte, bedrijfsruimte of andere gebouwde onroerende zaken, zijn hier niet van toepassing. De wettelijke regeling over het eindigen van de huur die hier van toepassing is, is de regeling van artikel 7:228 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Volgens lid 2 van dit artikel eindigt een huur die voor onbepaalde tijd is aangegaan of voor onbepaalde tijd is verlengd, door opzegging met een opzegtermijn van tenminste één maand. Artikel 7:228 BW is echter van regelend recht. Dat betekent dat partijen over het beëindigen van de huurovereenkomst andere afspraken kunnen maken, waarbij zij afwijken van artikel 7:228 BW.

In dit geval zijn partijen in artikel 12 van de huurovereenkomst overeengekomen dat de verhuurder een opzegtermijn van drie maanden dient te hanteren en dat er voor de verhuurder een beperkt aantal gronden bestaat voor opzegging. De opzeggingsgrond waar het in dit geval om gaat betreft de grond genoemd in artikel 12 onder c: concrete plannen tot een al dan niet ingrijpende herstructurering van zijn bedrijfsterrein. In dat geval moet de verhuurder huurder daarvan tijdig op de hoogte stellen, zo staat in artikel 12.

Volgens [eiser] is dit opzeggingsbeding in artikel 12 van de overeenkomst nietig of vernietigbaar. Daarbij beroept zij zich op de Richtlijn betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (93/13/EEG) en de Richtlijn consumentenrechten (2011/83/EU). De overeenkomst bevat geen schriftelijk of evenwichtig opzegbeding. Het ontbreken van een duidelijke opzegregeling is in strijd met artikel 6:230m BW en de precontractuele informatieplicht die daaruit voortvloeit. Artikel 12 van de overeenkomst is ruim, onbepaald en laat opzegging toe zonder concreet plan of vergunning en biedt geen vergoeding van enigerlei vorm. Dat verstoort het evenwicht tussen partijen, aldus [eiser] . Verder is de Richtlijn oneerlijke bedingen ook van toepassing. Artikel 12 is geen kernbeding en dus mag deze worden getoetst. [eiser] stelt dat Ursemmerhof jarenlang heeft geprofiteerd van investeringen van huurders, zonder hen erop te wijzen dat hun recht op verblijf elk moment zonder compensatie kon eindigen. Dat is in strijd met professionele toewijding en vormt een oneerlijke handelspraktijk in de zin van artikel 6:193b BW. De rechter moet ambtshalve toetsen of de contractvoorwaarden eerlijk en evenwichtig zijn en deze toetsing vereist meer dan een vergelijking tussen het beding en de wet. Ook een beding dat meer biedt dan artikel 7:228 BW kan nog steeds oneerlijk zijn als het de consument onevenwichtig benadeelt, aldus nog steeds [eiser] .

In deze zaak staat niet ter discussie dat [eiser] als huurder consument is en dat Ursemmerhof als verhuurder een professionele partij is. Evenmin staat ter discussie dat over artikel 12 van de huurovereenkomst niet is onderhandeld. Richtlijn 93/13 EEG bepaalt in artikel 3 lid 1: ‘Een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord.’. Deze regel is geïmplementeerd in artikel 6:233 BW. Beoordeeld moet dan worden of het contractuele evenwicht tussen deze partijen aanzienlijk is verstoord met de in artikel 12 opgenomen opzeggingsregeling.

Vast staat dat de wet de huurder in gevallen als deze geen huurbescherming biedt (zie hierboven, onder 4.1.). Als in dit geval de opzeggingsregels uit de huurovereenkomst niet zouden gelden, zou teruggevallen moeten worden op de regeling van artikel 7:228 BW. Er is volgens die regeling alleen de verplichting om, kort gezegd, een opzegtermijn van een maand in acht te nemen. Daarbij merkt het hof dat de huur in dit geval is aan te merken als huur voor onbepaalde tijd in de zin van lid 2 van artikel 7:228 BW en dat de huur daarmee in elk geval op een lijn moet worden gesteld. Uit de huurovereenkomst blijkt immers dat de huur, als deze niet wordt opgezegd, steeds voortduurt.

Zonder nadere toelichting vermag de kantonrechter niet in te zien waarom de overeenkomst tussen [eiser] en Ursemmerhof moet worden aangemerkt als een overeenkomst op afstand of een overeenkomst buiten de verkoopruimte, zoals [eiser] ter zitting heeft betoogd. Artikel 6:230m BW is naar het oordeel van de kantonrechter daarom niet van toepassing. Ambtshalve toetsend is de kantonrechter verder van oordeel dat artikel 12 van de overeenkomst niet in strijd is met artikel 6:230l sub f, nu de voorwaarden voor het opzeggen van de overeenkomst daarin voldoende duidelijk zijn: in dit geval kan Ursemmerhof opzeggen als zij concrete plannen heeft tot herstructurering van het bedrijfsterrein, en als die plannen ingrijpend zijn moet Ursemmerhof de huurder daarvan tijdig op de hoogte stellen.

De kantonrechter is voorts van oordeel dat artikel 12 niet oneerlijk is jegens de consument. Een beding is oneerlijk als dat het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. Dit is niet het geval. Het feit dat in de opzeggingsregeling niet ook een compensatieregeling is opgenomen, maakt niet dat de opzeggingsregeling oneerlijk is. Onder omstandigheden kan een partij jegens wie een duurovereenkomst is opgezegd aanspraak maken op schadevergoeding. Of en in welke mate daarvan sprake is, is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Dat recht hoeft niet op straffe van verval van het recht op opzegging door de verhuurder contractueel te worden uitgewerkt. Ursemmerhof heeft in artikel 12 van de overeenkomst aangegeven onder welke omstandigheden zij tot opzegging mag overgaan. Wat zij niet heeft gedaan is daarbij de consument een beroep op eventuele compensatie ontzegd. Ook de stelling dat Ursemmerhof zich heeft schuldig gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk ontbeert dan ook feitelijke grondslag. Het betoog van [eiser] dat de opzeggingsregeling nietig of vernietigbaar is, wordt daarom verworpen.

Beëindiging huurovereenkomst

Ursemmerhof heeft op 28 september 2022 de huurovereenkomst met [eiser] opgezegd tegen 31 december 2023. De kantonrechter oordeelt dat Ursemmerhof de huur van de standplaats van [eiser] daarmee rechtsgeldig beëindigd heeft. Dit oordeel wordt hieronder toegelicht.

In artikel 12 sub c van de huurovereenkomsten is – zoals vermeld – vastgelegd dat de verhuurder de huur kan opzeggen als hij de standplaats nodig heeft ‘wegens concrete plannen tot een al dan niet ingrijpende herstructurering van zijn bedrijfsterrein’. Daarbij is bepaald dat als de verhuurder de huur wil beëindigen wegens een ingrijpende herstructurering, hij bovendien verplicht is de huurder daarvan tijdig op de hoogte stellen. De opzegging moet verder schriftelijk plaatsvinden, met inachtneming met een opzegtermijn van drie maanden voor afloop van de lopende periode (zie hierboven, onder 2.6.).

De kantonrechter is van oordeel – gelijk aan het oordeel van het hof – dat Ursemmerhof voldoende heeft aangetoond dat zij ten tijde van de opzegging serieuze, concrete plannen had voor herstructurering van het terrein en dat zij daartoe de standplaatsen nodig had. [eiser] heeft in deze procedure niets naar voren gebracht dat aanleiding geeft om tot een andere beslissing te komen dan het hof heeft beslist in het arrest van 27 mei 2025, de procedure waar [eiser] zelf niet bij betrokken was.

Het beroep van [eiser] op de redelijkheid en billijkheid kan ook niet tot een ander oordeel leiden. Voor [eiser] moet duidelijk zijn geweest dat de verhuurder de huur op een relatief korte termijn kon beëindigen en dat de huurder in zo’n geval verplicht is zijn kampeermiddel van de standplaats te verwijderen. Daarbij is van belang dat een relatief lange opzegtermijn is gehanteerd voor het verwijderen het kampeermiddel van de standplaats. Ursemmerhof was dus in de gegeven omstandigheden bevoegd om de huur op de hiervoor genoemde wijze op te zeggen. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen niet mee dat Ursemmerhof de huur slechts kon beëindigen als er bijvoorbeeld bij de opzegging ook schadevergoeding werd aangeboden. Het gegeven dat het beëindigen van de huur voor huurders ingrijpend is en dat dit voor hen – ook in financieel opzicht – aanzienlijke gevolgen heeft of kan hebben, maakt dat hier niet anders. Daarbij is van belang dat niet blijkt dat Ursemmerhof bij [eiser] de (gerechtvaardigde) verwachting heeft gewekt dat zij bij een opzegging van de huur, het daaruit voor de huurder voortvloeiende nadeel geheel of gedeeltelijk voor haar rekening zou nemen.

Slotsom is dat Ursemmerhof de huurovereenkomst met [eiser] rechtsgeldig heeft opgezegd en dat zij [eiser] aan die opzegging kan houden. Vast staat dat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om de huur tot 1 september 2024 voort te zetten. Dit betekent dat de huur van de standplaats van [eiser] per 31 december 2023 geëindigd is. [eiser] was op grond van de overeenkomst verplicht haar standplaats bij het einde van de huur te ontruimen. Ursemmerhof heeft op 5 juli 2024 aan [eiser] laten weten dat er uiterlijk op 5 september 2024 ontruimd moest zijn. Dit betekent dat [eiser] op grond van de huurovereenkomst in beginsel verplicht was (en is) haar standplaats uiterlijk 5 september 2024 te ontruimen.

Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de huuropzegging door Ursemmerhof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en dat de huurovereenkomst doorloopt zal worden afgewezen.

Onrechtmatig handelen

[eiser] stelt dat Ursemmerhof onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door informatie achter te houden. Ursemmerhof heeft met [eiser] een huurovereenkomst gesloten op 25 september 2021. Het hof heeft – kort samengevat – geoordeeld dat tegenover huurders die een huurovereenkomst hebben gesloten na 1 januari 2021 onrechtmatig is gehandeld en dat zij recht hebben op vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van deze gebrekkige informatievoorziening. Ook hierin volgt de kantonrechter het oordeel van het hof. Met [eiser] is de huurovereenkomst na 1 januari 2021 is gesloten, zodat Ursemmerhof tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld.

De kantonrechter zal Ursemmerhof dan ook veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser] door dit onrechtmatig handelen geleden heeft. Bij het vaststellen van de schadeomvang moet gekeken worden naar, kort gezegd, het verschil tussen de feitelijke situatie en de situatie die ontstaan zou zijn als er niet onrechtmatig gehandeld was. De kantonrechter stelt vast dat het partijdebat over de schade in elk geval onvoldoende is om op dit moment de schade te kunnen begroten. De mogelijkheid dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Ursemmerhof, is gelet op het voorgaande wel voldoende aannemelijk geworden. De kantonrechter zal daarom daartoe verwijzen naar de schadestaatprocedure.

Ontheffing ontruimingsvonnis

Bij verstekvonnis van 16 december 2024 in kort geding is de vordering van Ursemmerhof toegewezen als gevorderd en zijn de niet verschenen gedaagden, waaronder [eiser] , bij verstek veroordeeld tot ontruiming van de standplaats. [eiser] is niet opgekomen tegen dit vonnis. Aan dit vonnis, dat in kracht van gewijsde is gegaan, komt gezag van gewijsde toe. Dit betekent dat in het kader van de rechtsstrijd tussen partijen een onaantastbare rechterlijke beslissing is genomen dat in een nieuw geschil tussen partijen niet meer ter discussie kan worden gesteld en dat in een nieuw geschil tussen partijen tot uitgangspunt moet worden genomen. De vordering tot ontheffing van de veroordeling tot ontruiming en proceskostenveroordeling zal dan ook worden afgewezen.

Voorlopige voorziening

De gevraagde voorlopige voorziening moet worden afgewezen, omdat een dergelijke voorziening alleen kan worden gegeven voor de duur van deze procedure en deze procedure eindigt met dit vonnis.

Proceskosten

[eiser] is de partij die grotendeels in het ongelijk is gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ursemmerhof worden begroot op:

- salaris gemachtigde

408,00

(2 punten × € 204,00)

- nakosten

102,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

510,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

verklaart voor recht dat Ursemmerhof onrechtmatig heeft gehandeld tegen [eiser] en dat zij zich tegenover [eiser] schuldig heeft gemaakt aan een oneerlijke handelspraktijk, dit door haar niet tijdig voor het aangaan van de huurovereenkomst te informeren over de aanstaande herstructurering van het park als geheel en de daarmee samenhangende, aanstaande opzegging van de huurovereenkomst,

veroordeelt Ursemmerhof om aan [eiser] de schade te vergoeden die zij heeft geleden doordat Ursemmerhof onrechtmatig heeft nagelaten [eiser] tijdig voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst te informeren over de aanstaande herstructurering van het park als geheel en de daarmee samenhangende, aanstaande opzegging van de huurovereenkomst, telkens op te maken bij staat,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 510,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2025.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?