2. De verdere beoordeling
Schadevergoedingen
De eisende partij heeft in haar akte uitgebreid toegelicht dat de mogelijkheid van cumulatie van bedingen uit de algemene voorwaarden er niet toe kan leiden dat zij de consument met een schadevergoeding zou kunnen confronteren die de daadwerkelijk geleden schade overstijgt. Ook heeft zij toegelicht dat de verschillende modaliteiten er toe dienen voor de consument inzichtelijk te maken in welke gevallen de eisende partij bepaalde kosten op de consument kan verhalen. Daarnaast speelt mee dat het voor de eisende partij in het geval van ’treintje rijden’ niet is te voorzien of dat gebeurt zonder betaalbewijs, of met een ‘vals’ betaalbewijs. Dat Q-park in zo’n geval een beroep doet op artikel 5.5 en/of 5.7 van de algemene voorwaarden is, zo begrijpt de kantonrechter, vooruitlopend op een mogelijk verweer daarom noodzakelijk. Dit betekent niet dat de in genoemde artikelen vergoedingen cumulatief worden gevorderd. Voor zover verkeerde lezing van de algemene voorwaarden tot de conclusie leidt dat er door de eisende partij dubbele schadevergoedingen kunnen worden gevorderd, heeft zij in artikel 5.8 een beding opgenomen dat het vorderen van dubbele schadevergoedingen uitsluit, aldus de eisende partij.
De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij met de toelichting op haar algemene voorwaarden voldoende duidelijk heeft gemaakt dat het voornemen in het tussenvonnis om bedingen te vernietigen vanwege de mogelijkheid van cumulatie van schadevergoedingen niet terecht is.
Incassobeding
De eisende partij heeft in haar akte voldoende toegelicht dat uit de laatste zin van artikel 8.2 volgt dat het artikel niet geldt voor consumenten. Het voornemen in het tussenvonnis om het incassobeding wegens oneerlijkheid te vernietigen berust dus op een onjuiste lezing van artikel 8.2.
Conclusie en proceskosten
Uit het voorgaande volgt dat de algemene voorwaarden (versie 02.2024) geen bedingen bevatten die afzonderlijk of in samenhang bezien, oneerlijk zijn. Dit betekent dat de vordering zal worden toegewezen. De wettelijke rente zal, gelet op de sommatiebrief van 16 mei 2024 worden toegewezen vanaf 1 juni 2024, als eerste datum van verzuim. Daarbij speelt mee dat de vordering is gebaseerd op de algemene voorwaarden. Het betoog dat het verzuim is ingetreden op de datum van het ‘treintje rijden’ is daarom niet goed onderbouwd.
De gedaagde partij krijgt ongelijk en moet de proceskosten betalen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de eisende partij te betalen het bedrag van € 602,38, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2024 over € 523,81 tot aan de dag van de volledige betaling.
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
€ 113,54 wegens dagvaardingskosten,
€ 328,00 wegens griffierecht en
€ 82,00 wegens salaris gemachtigde;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter