RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9337837 \ CV EXPL 21-4807
Uitspraakdatum: 26 november 2025
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Elbuco B.V., tevens handelende onder de naam Skala Home Electronics
te Culemborg
de eisende partij
gemachtigde: mr. M. Spruit
tegen
[gedaagde]
te [plaats]
de gedaagde partij
niet verschenen
1. De verdere procedure
Bij tussenvonnis van 11 augustus 2021 is de eisende partij in de gelegenheid gesteld om nader toe te lichten op welke wijze de overeenkomst tot stand is gekomen en op welke wijze zij daarbij heeft voldaan aan de op haar rustende (pre)contractuele informatieverplichtingen en om zich uit te laten over het voorlopige oordeel van de kantonrechter over de oneerlijkheid van een beding in de algemene voorwaarden van de eisende partij.
2. De verdere beoordeling
De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Uit de toelichting van de eisende partij in haar akte blijkt dat de overeenkomst is gesloten buiten de verkoopruimte. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet ter bescherming van de consument aan de wettelijke (pre)contractuele informatieplichten van de artikelen 6:230m lid 1 en 6:230t van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden voldaan. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
Ambtshalve toetsing van de precontractuele informatieplichten
De eisende partij stelt te hebben voldaan aan de precontractuele informatieplichten van artikel 6:230m lid 1 en artikel 6:230t lid 1 BW. Ter onderbouwing hiervan heeft zij schermafbeeldingen en bestelbevestigingen overgelegd, voorzien van een toelichting. Uit deze toelichting en stukken blijkt niet (voldoende) dat de eisende partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst aan de informatieplicht(en) als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 onder e, g, en h BW heeft voldaan. De eisende partij stelt immers dat de informatie over de totale prijs van de diensten op zowel de ‘orderstraat’ op de website als in de overeenkomst is opgenomen. In deze documenten ontbreekt echter de informatie over de maandelijkse kosten voor het betalen per acceptgiro. Daarnaast stelt de eisende partij dat de informatie over de wijze van betaling is opgenomen in de overeenkomst, maar deze vermeldt slechts dat de eerste termijn contant dient te worden betaald bij aflevering en niet de wijze waarop vervolgens betaald moet worden voor de maandelijkse termijnen. Ten slotte stelt de eisende partij dat de informatie over het recht van ontbinding over de overeenkomst is opgenomen in de overeenkomst en op de website, maar op de overeenkomst ontbreekt de informatie over de voorwaarden en de modaliteiten en het modelformulier voor ontbinding. Uit de schermafbeeldingen van de website is in het geheel geen informatie over het ontbindingsrecht te herleiden. Voor deze schending(en) zal een sanctie worden toegepast.
Ambtshalve toetsing van de contractuele informatieplicht
De eisende partij stelt te hebben voldaan aan de contractuele informatieplicht van artikel 6:230t lid 1 BW. Zoals hiervoor overwogen ontbreekt in de overgelegde afschriften van de overeenkomsten echter de informatie over de totale prijs van de diensten, de wijze van betaling en het recht op ontbinding van de overeenkomst.
Welke sanctie hoort hierbij?
De eisende partij heeft de gedaagde partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet (voldoende) geïnformeerd over de kosten als bedoeld in artikel 6:230m lid 1 sub e BW. Daarom zijn deze kosten op grond van artikel 6:230n lid 3 BW niet verschuldigd. Uit de overgelegde facturen volgt dat de eisende partij in totaal een bedrag van € 21,00 (€ 5,25 x 4) aan dergelijke kosten bij de gedaagde partij in rekening heeft gebracht. Dit bedrag strekt in mindering op de hoofdsom.
De schending met betrekking tot het herroepingsrecht heeft tot gevolg dat de herroepingstermijn van veertien dagen is verlengd tot het moment waarop alle ontbrekende gegevens alsnog op de voorgeschreven wijze aan de gedaagde partij zijn verstrekt, maar ten hoogste met twaalf maanden (artikel 6:230o lid 2 BW). Omdat deze termijn al is verstreken en niet is gesteld of gebleken dat de gedaagde partij de overeenkomst binnen die termijn heeft willen herroepen, zal aan dit gebrek enkel de hieronder te noemen sanctie worden verbonden.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en onder meer, het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
De kantonrechter zal daarom op grond van de hiervoor vastgestelde schending(en) de overeenkomst met toepassing van de sanctierichtlijn gedeeltelijk vernietigen in die zin dat de betalingsverplichting van de consument wordt verminderd met 40%.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden
De kantonrechter moet, gelet op het Dexia-arrest, onderzoek doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in de toepasselijke algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter moet in iedere procedure over ieder onderdeel van de vordering beoordelen of daarover in de algemene voorwaarden afspraken zijn gemaakt en of die afspraken al dan niet oneerlijk zijn ten opzichte van de consument. Als de kantonrechter oordeelt dat een contractuele afspraak oneerlijk is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak).
Het beding in artikel 9.5 sub b, bezien in samenhang met artikel 2.2. van de algemene voorwaarden, geeft de eisende partij bij tussentijdse beëindiging vanaf 14 dagen na de dag waarop de overeenkomst wordt gesloten, het recht om bij de huurder het restant van de huurtermijnen in rekening te brengen, gemaximeerd tot de huurtermijnen die 12 maanden na de tussentijdse beëindiging opeisbaar zijn.
Toepassing van het beding kan daarmee tot gevolg hebben dat de eisende partij maar korte tijd (meer dan 14 dagen) apparatuur hoeft te leveren, terwijl de consument na beëindiging verplicht wordt de apparatuur terug te geven (of de vervangingswaarde te betalen) en een bedrag gelijk aan (maximaal) 12 maanden huur te betalen. De enkele stelling van de eisende partij in haar akte dat dit bedrag dient ter compensatie van door haar geleden schade, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat dit bedrag een redelijke vergoeding betreft. De eisende partij heeft haar stelling op geen enkele wijze geconcretiseerd of onderbouwd, terwijl bedacht kan worden dat apparatuur die is ingeleverd weer aan een ander kan worden verhuurd. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de eisende partij dan ook onvoldoende aangetoond dat een bedrag ter grootte van (maximaal) 12 huurtermijnen een redelijke vergoeding zoals bedoeld in artikel 6:237 sub i BW oplevert.
Omdat de eisende partij na een tussentijdse beëindiging in het geheel geen prestatie meer hoeft te leveren (de apparatuur moet terug), terwijl de consument wel verplicht is om nog een bedrag gelijk aan (maximaal) 12 maanden huur te betalen, wordt het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. De kantonrechter vernietigt het beding dan ook als onredelijk bezwarend en de vordering tot betaling van € 712,40 zal worden afgewezen.
Artikel 9.5 van de algemene voorwaarden biedt de eisende partij ook de mogelijkheid om ophaalkosten in rekening te brengen. Volgens de eisende partij is hier geen sprake van een oneerlijk beding omdat de ophaalkosten daadwerkelijk zijn gemaakt om langs te gaan bij de gedaagde partij. In het beding wordt echter bepaald dat ophaalkosten in rekening worden gebracht, ongeacht of het gehuurde feitelijk wordt teruggegeven. Naar het oordeel van de kantonrechter is in een dergelijk geval sprake van een oneerlijk beding, omdat de eisende partij de ophaalkosten van € 75,- kan vorderen, ongeacht de door haar te leveren tegenprestatie. Deze kosten zijn op grond van deze bepaling namelijk ook verschuldigd als deze niet zijn gemaakt, bijvoorbeeld omdat het gehuurde door de huurder zelf wordt geretourneerd. Dat de eisende partij, zoals zij stelt, in dit geval wel ophaalkosten heeft gemaakt, doet aan het voorgaande niet af. Het beding moet immers worden beoordeeld naar het moment waarop de overeenkomst is aangegaan en beslissend is daarom niet of en hoe de handelaar het beding heeft toegepast, maar hoe het zou kunnen worden toegepast. De kantonrechter vernietigt deze bepaling en de vordering tot betaling van € 75,00 aan ophaalkosten zal worden afgewezen.
Al met al betekent dit dat een bedrag van € 808,40 aan hoofdsom niet toewijsbaar is.
Wat is toewijsbaar?
Gelet op het voorgaande is een bedrag van € 582,57 aan hoofdsom toewijsbaar ((€ 1.779,35 - € 808,40) x 0.6).
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen. Een in de dagvaarding opgenomen sommatie voldoet niet aan de tekst en strekking van artikel 6:96 lid 6 BW.
De vordering tot vergoeding van de verschenen rente zal worden afgewezen, omdat de eisende partij die rente (gelet op de toewijsbare hoofdsom) over een te hoog bedrag heeft berekend. De wettelijke rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf de dag van de dagvaarding.
De gedaagde partij heeft reeds een bedrag van € 57,05 voldaan. Deze deelbetaling strekt in mindering op de toewijsbare hoofdsom. Dit maakt dat een bedrag van € 525,52 zal worden toegewezen.
Conclusie en proceskosten
De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen.
De gedaagde partij wordt overwegend in het ongelijk gesteld en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten voor de door de eisende partij genomen akte komen echter voor rekening van de eisende partij omdat het aan haarzelf te wijten was dat het nodig was om deze kosten te maken.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling aan de eisende partij van € 525,52, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 juni 2021 tot aan de dag van de gehele betaling;
veroordeelt de gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de eisende partij tot en met vandaag vaststelt op:
dagvaarding € 89,44;
griffierecht € 507,00;
salaris gemachtigde € 135,00;
verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de vordering voor het overige af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter